Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1277

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
24/320
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 lid 3 Wet Vpb 1969Art. 1 leden 2 en 3 Moeder-dochterrichtlijnArt. 49 VWEUArt. 24 belastingverdrag Nederland-LuxemburgArt. 10 lid 2 letter b belastingverdrag Nederland-België
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over belastbaarheid dividenduitkering en misbruik Unierecht bij Luxemburgse houdsterstructuur

Belanghebbende, een Luxemburgse vennootschap, ontving in 2014 een dividend van haar Nederlandse dochtermaatschappij. De inspecteur legde een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting op, gebaseerd op artikel 17 lid 3 Wet Pro Vpb, wegens vermeend misbruik van Unierecht. De rechtbank vernietigde deze aanslag, maar het hof herzag dit oordeel.

Het hof paste het toetsingskader van recente arresten van de Hoge Raad toe en concludeerde dat de inspecteur aan zijn bewijslast had voldaan om aannemelijk te maken dat zowel de subjectieve als objectieve voorwaarden voor misbruik van Unierecht waren vervuld. Belanghebbende slaagde er niet in tegenbewijs te leveren dat de tussenschakeling van de Luxemburgse vennootschap zakelijke gronden had.

Het hof oordeelde dat belanghebbende geen wezenlijke functie vervulde binnen de groep en dat de structuur kunstmatig was opgezet met als hoofddoel belastingontwijking. Het incidentele hoger beroep van belanghebbende over het ontbreken van een nieuw feit en het vertrouwensbeginsel werd ongegrond verklaard. Het hoger beroep van de inspecteur werd gegrond verklaard en de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Uitkomst: De dividenduitkering is belastbaar op grond van artikel 17 lid 3 Wet Vpb wegens misbruik van Unierecht; het hoger beroep van de inspecteur wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/320
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en het incidentele hoger beroep van
[belanghebbende] B.V. (voorheen: [SA 1] ),
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 18 januari 2024, nummer BRE 23/1332, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2014 (hierna: de navorderingsaanslag) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende [naam 1] en haar gemachtigde [gemachtigde] , ter bijstand vergezeld door [naam 4] en [naam 3] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 4] en [inspecteur 3] .
1.7.
Beide partijen hebben tijdens de zitting pleitnota’s voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. Belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen overlegging van vier bij de pleitnota van de inspecteur behorende bijlagen.
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.9.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.

2.Feiten

Structuur
2.1.
Belanghebbende is op 20 oktober 1998 is in het kader van een herstructurering van de [A-groep] naar Luxemburgs recht opgericht onder de naam [SA 1] en is op 27 december 2019 grensoverschrijdend omgezet naar de rechtsvorm van een Nederlandse besloten vennootschap. Belanghebbende was in 2014 gevestigd in Luxemburg. In 2014 werden de aandelen in belanghebbende gehouden door [SPF 1] , gevestigd in Luxemburg en werden de aandelen in [SPF 1] gehouden door [naam aandeelhouder] (hierna: ook de UBO ), woonachtig in België. In 2014 was het Luxemburgse SPF-regime van toepassing op [SPF 1] , waardoor zij niet onderworpen was aan Luxemburgse vennootschaps- en dividendbelasting. Het Luxemburgse SPF-regime vereist dat door het betrokken lichaam geen enkele economische activiteit wordt uitgeoefend. Voordat het SPF-regime op [SPF 1] van toepassing werd was het Luxemburgse 1929-regime van toepassing. Hierdoor was [SPF 1] vrijgesteld van vennootschaps- en dividendbelasting. Belanghebbende was tot aan haar zetelverplaatsing fiscaal inwoner van Luxemburg en onderworpen aan Luxemburgse vennootschaps- en vermogensbelasting.
2.2.
Belanghebbende hield in 2014 alle aandelen in (onder meer) [B.V. 1] en [B.V. 2] , beide gevestigd in Nederland. [B.V. 1] is op 28 april 1998 opgericht en [B.V. 2] is op 20 december 2013 opgericht. [naam aandeelhouder] is bestuurder van deze vennootschappen. De [A-groep] houdt zich met name bezig met leegstands- en vastgoedbeheer en is actief (geweest) in 7 landen: Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, Ierland en Luxemburg.
2.3.
Het voorgaande kan schematisch als volgt worden weergegeven:
2.4.
Op 31 december 2013 heeft [B.V. 2] drie vennootschappen van belanghebbende gekocht. De totale koopsom bedroeg € 22.246.000 en is door [B.V. 2] schuldig gebleven.
2.5.
Op 2 januari 2014 heeft [B.V. 1] een aantal deelnemingen verkocht aan [B.V. 2] De totale koopsom bedroeg € 24.166.002 en is door [B.V. 2] schuldig gebleven.
2.6.
Op 6 mei 2014 heeft [B.V. 1] besloten tot een dividenduitkering aan belanghebbende van € 19.000.000 (hierna: de dividenduitkering).
Transacties in 2014
2.7.
Op 6 mei 2014 heeft [B.V. 1] € 19.000.000 van haar vordering op [B.V. 2] aan belanghebbende gecedeerd. De koopprijs is door belanghebbende schuldig gebleven.
2.8.
Eveneens op 6 mei 2014 is een ‘set off agreement’ tot stand gekomen tussen [B.V. 1] en belanghebbende. Op basis van deze overeenkomst is de vordering van [B.V. 1] op belanghebbende uit hoofde van de onder 2.5. beschreven transactie verrekend met de vordering van belanghebbende op [B.V. 1] als gevolg van de dividenduitkering.
2.9.
Op 6 mei 2014 heeft [B.V. 2] 100.000 aandelen met een nominale waarde van € 1 uitgegeven aan belanghebbende. Belanghebbende heeft vervolgens haar vordering op [B.V. 2] van € 22.246.000 als agio gestort op deze aandelen.
2.10.
Op 15 mei 2014 heeft (onder meer) [B.V. 2] een financieringsovereenkomst met een bank ( [bank] ) getekend voor kredietfaciliteiten tot een totaalbedrag van € 15.500.000. Blijkens de getekende offerte had de kredietfaciliteit voor een bedrag van € 15.000.000 tot doel een dividenduitkering dan wel terugbetaling van aandelenkapitaal door [B.V. 2] te financieren.
Bestuur en activiteiten
2.11.
Belanghebbende werd tot aan de zetelverplaatsing naar Nederland bestuurd door drie vertegenwoordigers van een trustmaatschappij. Tot en met 2013 was dit de trustmaatschappij [SA 2] . Deze maatschappij werkte op basis van een vaste prijsafspraak voor zowel de domicilie, bestuurs- en administratiewerkzaamheden. De jaarlijkse vergoeding voor deze werkzaamheden bedroeg € 3.750 (exclusief omzetbelasting).
2.12.
Met ingang van 2014 heeft [SA 3] de taken van [SA 2] overgenomen. Contractueel is [SA 3] belast met de volgende taken: (1) het ter beschikking stellen van bestuurders, (ii) het voeren van de boekhouding en (iii) het vaststellen van de jaarrekening. De jaarlijkse bestuurdersvergoeding bedraagt € 1.000 per bestuurder, de jaarlijkse vergoeding voor de boekhouding bedraagt € 1.000 en de vergoeding voor het vaststellen van de jaarrekening bedraagt jaarlijks € 1.200
.
2.13.
Belanghebbende heeft geen personeel op de loonlijst staan. Er zijn ook geen loonkosten in de administratie verantwoord.
2.14.
