ECLI:NL:GHSHE:2026:1458

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
24/1147 t/m 24/1154
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27e AWRArt. 3.14 lid 1 onderdeel d Wet IB 2001Art. 27h lid 2 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen navorderingsaanslagen en boetes inkomstenbelasting en Zvw wegens niet aangegeven contante gelden

Belanghebbende werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over de jaren 2014 tot en met 2017, naar aanleiding van de vondst van aanzienlijke contante gelden bij een doorzoeking in 2017. De inspecteur stelde dat deze gelden niet waren aangegeven en vormden belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, waarop vergrijpboetes werden opgelegd.

De rechtbank had deels het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, met name voor de boetes over 2014 en 2016. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen de overige beslissingen. Het hof oordeelde dat de omkering en verzwaring van de bewijslast terecht was toegepast voor 2015 en 2016, maar niet voor 2014 en 2017. Voor 2015 en 2016 stelde het hof het resultaat uit overige werkzaamheden vast op €51.457 per jaar, gebaseerd op een redelijke schatting van de contante gelden verdeeld over 42 maanden.

Belanghebbende kon niet overtuigend aantonen dat de aanslagen te hoog waren, noch dat een voorziening kon worden gevormd voor de in beslag genomen gelden. Het hof vernietigde de navorderingsaanslagen en boetes over 2014, verminderde de aanslagen en boetes over 2015 en 2016, en stelde het belastbaar inkomen over 2017 vast op het door belanghebbende opgegeven bedrag. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten wegens het gegrond verklaren van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de navorderingsaanslagen en boetes over 2014, vermindert de aanslagen en boetes over 2015 en 2016, en wijzigt de aanslagen over 2017.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1147 t/m 24/1154
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 1 juli 2024, nummers BRE 23/1090 t/m 1093, 23/1095, 23/1097, 23/1098 en 23/1100, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), alsmede in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) voor de jaren 2014, 2015, 2016 en 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht en zijn bij beschikkingen vergrijpboetes opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2016 en 2017 gegrond verklaard en de overige bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de boete IB/PVV 2014 en de boete IB/PVV 2016 gegrond verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Op 10 februari 2026 heeft belanghebbende het hof verzocht om uitstel van de zitting. Het hof heeft het verzoek op de hierna onder 4.1 tot en met 4.2 vermelde gronden afgewezen.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende, geboren op [datum] 1947, is alleenstaand. Belanghebbende was gehuwd met mevrouw [naam] . Mevrouw [naam] is op 24 augustus 2004 overleden. Uit het huwelijk zijn vijf kinderen geboren.
2.2.
Belanghebbende exploiteert gedurende meer dan 40 jaar een autosloperij.
2.3.
Op 11 juli 2017 is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek de woning en het terrein rondom de woning van belanghebbende doorzocht. Daarbij is een bedrag van € 235.715,69 aan contant geld gevonden en sieraden ter waarde van € 29.175. Bij vonnis van 22 juli 2020 van de rechtbank is belanghebbende vrijgesproken van witwassen. [1] Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.
2.4.
Belanghebbende heeft voor de jaren 2014 tot en met 2017 aangiften IB/PVV ingediend. Naar aanleiding van de aangetroffen contante gelden heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat deze gelden inkomen vormen en daarom moeten worden aangemerkt als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Hij heeft het totaalbedrag van € 235.715 over vier belastingjaren verdeeld en voor alle vier de jaren het inkomen uit werk en woning verhoogd. Voor de jaren 2016 en 2017 is eveneens het inkomen uit sparen en beleggen gecorrigeerd.
2.5.
De navorderingsaanslag IB/PVV 2014 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.524. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 12.411 en is belastingrente van € 6.206 in rekening gebracht. De navorderingsaanslag Zvw 2014 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 75.461. Daarbij is € 315 belastingrente in rekening gebracht.
De aanslag IB/PVV 2015 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 108.004. Daarbij is € 405 belastingrente in rekening gebracht. De aanslag Zvw 2015 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 98.048. Daarbij is € 2 belastingrente in rekening gebracht.
De aanslag IB/PVV 2016 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 98.969 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.576. Gelijktijdig met de aanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 14.349 en is belastingrente in rekening gebracht van € 4.600. De aanslag Zvw 2016 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 87.213. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 34.
