ECLI:NL:GHSHE:2026:138

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
23/935
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken tijdige machtiging in belastingzaak

In deze bestuursrechtelijke belastingzaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch het hoger beroep van een gemachtigde namens een belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. De gemachtigde heeft nagelaten binnen de gestelde termijnen een recente schriftelijke machtiging te overleggen die hem bevoegd zou maken om namens de belanghebbende op te treden.

Het hof heeft meerdere malen schriftelijk en mondeling verzocht om een machtiging die niet ouder is dan zes maanden, maar deze is niet tijdig ontvangen. De gemachtigde stelde dat e-mailcorrespondentie voldoende was als volmacht, maar het hof verwierp dit omdat de e-mails niet duidelijk de bevoegdheid tot hoger beroep aantonen en de eerdere machtigingen ouder waren dan zes maanden.

Ook het verzoek om verlenging van de hersteltermijn werd afgewezen. Het hof overwoog dat het ontbreken van een geldige machtiging een ontvankelijkheidsvereiste is en dat het beroep daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daarnaast wees het hof een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af en veroordeelde het de wederpartij niet in proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig overleggen van een geldige machtiging.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 23/935

Uitspraak op het door [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ) ingestelde hoger beroep

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 19 mei 2023, nummer SHE 21/2828, in het geding tussen

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant,

hierna: de heffingsambtenaar.