Belanghebbende beschikt niet over een eigen kantoorruimte in Luxemburg.
2.15.
Belanghebbende heeft op 1 januari 2013 zes leningen verstrekt aan zes verschillende groepsvennootschappen, allemaal met een looptijd van 60 maanden en tegen een rente van 3% per jaar.
2.16.
In 2014 vond één aandeelhoudersvergadering plaats in Luxemburg. Tijdens die vergadering is besloten om de jaarrekening 2013 van belanghebbende goed te keuren en decharge te verlenen voor de bestuurders en accountant van belanghebbende.
2.17.
In 2014 vond één directievergadering van belanghebbende plaats in Luxemburg waarin werd besloten tot de agiostorting (zie 2.7.) en de ‘set-off agreement’ (zie 2.6.).
2.18.
In 2014 hebben geen andere vergaderingen plaatsgevonden.
2.19.
Het commerciële resultaat van belanghebbende in de jaren 2013 tot en met 2016 bestond uit dividendinkomsten, financiële basten/lasten in verband met geldverstrekkingen en uitgaven in verband met de werkzaamheden die worden uitgevoerd door de trustmaatschappijen, door accountskantoren en door notarissen
.
2.20.
Belanghebbende had in 2014 de volgende kosten (in EUR):
Boekenonderzoek [B.V. 1]
2.21.
Bij [B.V. 1] en een aantal van haar deelnemingen heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden naar de aanvaardbaarheid van de aangifte vennootschapsbelasting voor 2012 en de aangiften omzetbelasting en loonheffing over de tijdvakken in de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013. Dit onderzoek is later uitgebreid naar (deels) de jaren 2011, 2013, 2014 en 2015 voor wat betreft omzetbelastingaspecten van IT support en credit cards (integrale steekproef). Van de bevindingen van het boekenonderzoek is een controlerapport opgemaakt met dagtekening 23 januari 2017. In het controlerapport is een vermogensvergelijking opgenomen voor de jaren 2012, 2013 en 2014. De dividenduitkering van € 19.000.000 is in deze vermogensvergelijking opgenomen onder het kopje ‘overname niet-aftrekbare bedragen’ waar een bedrag staat vermeld van € 18.943.192.
2.22.
Op 27 juli 2017 heeft de inspecteur van gemachtigde een verzoek om vooroverleg inzake de remigratie van de UBO ontvangen.
2.23.
Bij brief van 25 januari 2018 heeft de inspecteur [B.V. 2] verzocht om informatie te verstrekken met betrekking tot de afhandeling van de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2014 en 2015 van [B.V. 2] Daarop is op 28 maart 2018 gereageerd. Daaropvolgend zijn nog een aantal informatieverzoeken aan [B.V. 2] gestuurd.
2.24.
Bij e-mail van 27 juli 2018 heeft de inspecteur met betrekking tot de afhandeling van de aangifte vennootschapsbelasting 2014 van [B.V. 1] informatie verzocht over de dividenduitkering van € 19.000.000. [B.V. 1] heeft vervolgens informatie aan de inspecteur verstrekt.
2.25.
De inspecteur heeft bij brief van 16 januari 2019 een informatieverzoek aan belanghebbende gestuurd en daarin zijn voornemen kenbaar gemaakt om de belastingplicht van belanghebbende voor de vennootschapsbelasting te gaan onderzoeken.
E-mailcorrespondentie augustus 2016
2.26.
Tot de gedingstukken behoort de volgende e-mailcorrespondentie uit augustus 2016 tussen [naam 5] (finance controller van [B.V. 1] ), [naam 6] en [naam 7] (twee trustbestuurders van belanghebbende) en [naam 8] (CFO van zowel [B.V. 1] en [B.V. 2] ).
Een e-mail van 2 augustus 2016 van [naam 5] gericht aan [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] :
“[…] Today [SA 1] will receice a payment from [B] of € 1.373.715 euro (ref Bridge loan) tot [SA 1]
Could you please make a payment from [SA 1] to [B.V. 1] reference Bridge loan ( [bank] account […] of € 1.370.000.
Please arrange an urgent payment.
@ [naam 8] ,
Please approve the payment above. (…)”
Waarop [naam 8] aan allen reageert:
“(..) I advice you to carry out payments as set out below by [naam 5] .”
Transacties en activiteiten na dividenduitkering
2.27.
[naam aandeelhouder] heeft in 2018 zijn aandelen in [SPF 1] geschonken aan zijn minderjarige kinderen. Daaropvolgend is hij samen met zijn minderjarige kinderen geremigreerd naar Nederland.
2.28.
[SPF 1] is evenals belanghebbende in 2019 omgezet naar een Nederlandse besloten vennootschap.
2.29.
In 2020, 2022 en 2023 hebben terugbetalingen van kapitaal plaatsgevonden. Deze terugbetalingen leverden voor de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) geen belastbaar feit voor de minderjarige kinderen omdat zij, als gevolg van de schenking en immigratie, recht hebben op een step-up naar de waarde in het economisch verkeer.
Aanslagregeling
2.30.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2014 geen aangifte vennootschapsbelasting ingediend. Belanghebbende is daartoe ook niet uitgenodigd. Er is geen definitieve aanslag opgelegd aan belanghebbende.
2.31.
De inspecteur heeft bij het vaststellen van de navorderingsaanslag de dividenduitkering in aanmerking genomen als belastbaar inkomen uit een aanmerkelijk belang op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet Vpb). De navorderingsaanslag is gedagtekend 30 november 2019.
2.32.
De navorderingsaanslag is vastgesteld naar een belastbare winst (tevens belastbaar bedrag) van € 19.000.000 en een verschuldigde belasting van € 475.000. Tevens is bij beschikking € 171.277 belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
2.33.
De rechtbank heeft geoordeeld dat inspecteur beschikt over een nieuw feit op grond waarvan de navorderingsaanslag kan worden opgelegd en het beroep op het vertrouwensbeginsel afgewezen. Verder heeft de rechtbank de navorderingaanslag en de rentebeschikking vernietigd omdat zij van oordeel is dat de dividenduitkering niet bij belanghebbende belastbaar is op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
Is de dividenduitkering belastbaar op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb?
Is sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt (
incidenteel hoger beroep belanghebbende)?
Is sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel? (
incidenteel hoger beroep belanghebbende)
3.2.
De inspecteur beantwoordt de eerste en tweede vraag bevestigend en de laatste vraag ontkennend en concludeert tot handhaving van de navorderingsaanslag en rentebeschikking. Belanghebbende is de tegengestelde mening toegedaan.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
1.
Is de dividenduitkering belastbaar op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb?
Wettelijk kader
4.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb (tekst vanaf 1 januari 2012) behoort tot het Nederlandse inkomen: het belastbare inkomen uit een aanmerkelijk belang in de zin van hoofdstuk 4 Wet IB 2001 in een in Nederland gevestigde vennootschap, niet zijnde een vrijgestelde beleggingsinstelling, indien de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt met als voornaamste doel of een van de voornaamste doelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan (hierna ook: de subjectieve voorwaarde) en dit aanmerkelijk belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming (hierna ook: de ondernemingstoets).
4.2.