De aanslag IB/PVV 2017 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.883 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.570. Gelijktijdig met de aanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 8.709 en is belastingrente in rekening gebracht van € 1.484. De aanslag Zvw 2017 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 45.509. Daarbij is € 124 belastingrente in rekening gebracht.
2.6.
De bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2016 en 2017 zijn gegrond verklaard. Voor 2016 is het inkomen uit werk en woning in stand gelaten en is het inkomen uit sparen en beleggen verminderd. De vergrijpboete is in stand gelaten. Voor het jaar 2017 zijn zowel het inkomen uit werk en woning als het inkomen uit sparen en beleggen verminderd, en is de vergrijpboete in zijn geheel vernietigd. De overige bezwaren zijn ongegrond verklaard.
2.7.
Een en ander laat zich - voor wat betreft de (navorderings)aanslagen IB/PVV - als volgt samenvatten.
2014
2015
2016
2017
Aangegeven belastbaar inkomen box 1
€ 22.177
€ 40.657
€ 31.622
€ 25.209
Correctie ROW (totaal € 235.715)
€ 67.347 [2]
€ 67.347
€ 67.347
€ 33.674
Vastgesteld belastbaar inkomen box 1
€ 89.524
€ 108.004
€ 98.969
€ 58.883
Aangegeven vermogen box 3
€ 241.889
Correctie grondslag box 3
€ 164.402
€ 233.455
Vastgestelde grondslag box 3
€ 164.402
€ 475.344
Vergrijpboete
€ 12.411
geen
€ 14.349
€ 8.709
Uitspraak op bezwaar
ongegrond
ongegrond
gegrond
gegrond
Belastbaar inkomen box 1
ongewijzigd
€ 50.939
Vastgestelde grondslag box 3
€ 113.614
€ 201.451
Vergrijpboete
ongewijzigd
vernietigd
2.8.
De rechtbank heeft de boetebeschikking bij de aanslag IB/PVV 2014 verminderd naar een bedrag van € 5.000 en de boetebeschikking bij de aanslag IB/PVV 2016 verminderd naar een bedrag van € 6.000. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank de boetes verder met 20% verminderd naar respectievelijk € 4.000 en € 4.800. Verder heeft de rechtbank de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot het bedrag van € 1.750 en bepaald dat de inspecteur het griffierecht van, in totaal, € 100 aan belanghebbende moet vergoeden.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
Heeft de inspecteur de (navorderings)aanslagen terecht vastgesteld onder toepassing van artikel 27e Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)?
Zo ja, is er sprake van een redelijke schatting door de inspecteur?
Zo ja, kan belanghebbende een voorziening vormen ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden ter zake van de door justitie in beslag genomen contanten?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, en tot gegrondverklaring van zijn bezwaar voor wat betreft de correctie resultaat uit overige werkzaamheden en de daarbij behorende boetes. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
3.3.
De correcties met betrekking tot de grondslag in box 3, en de daarbij behorende belastingrente en boete, zijn niet langer in geschil.
4. Gronden
Vooraf
4.1.
Belanghebbende heeft verzocht om uitstel van de zitting van 19 februari 2026 (zie 1.5). Als reden voor het verzoek om uitstel vermeldt belanghebbende dat de verdere behandeling van het hoger beroep in de strafzaak van belanghebbende (zie 2.3) is uitgesteld tot het tweede kwartaal van 2026.
4.2.
Het hof heeft in hetgeen belanghebbende aanvoert geen reden gevonden de zitting uit te stellen omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat om gewichtige redenen om uitstel is verzocht. Belanghebbende heeft in zijn verzoek weliswaar aangegeven om uitstel te verzoeken “in verband met de eenheid van het vaststellen van de feiten”, maar heeft in zijn hogerberoepschrift verklaard dat “ten aanzien van de feiten geen verschil van mening [bestaat] zoals deze door de rechtbank Breda zijn vastgesteld”. Ook heeft belanghebbende hierin geschreven dat de omvang van de bedragen niet in geschil is. De belastingrechter is voorts niet gebonden aan de feitenvaststelling door een strafrechter in een tegen belanghebbende gevoerde strafzaak ter zake van hetzelfde feitencomplex, noch aan enig oordeel van de strafrechter in die strafzaak. De belastingrechter dient zelfstandig een oordeel over het fiscale geschil te vormen. Belanghebbende heeft bij zijn verzoek om uitstel ook niet voldaan aan het verzoek om aan te geven op welke data hij wel beschikbaar is voor een zitting. Integendeel, belanghebbende heeft juist verzocht om uitstel voor onbepaalde tijd. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden het algemene belang van een doelmatige rechtsgang zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende om uitstel te krijgen tot na zijn strafzitting.