Overwegingen

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

1. Op 17 oktober 2025 heeft [gemachtigde] raadsheer Wessels gewraakt. Daarom is de geplande mondelinge behandeling ter zitting op 17 oktober 2025 niet doorgegaan. Met zijn uitspraak van 24 oktober 2025 heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking van raadsheer Wessels afgewezen. [1]
2. Nadien heeft [gemachtigde] nadere stukken ingediend welke aan de wederpartij zijn doorgezonden.
3. De zitting heeft op digitale wijze – via MS Teams – plaatsgevonden op 24 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] namens [kantoor] B.V. De heffingsambtenaar heeft laten weten dat hij niet al verschijnen. Het hof heeft partijen voorafgaand aan de zitting schriftelijk geïnformeerd dat de behandeling van de zaak op deze zitting beperkt blijft tot de vraag of er (tijdig) een toereikende machtiging is overgelegd.
4. Het hoger beroep is op 30 juni 2023 namens [kantoor] B.V. ingediend door [gemachtigde] . Blijkens het dossier heeft [gemachtigde] niet namens zichzelf hoger beroep ingesteld.
5. In het dossier dat het hof van de rechtbank heeft ontvangen, bevinden zich:
  • een schriftelijke machtiging met datum “Februari/maart/april 2021”, ondertekend door [naam 1] ; en
  • een schriftelijke machtiging met datum “Februari/maart/april 2021”, ondertekend door [naam 2] en [naam 3] .
6. Het hof heeft [gemachtigde] op 12 juli 2023 een brief gestuurd:
“U heeft hoger beroep ingesteld. Dit beroep voldoet niet aan de hierna opgenomen vereisten. U heeft verzuimd:
-
de gronden van het hoger beroep te vermelden; u dient te vermelden waarom u het niet eens bent met de uitspraak van de rechtbank;
-
een op uw naam gestelde volmacht in te dienen. Deze volmacht mag niet ouder zijn dan een half jaar.
Ik geef u de mogelijkheid het verzuim uiterlijk 9 augustus 2023 te herstellen.
Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. Er volgt dan een uitspraak, waartegen u bij het gerechtshof in verzet kunt komen.”
7. [gemachtigde] heeft op de brief van 12 juli 2023 gereageerd met een brief van 2 augustus 2023 (en ontvangen door het hof op 4 augustus 2023), waarin hij het hof verzocht heeft om de hersteltermijn te verlengen tot en met 31 augustus 2023. Het hof heeft [gemachtigde] op 7 augustus 2023 schriftelijk bericht dat het verlengingsverzoek is afgewezen maar dat de termijn voor aanlevering van de gevraagde machtiging is verlengd tot en met 11 augustus 2023. In dat bericht staat wederom vermeld dat het hoger beroep anders niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
8. Omdat het hof op 11 augustus 2023 de gevraagde machtiging niet heeft ontvangen, heeft het hof [gemachtigde] op 14 augustus 2023 een herinnering gestuurd:
“Het gerechtshof stelt u alsnog in de gelegenheid het hoger beroep aan te vullen met de ontbrekende stukken en/of de vereiste gegevens. De termijn daarvoor eindigt op 28 augustus 2023.
Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. Er volgt dan een uitspraak, waartegen u bij het gerechtshof in verzet kunt komen.”
9. Omdat het hof op 28 augustus 2023 de gevraagde machtiging nog steeds niet heeft ontvangen, heeft het hof [gemachtigde] op 14 maart 2024 opnieuw een herinnering gestuurd:
“U heeft hoger beroep ingesteld. Dit beroep voldoet niet aan de hierna opgenomen vereisten. U heeft verzuimd:
-
een op uw naam gestelde machtiging in te dienen. Als hoger beroep is ingesteld door een belanghebbende B.V., C.V., N.V., V.O.F., stichting of vereniging dan tevens ter zake een uittreksel van inschrijving bij de Kvk toevoegen, waaruit blijkt dat namens belanghebbende correct hoger beroep is ingesteld. De machtiging en het uittreksel Kvk mogen niet ouder zijn dan 6 maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift;
Ik geef u de mogelijkheid het verzuim uiterlijk 11 april 2024 te herstellen. Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. Er volgt dan een uitspraak, waartegen u bij het gerechtshof in verzet kunt komen.”
10. [gemachtigde] heeft op de brief van het hof van 14 maart 2024 gereageerd met een brief van 1 april 2024 (en ontvangen door het hof op 8 april 2024). Hierin heeft hij het hof verzocht om de hersteltermijn te verlengen tot en met 31 mei 2024. Het hof heeft het verlengingsverzoek van [gemachtigde] op 10 april 2024 afgewezen.
11. Het hof overweegt dat de rechter op grond van artikel 8:24, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in verbinding met artikel 8:108 Awb Pro een schriftelijke machtiging kan verlangen van een gemachtigde die geen advocaat is, om na te gaan of degene die zich als gemachtigde namens een belanghebbende aandient daartoe werkelijk bevoegd is.
12. Het hof heeft [gemachtigde] verzocht een op zijn naam gestelde machtiging van maximaal een half jaar oud over te leggen. Het hof is hiertoe overgegaan omdat in diverse andere zaken waarin [gemachtigde] als (gesteld) gemachtigde optrad twijfels zijn gerezen over de bevoegdheid van [gemachtigde] om namens de desbetreffende belanghebbende (hoger) beroep in te stellen. Aanleiding voor deze twijfels zijn de volgende ambtshalve bekende feiten en omstandigheden: (i) [gemachtigde] heeft in drie recente procedures bij dit hof [2] , terwijl sprake was van verschillende belanghebbenden, een identieke schriftelijke machtiging overgelegd, die niet is voorzien van een naam van de volmachtgever en die een handtekening bevat welke niet te herleiden is naar een naam, (ii) de rechtbank Noord-Nederland heeft een dergelijke handelswijze van [gemachtigde] ook al geconstateerd [3] , (iii) uit uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant volgt concreet dat [gemachtigde] beroep instelt zonder dat hij daartoe bevoegd is of belanghebbende daarvan op de hoogte is [4] en (iv) het hof ambtshalve bekend is met twee hogerberoepszaken waarin de betreffende belanghebbende met een brief van 21 juni 2023 heeft laten weten dat [gemachtigde] namens hem in beide zaken onbevoegd zowel beroep als hoger beroep heeft ingesteld.
13. Ter zitting heeft [gemachtigde] gesteld dat uit de mailwisseling met [naam 1] is af te leiden dat hij van belanghebbende opdracht heeft gekregen om in bezwaar en beroep als gemachtigde op te treden. Volgens [gemachtigde] zegt een volmacht niet zoveel, omdat hij er immers nooit bij is wanneer deze wordt ondertekend. De mails zeggen dan ook meer dan een volmacht, aldus [gemachtigde] . Uit de e-mail van 27 maart 2021 volgt naar het oordeel van het hof niet dat [gemachtigde] namens belanghebbende hoger beroep kan instellen. In de e-mail van 27 maart 2021 staat alleen opgemerkt:
“Graag maken wij gebruik van het aanbod via KHN om kosteloos bezwaar aan te tekenen tegen de WOZ.” Afgezien van het gegeven dat de volmacht enkel strekt tot het vertegenwoordigen van belanghebbende in de bezwaarfase, is deze ouder zijn dan 6 maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift. Ook volgt het hof [gemachtigde] niet in zijn ter zitting ingenomen stelling dat uit de betaling van het griffierecht ondubbelzinnig volgt dat hij van belanghebbende opdracht heeft gekregen om in hoger beroep als gemachtigde op te treden. [gemachtigde] heeft deze stelling niet nader uitgewerkt en ook niet onderbouwd. In zoverre heeft belanghebbende niet voldaan aan zijn stelplicht. Tot slot, de stelling van [gemachtigde] dat er sprake is van rechtsongelijkheid, nu dit hof andere eisen aan de machtiging stelt dan andere hoven in Nederland, kan hem noch belanghebbende baten. Daargelaten dat [gemachtigde] deze stelling niet heeft onderbouwd kan het hof op grond van artikel 8:24, lid 2, Awb in verbinding met artikel 8:108 Awb Pro, mede gelet op het vorenstaande, een recente machtiging verlangen van [gemachtigde] .
14. Aangezien [gemachtigde] in onderhavige procedure niet binnen de door het hof daarvoor gestelde termijn een schriftelijke machtiging heeft overgelegd die maximaal een half jaar oud is, en van een verschoonbare reden niet is gebleken, zal het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren. [5] [gemachtigde] heeft binnen deze termijn slechts verwezen naar het dossier. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat het beroep in eerste aanleg eveneens niet-ontvankelijk is verklaard vanwege het ontbreken van een machtiging. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat het [gemachtigde] duidelijk moet zijn geweest dat een dergelijke machtiging hoe dan ook een vereiste is die de rechtbank en hof stellen aan de ontvankelijkheid van een (hoger) beroep.

Tussenconclusie

15. De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Aan een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep wordt niet toegekomen.

Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding

16. [gemachtigde] heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil. Het hof ziet daarvoor geen aanleiding. Indien degene die niet gerechtigd is een rechtsmiddel aan te wenden toch dat rechtsmiddel aanwendt, bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij diegene heeft veroorzaakt. In zo’n geval behoeft de rechter, vanwege het ontbreken van zodanige spanning en frustratie, niet vast te stellen of de redelijke termijn is overschreden. [6]

Ten aanzien van het griffierecht

17. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

18. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5. Beslissing

Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026 een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De uitspraak is alleen door de raadsheer ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.
De griffier, De raadsheer,
J.H.M. van Ooijen J. Wessels

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

2.De uitspraken van het gerechtshof Den Bosch van 12 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:655, ECLI:NL:GHSHE:2025:659 en ECLI:NL:GHSHE:2025:657.
3.Zie de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4572.
4.Zie de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:5250, en van 13 juli 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:3439.
5.Zie Hoge Raad 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2 en vergelijk Hoge Raad 28 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1558.
6.Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1660, r.o. 2.3.