Met ingang van 1 januari 2016 is artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb in overeenstemming gebracht met de algemene antimisbruikbepaling van artikel 1, leden 2 en 3, van de moeder-dochterrichtlijn [1] zoals laatst gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2015/121 van de Raad van 27 januari 2015. Daarbij is in de subjectieve voorwaarde de terminologie “het voornaamste doel of een van de voornaamste doelen” vervangen door “het hoofddoel of een van de hoofddoelen”. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd. [2] Tevens is de ondernemingstoets komen te vervallen en in de tekst vervangen door de voorwaarde dat er sprake is van een kunstmatige constructie of reeks van constructies waarbij:
1° een constructie uit verscheidene stappen of onderdelen kan bestaan;
2° een constructie of reeks van constructies als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen (hierna ook: de objectieve voorwaarde).
De arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 en 18 juli 2025
4.3.
In de rechtsoverwegingen 4.5.1. tot en met 4.6.6. van zijn arresten van 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:668 en 669 (hierna: de arresten van 25 april 2025), heeft de Hoge Raad uiteengezet hoe artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb moet worden uitgelegd en toegepast in het licht van de moeder-dochterrichtlijn en de in dat verband gewezen rechtspraak van het Hof van Justitie over misbruik van recht, met inbegrip van de daarbij geldende regels over stelplicht en bewijslast, een en ander zoals weergegeven in de rechtsoverwegingen 4.4.1 tot en met 4.4.6 van die arresten. De betreffende overwegingen luiden als volgt:

Bestanddelen van misbruik van Unierecht
4.4.1
Die rechtspraak van het Hof van Justitie houdt met betrekking tot het begrip misbruik van Unierecht in dat daarvoor enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden is vereist waaruit blijkt dat – in weerwil van de formele naleving van de door regels van Unierecht (in dit geval: de moeder-dochterrichtlijn) opgelegde voorwaarden – het door die regels beoogde doel niet werd bereikt (hierna ook: het doelvereiste). Anderzijds is tevens een subjectief element vereist, namelijk de bedoeling om een door het Unierecht (in dit geval: de moeder-dochterrichtlijn) toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.9
4.4.2
Zoals volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie moet de vraag of de hiervoor in 4.4.1 bedoelde bestanddelen van misbruik van Unierecht (het doelvereiste en het subjectieve element) aanwezig zijn, worden beantwoord aan de hand van een onderzoek van alle feiten en omstandigheden van het geval. In het bijzonder moet in elk concreet geval de desbetreffende structuur in haar geheel worden onderzocht om te bezien of belastingplichtigen enkel formele of kunstmatige transacties hebben verricht waarvoor geen economische en commerciële rechtvaardiging bestaat, met als voornaamste doel wederrechtelijk een voordeel te verkrijgen.10
4.4.3
Een concern – begrepen als: een groepering van vennootschappen met (een) gemeenschappelijke achterliggende aandeelhouder(s) – kan als een kunstmatige constructie worden beschouwd indien het (i) niet is opgericht om redenen die de economische realiteit weerspiegelen, (ii) een zuiver formele structuur heeft en (iii) als voornaamste doel of een van zijn voornaamste doelen heeft een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel van de toepasselijke belastingwetgeving ondermijnt. Zo’n kunstmatige constructie doet zich met name voor wanneer de belastingheffing over dividenden wordt ontgaan doordat aan de concernstructuur een doorstroomvennootschap wordt toegevoegd tussen de vennootschap die de dividenden uitkeert en de uiteindelijk gerechtigde tot deze dividenden.11
Aanwijzingen voor misbruik van Unierecht
4.4.4
De rechtspraak van het Hof van Justitie over misbruik van Unierecht houdt verder in dat een dergelijk misbruik kan worden vastgesteld aan de hand van een reeks aanwijzingen, voor zover deze objectief zijn en onderling overeenstemmen.12 Aan het arrest T Danmark zijn de hierna in 4.4.5 en 4.4.6 bij wijze van voorbeeld omschreven aanwijzingen te ontlenen voor de aanwezigheid van misbruik van Unierecht met behulp van een kunstmatige constructie zoals hiervoor in 4.4.3 bedoeld.
4.4.5
Een aanwijzing dat het in het geval van een concern gaat om een kunstmatige constructie, kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het concern zich bedient van een vennootschap die als doorstroomvennootschap fungeert. Een doorstroomvennootschap is een vennootschap die zich uitsluitend bezighoudt met het ontvangen van dividenden en de doorbetaling daarvan aan de uiteindelijk gerechtigde tot die dividenden of aan (een) andere doorstroomvennootschap(pen). Ook indien de vennootschap die de uitgekeerde dividenden heeft ontvangen, wel andere activiteiten ontplooit, kan het gaan om een kunstmatige constructie. Dat is bijvoorbeeld het geval indien deze vennootschap de dividenden zeer snel na de ontvangst ervan, eventueel onder een andere titel, volledig of nagenoeg volledig doorsluist naar of moet doorbetalen aan een of meer entiteiten die niet aan de toepassingsvoorwaarden van de moeder-dochterrichtlijn voldoet respectievelijk voldoen.13
4.4.6
Aanwijzingen voor het bestaan van een kunstmatige constructie als hiervoor in 4.4.3 bedoeld, kunnen verder worden gevonden in het ontbreken van een daadwerkelijke economische activiteit bij de vennootschap die de dividenden ontvangt. Dit kan worden vastgesteld aan de hand van alle relevante gegevens betreffende met name het beheer van die vennootschap, haar boekhoudkundige balans, haar kostenstructuur en de werkelijk gemaakte kosten, haar werknemers, alsook haar kantoren en uitrusting. Verdere aanwijzingen kunnen zijn gelegen in het bij de dividend ontvangende vennootschap ontbreken van de bevoegdheid om vanuit economisch oogpunt vrij over de ontvangen dividenden te beschikken, of in het feit dat deze vennootschap in wezen niet het recht heeft op het gebruik en genot van die dividenden, ook al rust op haar geen dergelijke contractuele of wettelijke verplichting.14
Bestanddelen van misbruik ‘vertaald’ naar artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet
4.5.1
Het hiervoor in 4.4.1 omschreven subjectieve element van misbruik van Unierecht bevat de bestanddelen van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, dat wil zeggen zowel de subjectieve voorwaarde dat het hoofddoel of een van de hoofddoelen van het houden van het aanmerkelijk belang is om belastingheffing bij een ander te ontgaan, als de objectieve voorwaarde dat sprake is van een constructie of reeks van constructies die als kunstmatig wordt beschouwd. Voor de uitleg en toepassing van die bepaling in overeenstemming met het Unierecht moet daarom aan deze beide voorwaarden tezamen op een zodanige wijze inhoud worden gegeven, dat daaraan slechts wordt voldaan indien dit subjectieve element van misbruik van recht aanwezig is.
4.5.2
Bij de hiervoor in 4.5.1 bedoelde uitleg en toepassing van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet moet in de regel worden aangenomen dat tevens is voldaan aan het andere Unierechtelijke vereiste voor misbruik, namelijk het doelvereiste. Dit vereiste houdt in dat uit het geheel van objectieve omstandigheden van het geval blijkt dat het door de desbetreffende Unierechtelijke regeling (in dit geval: de moeder-dochterrichtlijn) beoogde doel niet wordt bereikt door (ook) in het aan de orde zijnde geval het in die richtlijn voorziene belastingvoordeel toe te kennen. Op dit punt zijn doel en strekking van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet gelijk aan die van artikel 1, leden 2 en 3, van de moeder-dochterrichtlijn.15
Bewijslast ter zake van misbruik
4.6.1
Het is op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie aan de inspecteur om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die meebrengen dat de bestanddelen van misbruik van recht (in dit geval: van de moeder-dochterrichtlijn) aanwezig zijn. Tot die bestanddelen behoort het hiervoor in 4.4.1 bedoelde subjectieve element.16 Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt verder dat de belastingplichtige daartegenover de gelegenheid moet hebben om bewijs te leveren dat meebrengt dat van misbruik geen sprake is.17 Die gelegenheid moet betrekking hebben op beide aspecten van het hiervoor in 4.4.1 bedoelde subjectieve element van misbruik, dus zowel op de bedoeling om een door het Unierecht toegekend fiscaal voordeel te verkrijgen, als op het kunstmatige karakter van de structuur waarmee de voorwaarden zijn gecreëerd waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.