Ten aanzien van het geschil
Omkering en verzwaring van de bewijslast
4.3.
Belanghebbende voert voor elk van de jaren aan dat de omkering van de bewijslast te lichtvaardig en willekeurig is toegepast. Er zijn geen structurele negatieve kassen. Belanghebbende stelt dat van het aangetroffen contant geld ter grootte van € 235.715 het bedrag van € 180.101 hem toebehoort. Het restant was van familieleden. Ook stelt belanghebbende dat de aangetroffen contante gelden over een langere periode door hem gespaard zijn en dat deze gelden al in zijn aangiften inkomstenbelasting over eerdere jaren zijn verantwoord.
4.4.
Artikel 27e, lid 1, AWR bepaalt dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan, het beroep van de belastingplichtige ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Het wetsartikel is van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. [3] Bij de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast krijgt belanghebbende in plaats van de inspecteur de bewijslast met betrekking tot de hoogte van de aanslag (omkering) en wordt bovendien de bewijslast verzwaard omdat belanghebbende moet doen blijken – dat is overtuigend aantonen – dat, en in hoeverre, de aanslag te hoog is. De vereiste aangifte is, onder andere, niet gedaan indien één of meer gebreken in de aangifte ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting, zowel in absoluut als in relatief opzicht. Bij deze beoordeling moeten de normale regels van stelplicht en bewijslast worden toegepast. [4] Een afwijking van 19% dient in ieder geval als ‘verhoudingsgewijs aanzienlijk’ te worden beschouwd. [5] De inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen in het geval dat de belastingplichtige ten tijde van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De bewijslast dat de vereiste aangifte niet is gedaan, rust op de inspecteur. [6] Het hof zal dus allereerst beoordelen of belanghebbende, gelet op dit beoordelingskader, voor de jaren 2014 tot en met 2017 niet de vereiste aangiften heeft gedaan.
4.5.
Het hof stelt vast dat belanghebbende geen afzonderlijke gronden heeft aangevoerd tegen de (navorderings)aanslagen Zvw. Ter zitting hebben partijen ermee ingestemd de (navorderings)aanslagen Zvw te beoordelen in lijn met de (navorderings)aanslagen IB/PVV.
Navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2014
4.6.
Vaststaat dat het bedrag van € 235.715,69 op 11 juli 2017 is aangetroffen op het terrein van belanghebbende rondom de woning. Belanghebbende heeft op verschillende momenten, waaronder ter zitting bij het hof, verklaard dat daarvan een bedrag van € 180.101 hem toebehoort. Belanghebbende stelt dat deze gelden zijn gespaard vanuit maandelijkse kasopnames, bedoeld om huishoudelijke uitgaven van te bekostigen. Na het overlijden van zijn echtgenote in 2004, is belanghebbende minder gaan uitgeven aan zijn huishoudelijke kosten zodat er een groter bedrag kon worden gespaard. Het dossier bevat uiteenlopende verklaringen van belanghebbende omtrent de periode waarin belanghebbende heeft gesteld te kunnen sparen, alsook het bedrag dat belanghebbende maandelijks overhield na bekostiging van de huishoudkosten.
4.7.
De inspecteur stelt dat belanghebbende in 2014 geen aangifte heeft gedaan binnen het inkomen uit sparen en beleggen van de contante gelden die bij de doorzoeking bij belanghebbende zijn aangetroffen. Hiermee heeft belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan. De met de niet aangegeven contante gelden verschuldigde belasting is zowel absoluut als relatief aanzienlijk. Op basis hiervan moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard.
4.8.
De inspecteur voert aan dat belanghebbende, gelet op zijn verklaringen omtrent de periode waarin belanghebbende heeft gesteld te kunnen sparen, alsook het bedrag dat belanghebbende maandelijks overhield na bekostiging van de huishoudkosten, op 1 januari 2014 over het bedrag van € 142.251 aan contant gelden beschikte. De inspecteur is bij deze berekening uitgegaan van een gespaard bedrag van € 9.400 per jaar voor de jaren 2014 en 2016 (kasopnames van € 1.000 per maand, verminderd met uitgaven van € 50 per week). Voor 2015 gaat de inspecteur - conform de verklaring van belanghebbende - uit van een kasopname van € 16.000, zodat het gespaarde bedrag voor dit jaar op € 13.400 is berekend. Voor de eerste helft van 2017 berekent de inspecteur het gespaarde bedrag op € 5.650 (de helft van het gespaarde bedrag over 2014 en 2016). Uitgaande van contante gelden op 11 juli 2017 ter grootte van € 180.101 bedraagt het vermogen aan contante gelden op 1 januari 2014 € 142.251, zijnde € 180.101, verminderd met 2 x € 9.400, met € 13.400 en met € 5.650. De inspecteur heeft de verschuldigde inkomstenbelasting in box 3 hierover berekend op het bedrag van € 893.
4.9.
Het hof acht de inspecteur geslaagd in het bewijs om aannemelijk te maken dat belanghebbende in 2014, in ieder geval, het bedrag aan contanten van € 142.251 ten onrechte niet als box 3 bezitting in zijn aangifte heeft verwerkt en dat dit heeft geleid tot het niet heffen van IB/PVV voor een bedrag van € 893. Het hof volgt de inspecteur in zijn berekening, nu deze gebaseerd is op verklaringen zoals door belanghebbende - ook ter zitting bij het hof - zijn afgelegd. Naar het oordeel van het hof kan evenwel niet worden gezegd dat het bedrag van € 893 op zichzelf beschouwd een aanzienlijk bedrag is, zodat omkering en verzwaring van de bewijslast op basis hiervan niet aan de orde is.
4.10.
De inspecteur heeft subsidiair gesteld dat omkering en verzwaring van de bewijslast kan worden gebaseerd op het niet door belanghebbende aangegeven resultaat uit overige werkzaamheden. De inspecteur voert aan dat belanghebbende in 2014 een onbekende bron van inkomen moet hebben gehad waaruit hij € 67.347 moet hebben verdiend. Dit bedrag heeft belanghebbende niet in zijn aangifte opgenomen.
4.11.
Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur, met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 2014 resultaat uit overige werkzaamheden heeft behaald. De inspecteur heeft een vermogensvergelijking voor de periode 2011 tot en met 2018 in het geding ingebracht, waaruit volgens de inspecteur een negatief netto privé blijkt. Ter zitting heeft de inspecteur desgevraagd verklaard dat de vermogensvergelijking op onderdelen onjuist is. Ook kon de inspecteur desgevraagd geen toelichting verstrekken op inhoudelijke vragen van het hof over de vermogensvergelijking. Het hof zal daarom geen (voldoende) doorslaggevende betekenis toekennen aan de vermogensvergelijking. De inspecteur heeft overigens ook geen feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat belanghebbende in 2014 een onbekende bron van inkomen heeft gehad.
4.12.
Nu de bewijslast voor 2014 niet zal worden omgekeerd en verzwaard, en de inspecteur de correctie voor wat betreft het resultaat uit overige werkzaamheden, niet aannemelijk heeft gemaakt, zal het hof het hoger beroep tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2014 gegrond verklaren en de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2014 vernietigen.
Aanslagen IB/PVV en Zvw 2015
4.13.
De inspecteur stelt dat belanghebbende in 2015 geen aangifte heeft gedaan binnen het inkomen uit sparen en beleggen van de contante gelden die bij de doorzoeking bij belanghebbende zijn aangetroffen. Hiermee heeft belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan. De voor de niet aangegeven contante gelden verschuldigde belasting is zowel absoluut als relatief aanzienlijk. Op basis hiervan moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard.
4.14.
De inspecteur voert aan dat belanghebbende, gelet op zijn verklaringen omtrent de periode waarin belanghebbende heeft gesteld te kunnen sparen, alsook het bedrag dat belanghebbende maandelijks overhield na bekostiging van de huishoudkosten, op 1 januari 2015 over het bedrag van € 151.651 aan contante gelden beschikte. De inspecteur heeft de verschuldigde inkomstenbelasting in box 3 voor het jaar 2015 hierbij berekend op het bedrag van € 1.512 (zie 4.8).
4.15.