4.6.2
Aan de bewijslast met betrekking tot de subjectieve en de objectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet – als bestanddelen van het subjectieve element van misbruik van Unierecht – moet daarom inhoud worden gegeven doordat de inspecteur feiten en omstandigheden moet stellen, en in geval van betwisting aannemelijk moet maken, waaruit een reeks objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen voortvloeit als hiervoor in 4.4.4 bedoeld, die wijzen op misbruik van recht. De vaststelling dat zo’n reeks aanwijzingen zich voordoet, brengt, behoudens door de belastingplichtige geleverd tegenbewijs als hiervoor in 4.6.1 bedoeld, mee dat het gaat om misbruik van recht.18
4.6.3
Een aanwijzing voor misbruik van recht als hiervoor in 4.4.4 bedoeld, kan zijn dat zich geen van de situaties voordoet die in de totstandkomingsgeschiedenis van de objectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet zijn genoemd als “geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen”19. Het gaat dan om de situatie dat de buitenlandse vennootschap die het aanmerkelijk belang in de Nederlandse vennootschap rechtstreeks houdt (i) geen materiële onderneming drijft tot het vermogen waarvan het aanmerkelijk belang functioneel behoort, en (ii) niet een wezenlijke functie ten dienste van de bedrijfsuitoefening van het concern vervult, en (iii) evenmin een schakelfunctie – tussen de bedrijfsmatige activiteiten of hoofdkantooractiviteiten van de moedervennootschap en de activiteiten van haar kleindochtervennootschap(pen) – vervult én voldoende zogenoemde substance (bedrijfseconomische aanwezigheid) heeft. Dergelijke omstandigheden kunnen erop wijzen dat de desbetreffende buitenlandse vennootschap een doorstroomvennootschap is als hiervoor in 4.4.5 bedoeld. De aanwezigheid van zo’n doorstroomvennootschap kan – maar hoeft niet – een relevante, objectieve aanwijzing voor misbruik van recht (te) vormen.
4.6.4
Een aanwijzing voor misbruik van recht als hiervoor in 4.4.4 bedoeld, kan verder worden gevonden binnen het kader van de subjectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, indien de achterliggende aandeelhouder(s) van de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap (die het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap rechtstreeks houdt), meer Nederlandse inkomstenbelasting of dividendbelasting zou(den) zijn verschuldigd zonder tussenkomst van de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap, dus wanneer dividenduitkeringen door de Nederlandse vennootschap rechtstreeks aan die achterliggende aandeelhouder(s) zouden zijn gedaan (de wegdenkgedachte).20
4.6.5
Indien de hiervoor in 4.6.3 en 4.6.4 bedoelde aanwijzingen aanwezig zijn, kan op grond daarvan – behoudens tegenbewijs – worden aangenomen dat de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap die het aanmerkelijk belang in de Nederlandse vennootschap (middellijk) houdt, een doorstroomvennootschap is waarmee misbruik van recht wordt gepleegd.
4.6.6
Het hiervoor in 4.6.2 bedoelde tegenbewijs kan worden geleverd door feiten en omstandigheden te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, die erop wijzen (i) hetzij, dat voor de tussenschakeling van de buitenlandse vennootschap(pen) geldige zakelijke redenen bestaan die de economische realiteit weerspiegelen, zodat die tussenschakeling niet een kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit, (ii) hetzij, en in aanvulling in zoverre op hetgeen over het tegenbewijs is overwogen in rechtsoverweging 2.6.7 van het arrest van 10 januari 2020, dat – ondanks het ontbreken van zakelijke redenen als hiervoor bedoeld – de tussenschakeling van de buitenlandse vennootschap(pen) niet heeft plaatsgevonden met als voornaamste doel of een van haar voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel ondermijnt van de toepasselijke belastingwetgeving (in dit geval: artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, zoals uitgelegd in overeenstemming met de moeder-dochterrichtlijn).21
Onder vermelding van de volgende voetnoten:
9. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16,
ECLI:EU:C:2019:135 (https://www.inview.nl/document/id1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punt 97 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
10. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16,
ECLI:EU:C:2019:135 (https://www.inview.nl/document/id1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punt 98 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
11. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16,
ECLI:EU:C:2019:135 (https://www.inview.nl/document/id1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punt 100.
12. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16,
ECLI:EU:C:2019:135 (https://www.inview.nl/document/id1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punt 114.
13. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16,
ECLI:EU:C:2019:135 (https://www.inview.nl/document/id1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punten 101,103 en 104.
14. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16,
ECLI:EU:C:2019:135 (https://www.inview.nl/document/id1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punten 104 en 105.
15. Vgl. Richtlijn (EU) 2015/121 van de Raad van 27 januari 2015, tot wijziging van
Richtlijn 2011/96/EU (https://www.inview.nl/openCitation/id29cea53a04404bd28dfb282cebef5422)betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten,
PbEU2015, L 21/1, preambule onder 5.
16. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16,
ECLI:EU:C:2019:135 (https://www.inview.nl/document/id1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punten 117 en 118.
17. Vgl. HvJ 20 december 2017, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S, gevoegde zaken C504/16 en C613/16,
ECLI:EU:C:2017:1009 (https://www.inview.nl/document/id5fe095b4327149bab2d9eb938e4d6c6a), punt 70, en HvJ 7 september 2017, Eqiom SAS en Enka SA, C-6/16,
ECLI:EU:C:2017:641 (https://www.inview.nl/document/id8b5d8ca06eda41e89cec1aff0e4837ae), punt 36, alsmede HR 10 januari 2020,
ECLI:NL:HR:2020:21 (https://www.inview.nl/document/ida22ea6acb914495eb4c9d254a017751e), rechtsoverweging 2.6.5.
18. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16,
ECLI:EU:C:2019:135 (https://www.inview.nl/document/id1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punt 99, alsmede HR 10 januari 2020,
ECLI:NL:HR:2020:21 (https://www.inview.nl/document/ida22ea6acb914495eb4c9d254a017751e), rechtsoverweging 2.6.7.
19. Vgl.
Kamerstukken II 2015/16, 34 306, nr. 3 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34306-3.html?idp=http%3A%2F%2Fsignin.rechtspraak.nl%2Fadfs%2Fservices%2Ftrust), blz. 9, en
Kamerstukken II 2015/16, 34 306, nr. 6 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34306-6.html?idp=http%3A%2F%2Fsignin.rechtspraak.nl%2Fadfs%2Fservices%2Ftrust), blz. 7.
20. Vgl.
Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33003-10.html?idp=http%3A%2F%2Fsignin.rechtspraak.nl%2Fadfs%2Fservices%2Ftrust), blz. 93-94, en HR 10 januari 2020,
ECLI:NL:HR:2020:21 (https://www.inview.nl/document/ida22ea6acb914495eb4c9d254a017751e), rechtsoverweging 2.6.2, eerste alinea.
21. Vgl. HvJ 3 april 2025, “Nordcurrent group” UAB, C-228/24,
ECLI:EU:C:2025:239 (https://www.inview.nl/document/idf6a96399bc3c4a8e87c675f41e9f0b8f), punten 52 tot en met 54.”
4.4.
In zijn arresten van 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1162 en 1163 over Belgische houdstervennootschappen (hierna: de 18 juli-arresten) heeft de Hoge Raad aan dit toetsingskader toegevoegd [3] dat de vraag of sprake is van een concern dat als een kunstmatige constructie kan worden beschouwd als omschreven in rechtsoverweging 4.4.3 van de arresten van 25 april 2025, moet worden beantwoord aan de hand van een onderzoek dat niet is beperkt tot de feiten en omstandigheden die zich voordoen ten tijde van het opzetten van de constructie. Gelet op de context van artikel 1, leden 2 en 3, van de moeder-dochterrichtlijn kan namelijk niet worden uitgesloten dat een constructie die aanvankelijk is opgezet om zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen, vanaf een bepaald moment als kunstmatig moet worden beschouwd omdat die constructie ondanks een wijziging in de omstandigheden in stand is gehouden. Daarom kunnen bij de beoordeling of de constructie kunstmatig is, mede feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen die zich voordoen of hebben voorgedaan na de totstandkoming van de constructie.
Het toetsingskader toegepast op onderhavig geval
4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende ten tijde van de dividenduitkering een aanmerkelijk belang hield in [B.V. 1] , dat [B.V. 1] ten tijde van de dividenduitkering in Nederland was gevestigd, en dat [B.V. 1] geen vrijgestelde beleggingsinstelling was. Het geschil spitst zich daarom enkel toe op de vraag of in dit geval sprake is van misbruik van Unierecht.
4.6.
Het toetsingskader zoals uiteengezet door de Hoge Raad brengt mee dat het in eerste instantie aan de inspecteur is om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die meebrengen dat het aanmerkelijk belang wordt gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan (de subjectieve voorwaarde) en dat het aanmerkelijk belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming (de ondernemingstoets). Indien de inspecteur in die bewijslast slaagt, dient belanghebbende de gelegenheid te krijgen feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die erop wijzen (i) hetzij, dat voor de tussenschakeling van belanghebbende geldige zakelijke redenen bestaan die de economische realiteit weerspiegelen, zodat die tussenschakeling niet een kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit, (ii) hetzij, dat – ondanks het ontbreken van zakelijke redenen als hiervoor bedoeld – de tussenschakeling van belanghebbende niet heeft plaatsgevonden met als voornaamste doel of een van haar voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel ondermijnt van de moeder-dochterrichtlijn.
De subjectieve voorwaarde
4.7.
De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat in dit geval is voldaan aan de subjectieve voorwaarde. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat als belanghebbende en [SPF 1] uit de structuur worden weggedacht, Nederland 15% dividend- en/of inkomstenbelasting had kunnen heffen over de dividenduitkering.
4.8.
Belanghebbende erkent dat op basis van alleen de wegdenkgedachte in principe wordt voldaan aan de subjectieve voorwaarde. Belanghebbende stelt echter dat zij ook de mogelijkheid heeft om tegenbewijs te leveren en stelt zich op het standpunt dat op basis van het door haar geleverde tegenbewijs niet aan de subjectieve voorwaarde wordt voldaan.
4.9.
Het hof is van oordeel dat de inspecteur aan de hand van de wegdenkgedachte aan zijn initiële bewijslast heeft voldaan aannemelijk te maken dat aan de subjectieve voorwaarde is voldaan. Indien [B.V. 1] de dividenduitkering rechtstreeks had gedaan aan [naam aandeelhouder] zou de dividenduitkering zijn onderworpen aan 15% dividendbelasting en 15% inkomstenbelasting [4] , terwijl met belanghebbende in de structuur er geen Nederlandse belastingheffing is over de dividenduitkering. De stelling van belanghebbende dat zij de mogelijkheid heeft om tegenbewijs te leveren dat niet aan de subjectieve voorwaarde is voldaan, is gelet op het hiervoor beschreven toetsingskader juist. Het hof zal hetgeen belanghebbende in dit kader heeft aangevoerd behandelen onder het kopje ‘tegenbewijs’.
De ondernemingstoets
4.10.
Uit de wetsgeschiedenis [5] volgt dat de wetgever met de ondernemingstoets voor ogen heeft gestaan dat wordt nagegaan of de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt als belegging, dat wil zeggen met het oog op het verkrijgen van een rendement dat bij normaal vermogensbeheer kan worden verwacht. Als dat het geval is, is niet aan de ondernemingstoets voldaan. Daarnaast geldt niet als zelfstandig vereiste dat de belastingplichtige een onderneming drijft. [6] Van het houden van een aandelenbelang als belegging kan in elk geval niet worden gesproken (a) indien de onderneming van het lichaam waarin wordt deelgenomen in het verlengde ligt van de onderneming van de belastingplichtige, (b) indien de belastingplichtige een houdstervennootschap is die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van een groep, of (c) indien en voor zover de belastingplichtige als participatiemaatschappij belangen houdt in een of meer lichamen die niet middellijk of onmiddellijk beleggen, zonder dat sprake is van een houdsterfunctie binnen een groep. [7] Indien zich geen van deze situaties voordoet, vormt dit een aanwijzing voor misbruik van recht. [8]
4.11.
De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de ondernemingstoets wordt voldaan omdat (i) belanghebbende geen onderneming drijft, (ii) belanghebbende niet beschikt(e) over (relevante) substance), (iii) belanghebbende zich niet heeft bemoeid met het beleid en activiteiten van haar dochtervennootschappen, (iv) de ondernemingsactiviteiten van [B.V. 1] niet in het verlengde liggen van belanghebbende, (v) belanghebbende geen wezenlijke functie vervult (c.q. vervulde) ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep; en (vi) belanghebbende geen rol als (actieve) participatiemaatschappij vervult (c.q. vervulde).
4.12.
Belanghebbende drijft geen onderneming en is geen participatiemaatschappij die belangen houdt in een of meer lichamen die niet middellijk of onmiddellijk beleggen, zonder dat sprake is van een houdsterfunctie binnen een groep. Belanghebbende heeft dit, naar het oordeel van het hof terecht, niet betwist.
Is belanghebbende een tophoudster of een tussenhoudster met een wezenlijke functie?
4.13.
Wel stelt belanghebbende dat ze een houdstervennootschap is die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep omdat ze een actieve financieringsfunctie heeft binnen de groep. Zij verstrekt geldleningen aan gelieerde maatschappijen en draagt in dat kader ook de economische risico’s van haar financieringsfunctie. Zij vervult deze rol al sinds 1998 zodat van gekunsteldheid geen sprake kan zijn, aldus belanghebbende.
4.14.
Indien sprake is van een tophoudster die op grond van haar activiteiten op bestuurlijk, beleidsvormend en/of financieel terrein een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep, zal deze tophoudster de aandelen niet als belegging houden. Indien sprake is van een tussenhoudster die door een schakelfunctie een relatie tussen de bedrijfsmatige activiteiten van de moedervennootschap en de activiteiten van de kleindochtervennootschap legt, kan deze tussenhoudster worden geacht een wezenlijke functie ten dienste van de groep te vervullen. De tussenhoudster vervult ook een schakelfunctie als de moedervennootschap een tophoudster is, die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep, en de tussenhoudster een deelneming heeft in een lichaam dat een (actieve) onderneming drijft. [9]
4.15.
De inspecteur heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat belanghebbende geen tophoudster of tussenhoudster met een wezenlijke functie is het volgende aangevoerd:
( i) Belanghebbende beschikte vanaf het moment van oprichting (1998) tot aan het moment van de dividenduitkering (2014) niet over (relevante) substance. Zo stond er in het jaar van de dividenduitkering geen personeel op de loonlijst. Hetzelfde geldt voor de daaraan voorafgaande jaren, althans uit niets kan het tegendeel worden afgeleid. Voorts zijn desgevraagd geen bewijzen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat belanghebbende – op enig moment – de (vrije) beschikking(smacht) heeft gehad over een kantoorruimte. In lijn hiermee ligt dat de inspecteur geen huur- of andere huisvestingskosten is tegengekomen in de stukken. Dat belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft gehad over een kantoorruimte kan ook niet worden afgeleid uit de ‘Domiciliation Agreement’, zoals door belanghebbende werd betoogd ter zitting bij de rechtbank. Die overeenkomst regelt (slechts) het formele vestigingsadres.
( ii) Ook [SPF 1] (enig aandeelhouder in belanghebbende) beschikte in die periode niet over (relevante) substance. Het Luxemburgse SPF-regime verbiedt zelfs dat door een SPF-lichaam economische activiteiten worden uitgeoefend, hoe gering ook (in casu relevant vanaf 2011).
( iii) Belanghebbendes formele (trust)bestuur beschikte over een beperkt mandaat.
De drie formele bestuurders van belanghebbende ontvingen een marginale vergoeding. In totaal hooguit € 3.000 per jaar. Reeds hierdoor is het niet aannemelijk dat belanghebbende enige invloed heeft gehad op het rendement van [B.V. 1] , zijnde de vennootschap die het dividend uitkeerde. Zulks geldt te meer omdat belanghebbende toen ook geen personeel op de loonlijst had staan. In werkelijkheid handelde belanghebbende volgens de inspecteur daarentegen in opdracht van de UBO dan wel de directie van de dochtervennootschappen, waarbij vaststaat dat de UBO de enig bestuurder van de relevante dochtervennootschappen was. Illustratief in dat kader is de e-mail van 2 augustus 2016 (zie 2.24.). Indachtig het voorgaande is het evenmin aannemelijk dat belanghebbende (meer dan bijkomstige) invloed heeft gehad op de voorwaarden inzake de door haar verstrekte leningen aan de dochtervennootschappen. De inspecteur wijst er in dit verband op dat de leningen die belanghebbende op 1 januari 2013 heeft verstrekt aan haar dochtervennootschappen hetzelfde rentepercentage hebben (3%), terwijl aan zes verschillende binnenlandse en buitenlandse dochtervennootschappen een lening is verstrekt waarbij de hoofdsom varieert van € 500.000 tot 7,5 miljoen euro.
4.16.
Het hof is van oordeel dat de inspecteur hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende geen tophoudster is of een tussenhoudster met een wezenlijke functie binnen de groep. De enkele omstandigheid dat belanghebbende al sinds 1998 geldleningen aan gelieerde maatschappijen verstrekt en zij daarmee economisch risico loopt is in het licht van hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd, naar het oordeel van het hof onvoldoende om tot de conclusie te komen dat belanghebbende een actieve financieringsfunctie heeft binnen de groep en zij daarom als tussenhoudster een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep.
Tussenconclusie misbruik van Unierecht
4.17.
Gelet op de oordelen in 4.9 en 4.16. heeft de inspecteur aan zijn initiële bewijslast voldaan aannemelijk te maken dat aan zowel de subjectieve als objectieve voorwaarde wordt voldaan. Dit brengt mee dat moet worden aangenomen dat in dit geval in beginsel tevens is voldaan aan het doelvereiste. [10]
Tegenbewijs
4.18.
Aangezien de inspecteur in zijn initiële bewijslast is geslaagd, dient belanghebbende de gelegenheid te krijgen feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die erop wijzen (i) hetzij, dat voor de tussenschakeling van belanghebbende geldige zakelijke redenen bestaan die de economische realiteit weerspiegelen, zodat die tussenschakeling niet een kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit, (ii) hetzij, dat – ondanks het ontbreken van zakelijke redenen als hiervoor bedoeld – de tussenschakeling van belanghebbende niet heeft plaatsgevonden met als voornaamste doel of een van haar voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel ondermijnt van de moeder-dochterrichtlijn.
4.19.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende met hetgeen zij heeft aangevoerd er niet in is geslaagd dit tegenbewijs te leveren. Hierbij overweegt het hof het volgende.
4.19.1
Belanghebbende heeft aangevoerd dat aan de transacties die in 2014 hebben plaatsgevonden zakelijk overwegingen ten grondslag lagen, namelijk verbetering van de eigen vermogenspositie van [B.V. 2] in combinatie met het verkrijgen van een lening van [bank] . Belanghebbende wijst daarbij op de agiostorting in [B.V. 2] . In de gestelde verbetering van de eigen vermogenspositie van [B.V. 2] in combinatie met het verkrijgen van een lening van [bank] ziet het hof echter geen reden voor de tussenschakeling van belanghebbende. De agiostorting heeft geen direct verband met de dividenduitkering door [B.V. 1] , maar met de eerdere verkoop van drie deelnemingen door belanghebbende aan [B.V. 2] , getuige de exact corresponderende bedragen. De agiostorting biedt dus ook geen verklaring voor de tussenschakeling van belanghebbende ten opzichte van [B.V. 1] , waarvan het dividend is verkregen. Volledigheidshalve merkt het hof op dat de rechtshandelingen zoals beschreven in 2.5 tot en met 2.8 (waarbij de schuld van [B.V. 1] van € 19.000.000 als gevolg van de dividenduitkering aan belanghebbende uiteindelijk tenietgaat) evenmin aannemelijk maken dat een zakelijke reden bestond voor de tussenschakeling van belanghebbende. De vermogens- of liquiditeitspositie is immers voor geen van de betrokken partijen verbeterd als gevolg van deze rechtshandelingen en overige zakelijke redenen voor deze rechtshandelingen zijn gesteld noch gebleken.
4.19.2
Daarnaast heeft belanghebbende aangevoerd dat het remigratietraject van de UBO en zijn minderjarige kinderen en de onbelaste terugbetalingen volledig los staan van de herstructurering die in 2014 heeft plaatsgevonden. Verder heeft belanghebbende naar voren gebracht dat de structuur al 16 jaar vóór de dividenduitkering tot stand is gekomen, zonder substantiële wijzigingen in de feitelijke leiding en vestigingsplaats van zowel de uitkerende als de ontvangende vennootschap tot en met het jaar van de dividenduitkering. Belanghebbende heeft als reden voor haar vestigingsplaats aangevoerd dat Luxemburg geografisch een logische keuze was omdat het een buurland is van België, de toenmalige woonplaats van de heer [naam aandeelhouder] .
Al datgene, wat er ook zij van de juistheid ervan, zegt echter niets over de reden(en) van tussenschakeling van belanghebbende.
4.19.3
Belanghebbende heeft gesteld dat er zakelijke redenen zijn voor het opzetten van een houdsterstructuur. Hieronder vallen bijvoorbeeld het beperken van aansprakelijkheid, het beperken van de (financiële) aanspraak van schuldeisers bij een eventueel faillissement, de voordelen die het oplevert bij verkoop van de werkmaatschappijen, en het onderling ter beschikking stellen van middelen. Door het aanhouden van een houdstervennootschap kunnen dan ook gelden uit de risicosfeer van de werkmaatschappij worden gehaald en worden geherinvesteerd in andere vennootschappen. Het gaat er dus niet alleen om dat de UBO wordt afgeschermd tegen aansprakelijkheid, zoals wordt gesuggereerd door de inspecteur. De inspecteur heeft dit alles gemotiveerd betwist. Het is dan aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat dit daadwerkelijk de redenen zijn geweest om belanghebbende tussen te schakelen. Aan die bewijslast heeft belanghebbende naar het oordeel van het hof niet voldaan. Het hof acht in dit kader relevant dat (de gemachtigde van) belanghebbende ter zitting van het hof niet kon aangeven wat de reden(en) is (zijn) geweest van de herstructurering van de [A-groep] in 1998 en de ‘Luxemburg-structuur’ zoals die toen is opgezet. Ook acht het hof het in dit kader relevant dat belanghebbende zelf wordt gehouden door een houdstervennootschap. De door belanghebbende genoemde zakelijke redenen voor het opzetten van een houdsterstructuur verklaren op zichzelf bezien niet de dubbele Luxemburgse houdsterstructuur.
4.19.4
Belanghebbende heeft erop gewezen dat het dividend van € 19.000.000 uit 2014 niet is ‘door uitgedeeld’ aan de UBO en dat in België belasting zou zijn geheven als dat wel het geval was geweest. Het hof stelt vast dat belanghebbende een hypothetisch scenario schetst en ziet in deze stelling dan ook geen bewijs dat de tussenschakeling van belanghebbende niet heeft plaatsgevonden met als voornaamste doel of een van haar voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel van artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb ondermijnt. Het dividend is immers niet uitgekeerd aan de UBO . De UBO heeft in 2018 zijn aandelen in [SPF 1] geschonken aan zijn minderjarige kinderen. Daaropvolgend is hij samen met zijn minderjarige kinderen geremigreerd naar Nederland. [SPF 1] is evenals belanghebbende in 2019 omgezet naar een Nederlandse besloten vennootschap. In 2020, 2022 en 2023 hebben terugbetalingen van kapitaal plaatsgevonden. Deze terugbetalingen leverden voor de Wet IB 2001 geen belastbaar feit voor de minderjarige kinderen omdat zij, als gevolg van de schenking en immigratie, recht hebben op een step-up naar de waarde in het economisch verkeer. Voor zover belanghebbende met deze stelling heeft willen betogen dat het geen doorstroomvennootschap is, overweegt het hof dat ook zonder (snelle) dooruitdeling sprake kan zijn van een volstrekt kunstmatige constructie.
Het hof acht verder relevant dat [SPF 1] omdat zij een SPF is geen beroep kan doen op de moeder-dochterrichtlijn en ook niet gerechtigd is tot de toepassing van het belastingverdrag tussen Luxemburg en Nederland. Belanghebbende lijkt daarom veeleer te zijn tussengeschoven tussen [SPF 1] en de in de Nederland gevestigde werkmaatschappijen om op die manier toch de richtlijn- en verdragsvoordelen te kunnen inroepen. In het geval belanghebbende niet zou zijn tussengeschoven, dan was de dividenduitkering aan [SPF 1] belast geweest met 15% Nederlandse dividendbelasting.
Andere standpunten van belanghebbende
4.20.
Belanghebbende heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb in strijd is (i) met de moeder-dochterrichtlijn, (ii) de vrijheid van vestiging van artikel 49 VWEU Pro en (iii) de non-discriminatiebepaling in het belastingverdrag Nederland-Luxemburg.
4.21.
Het hof volgt belanghebbende niet in haar standpunt. De nationale antimisbruikmaatregel van artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb is richtlijnconform toegepast. Verder is de moeder-dochterrichtlijn niet van toepassing in geval van misbruik; van strijdigheid met de moeder-dochterrichtlijn is dan ook geen sprake.
Ook kunnen indien sprake is van misbruik van Unierecht de in het VWEU neergelegde vrijheden niet worden ingeroepen. [11]
Belanghebbende verwijst naar de non-discriminatiebepaling van artikel 24 in Pro het belastingverdrag tussen Nederland en Luxemburg. Volgens belanghebbende zou zij door toepassing van artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb, anders of zwaarder belast worden dan indien zij onderdaan van Nederland zou zijn. Ook deze stelling faalt. De non-discriminatiebepaling in het verdrag is gebaseerd op primair EU-recht (verbod op discriminatie naar nationaliteit). Als eenmaal is vastgesteld dat sprake is van misbruik van EU-recht kan naar het oordeel van het hof geen geslaagd beroep meer worden gedaan op een non-discriminatiebepaling in een belastingverdrag. Grondrechten zijn er niet om oneigenlijke belastingverijdeling te faciliteren. [12]
4.22.
Belanghebbende heeft verder gesteld dat de door de inspecteur voorgestane vennootschapsbelastingheffing ten aanzien van de dividenduitkering van 2,5% op grond van artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb leidt tot economische dubbele belasting die niet van toepassing was geweest in de situatie dat het een puur binnenlandse situatie had betroffen omdat belanghebbende en [SPF 1] alsdan de deelnemingsvrijstelling hadden kunnen toepassen. Volgens belanghebbende is deze economisch dubbele belasting in casu disproportioneel bezien vanuit de doelstelling van bestrijding van belastingontwijking
.
4.23.
Het hof volgt belanghebbende niet in haar stelling. De vergelijking die belanghebbende maakt gaat naar het oordeel van het hof niet op. [SPF 1] is omdat zij een SPF is in Luxemburg vrijgesteld van vennootschapsbelasting. De vergelijking die dan gemaakt dient te worden is die van een Nederlands vennootschapsbelastingplichtig lichaam dat een dividend uitkeert aan in Nederland gevestigd van vennootschapsbelasting vrijgesteld lichaam. Ter zake van dergelijke dividenduitkeringen is in de regel 15% Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Het dividend wordt in casu daarom niet zwaarder belast dan het geval was geweest in een puur binnenlandse situatie.
4.24.
Gelet op het voorgaande is de dividenduitkering belastbaar op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb. Dat betekent dat het hof toekomt aan de behandeling van het incidentele hoger beroep van belanghebbende.
2.
Is sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt?
4.25.
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de inspecteur niet beschikt over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Belanghebbende stelt dat de feiten waar de inspecteur zich op beroept reeds bekend waren dan wel bekend hadden moeten zijn als gevolg van het boekenonderzoek bij [B.V. 1] In het controlerapport zijn immers correcties voorgesteld met betrekking tot de aangifte vennootschapsbelasting van (de fiscale eenheid) [B.V. 1] , het jaar waarin de dividenduitkering van [B.V. 1] aan belanghebbende heeft plaatsgevonden. De dividenduitkering van € 19.000.000 blijkt volgens belanghebbende duidelijk uit de in het controlerapport opgenomen vermogensvergelijking van [B.V. 1] waar het is opgenomen onder het kopje ‘overname niet-aftrekbare bedragen’. Over deze dividenduitkering zijn in het kader van het boekenonderzoek geen verdere vragen gesteld. Een verdere aanwijzing dat geen sprake is van een nieuw feit is volgens belanghebbende dat de inspecteur bekend was met de structuur van de [A-groep] , waaronder de Luxemburgse aandeelhouder van belanghebbende. Ten slotte is belanghebbende van mening dat de inspecteur niet voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2014 aan belanghebbende.
4.26.
De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en geen sprake is van een ambtelijk verzuim. Het boekenonderzoek bij [B.V. 1] gaf volgens hem geen enkele aanleiding om enig onderzoek in te stellen naar de belastingpositie van belanghebbende. Van belanghebbende bestond in eerste instantie nog geen dossier omdat zij bij de inspecteur niet bekend was als (buitenland) belastingplichtige. Verder rustte op de inspecteur niet de verplichting om andere dossiers te raadplegen voor de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Ook kon de inspecteur uit andere dossiers, waaronder het boekenonderzoek bij [B.V. 1] , niet opmaken dat belanghebbende een kunstmatig tussengeschoven vennootschap was die niet werd beschermd door het Unierecht. Het vermoeden van de (buitenlandse) belastingplicht van belanghebbende is pas gerezen in de periode tussen 27 juli 2018 en 16 januari 2019. Op 27 juli 2018 stelde de inspecteur voor het eerst vragen over de dividenduitkering bij [B.V. 1] Op 29 augustus 2018 verzocht de inspecteur voor het eerst om contactgegevens van belanghebbende om de fiscale gevolgen van de dividenduitkering bij belanghebbende te kunnen onderzoeken en op 16 januari 2019 stelde de inspecteur de eerste concrete vragen over de belastingpositie van belanghebbende.
4.27.
Het hof stelt voorop dat de inspecteur bij het regelen van een aanslag in de vennootschapsbelasting van de belastingplichtige in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het (digitale) dossier dat de aangiften en andere gegevens voor de vennootschapsbelasting van die belastingplichtige bevat. Met name bestaat voor de inspecteur niet de verplichting tot het raadplegen van (digitale) dossiers die door hem of door een andere inspecteur zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook niet als de mogelijkheid bestaat dat daarin gegevens worden aangetroffen die voor het regelen van de bedoelde aanslag in de vennootschapsbelasting van belang kunnen zijn. In het algemeen is de inspecteur slechts dan verplicht tot een onderzoek buiten het (digitale) dossier van de belastingplichtige indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven. [13] De inspecteur was in dit geval dan ook niet verplicht om bij het regelen van de aanslag vennootschapsbelasting het dossier dat binnen de Belastingdienst was aangelegd met het oog op de heffing van de vennootschapsbelasting van de [B.V. 1] te raadplegen. Zoals onweersproken is gesteld door de inspecteur was in ieder geval tot juli 2018 geen dossier aangelegd van belanghebbende omdat zij op dat moment nog niet bij de inspecteur bekend was als buitenlands belastingplichtige.
4.28.
Het voorgaande neemt niet weg dat onder bijzondere omstandigheden het (digitale) dossier van de belastingplichtige (in dit geval: belanghebbende) onvolledig moet worden geacht c.q. er een dossier aangelegd had moeten worden omdat de ten aanzien van een andere belastingplichtige bevoegde inspecteur heeft nagelaten dat dossier aan te (doen) vullen c.q. maken. Dat is het geval indien een wettelijke regeling meebrengt dat (een geheel van) rechtshandelingen, verricht door tot een specifiek afgebakende, beperkte groep van verwanten behorende belastingplichtigen, rechtstreeks van invloed kunnen zijn op de belastingplicht van tot die groep behorende en bij die rechtshandelingen betrokken verwanten, zodat de inspecteur die deze rechtshandelingen ten aanzien van één van hen heeft onderzocht, gehouden is de resultaten van dat onderzoek te doen opnemen in de (digitale) dossiers van die verwanten. [14] Een dergelijk geval doet zich in deze zaak niet voor.
4.29.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat geen sprake is van een ambtelijk verzuim dat navordering verhindert. Het nieuwe feit volgt uit de informatie die de inspecteur van belanghebbende heeft verkregen nadat de inspecteur op 16 januari 2019 belanghebbende heeft medegedeeld dat hij haar belastingplicht wil onderzoeken en belanghebbende om informatie heeft verzocht.
4.30.
Belanghebbende heeft ook nog gesteld dat de inspecteur niet voortvarend genoeg heeft gehandeld met het opleggen van de navorderingsaanslag en verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2013 [15] . Het voortvarendheidsvereiste geldt echter alleen voor navorderingsaanslagen die met toepassing van artikel 16, lid 4, Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn opgelegd. Dat is in deze zaak niet het geval.
4.30.
Gelet op het voorgaande beschikt de inspecteur over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en is de inspecteur niet te laat geweest met navorderen.
3.
Is sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel?
4.31.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. De inspecteur kon de dividenduitkering afleiden uit de vermogensvergelijking bij het boekenonderzoek dat heeft plaatsgevonden bij [B.V. 1] . Doordat de inspecteur de dividenduitkering al tijdens het boekenonderzoek heeft kunnen detecteren, en daar verder geen vragen over heeft gesteld, moet dit als een impliciete standpuntbepaling worden gezien. De inspecteur heeft dit standpunt gemotiveerd betwist.
4.32.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Als regel heeft te gelden dat een belastingplichtige geen gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen aan het optreden van de inspecteur ten aanzien van een of meer andere belastingplichtigen. Dit is echter anders indien dat optreden heeft plaatsgevonden op een zodanige wijze en onder zodanige omstandigheden dat de belastingplichtige redelijkerwijze mocht menen dat dit ook bedoeld was om te gelden in zijn situatie. [16] Van een dergelijke situatie is in deze zaak geen sprake. Uit de enkele omstandigheid dat in de post ‘niet aftrekbare bedragen’ in de vermogensvergelijking van de dochtermaatschappij het dividend van € 19.000.000 is begrepen en de inspecteur van de dochtermaatschappij daar geen nader onderzoek naar heeft gedaan, volgt niet dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb niet van toepassing is en de dividenduitkering niet belastbaar is.
Tussenconclusie
4.33.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en het incidentele hoger beroep ongegrond.
Ten aanzien van de proceskosten
4.34.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • verklaart het incidentele hoger beroep ongegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
  • verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, T.A. Gladpootjes en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx C.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Richtlijn 2011/96/EU van de Raad van 30 november 2011.
2.Kamerstukken II 2015/16, 34 306, nr. 3, p. 8.
3.Zie r.o. 5.2.3. van de arresten van 18 juli 2025.
4.Het dividend zou bij [naam aandeelhouder] op grond van artikel 7.5. Wet IB 2001 als regulier AB-voordeel worden belast tegen het in 2014 geldende aanmerkelijkbelang-tarief van 25% (tot € 250.000 22%). Nederland mag de dividenduitkering op grond van het belastingverdrag met België echter maar met maximaal 15% belasten (artikel 10, lid, 2, letter b, van het Verdrag).
5.Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, p. 94, in samenhang gelezen met Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, p. 58 en 59.
6.Vergelijk HR 14 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0829.
7.HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:21, r.o. 2.5.2.
8.Vergelijk de arresten van 25 april 2025, r.o. 4.6.3.
9.Vergelijk Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, p. 59.
10.Vergelijk de arresten van 25 april 2025, r.o. 4.5.2
11.Zie r.o. 5.4.4. van de arresten van 18 juli 2025 en de onderdelen 5.16 tot en met 5.18 van de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Wattel.
12.Zie r.o. 5.4.4. van de arresten van 18 juli 2025 en onderdeel 5.18 van de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Wattel.
13.Vergelijk Hoge Raad 27 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1343, r.o. 5.2.1.
14.Hoge Raad 3 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1508, r.o. 3.2.
16.Hoge Raad 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7213, r.o. 3.4.