Het hof acht de inspecteur geslaagd in het bewijs om aannemelijk te maken dat belanghebbende in 2015, in ieder geval, van de contante gelden een bedrag van € 126.041 niet in zijn aangifte heeft verwerkt. Het hof volgt de inspecteur in zijn berekening, nu deze gebaseerd is op verklaringen zoals door belanghebbende - bevestigd ter zitting bij het hof - zijn afgelegd. Naar het oordeel van het hof kan eveneens worden vastgesteld dat het bedrag van € 1.512 op zichzelf beschouwd een aanzienlijk bedrag is. Van in relatieve zin aanzienlijk zal naar het oordeel van het hof in beginsel eerst sprake zijn bij een percentage van 10% of meer. [7] De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat indien de aangifte IB/PVV 2015 was gevolgd, de verschuldigde belasting voor aftrek van heffingskortingen moet worden berekend op het bedrag van € 9.971. Uitgedrukt in een percentage bedraagt de belasting ter zake van de veronderstelde gebreken in de aangifte ten opzichte van de veronderstelde werkelijk verschuldigde belasting 13,2% (€ 1.512/€ 11.483). Het is een feit van algemene bekendheid dat inkomsten uit sparen en beleggen in de heffing van de inkomstenbelasting worden betrokken en daarom moeten worden aangegeven in de aangifte. Doordat belanghebbende dit voor wat betreft zijn (contante) spaargeld niet heeft gedaan moest belanghebbende zich ervan bewust zijn dat daardoor verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd aanzienlijke bedragen aan inkomstenbelasting niet zouden worden geheven. Het feit dat het hier contante gelden betreft, maakt dit oordeel niet anders.
4.16.
Uit bovenstaande volgt dat de bewijslast voor het jaar 2015 moet worden omgekeerd en verzwaard. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de berekening van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2015 redelijk en dus niet willekeurig behoort te zijn. Voor de beoordeling of aan deze maatstaf wordt voldaan, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van deze aanslagen en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat belanghebbende in staat is opening van zaken te geven. Daarvan uitgaande zal de inspecteur op basis van de feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten moeten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn berekening of schatting van het bedrag van de aanslagen redelijk en dus niet willekeurig is. Waar het op aankomt is dat de inspecteur de hoogte van zijn schatting zodanig moet onderbouwen met feitelijke stellingen, dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan.
4.17.
De inspecteur heeft aangevoerd dat de aangetroffen gelden niet zijn terug te voeren naar één enkele transactie en dat gelet op de hoogte van het bedrag ook niet aannemelijk is dat dit bedrag in één keer is verdiend. De inspecteur heeft daarom aangenomen dat de contanten die op 11 juli 2017 in de woning van belanghebbende zijn aangetroffen gespreid zijn verdiend over 42 maanden (2014, 2015, 2016 en zes maanden in 2017). De inspecteur is daarbij uit gegaan van het bedrag van € 235.715, dat wil zeggen: zonder rekening te houden met de stelling van belanghebbende dat een deel van de gelden niet aan hem toebehoorde.
4.18.
Het hof volgt de inspecteur niet in zijn berekening waar hij uitgaat van het bedrag van € 235.715. In het vonnis van de rechtbank van 22 juli 2020 inzake de strafzaak tegen belanghebbende is vastgesteld dat “van de twee in de jukebox in de woning van verdachte [hof: belanghebbende] gevonden bedragen en de € 41.848,70 in een motorblok in een loods op zijn terrein verdachte niet als eigenaar wordt aangemerkt”. De belastingrechter is echter niet gebonden aan de feitenvaststelling door een strafrechter in een tegen belanghebbende gevoerde strafzaak ter zake van hetzelfde feitencomplex, noch aan enig oordeel van de strafrechter in die strafzaak. De belastingrechter dient zelfstandig een oordeel over het fiscale geschil te vormen. Wel dient de belastingrechter de Melo Tadeu-jurisprudentie in acht te nemen. [8] Die jurisprudentie houdt kortgezegd in dat de belastingrechter - in het geval er een verband is met een strafzaak - met zijn oordeel en zijn optreden, de motivering van zijn beslissing of de door hem gebruikte bewoordingen geen twijfel doet ontstaan over de juistheid van de vrijspraak van hetgeen de verdachte in zijn strafzaak werd verweten. Verder geldt dat indien de hoogte van de schatting wordt betwist, aan de belastingrechter de bevoegdheid toekomt de schatting op redelijkheid te toetsen en zo nodig door een eigen in goede justitie opgemaakte schatting te vervangen. [9] Het hof zal daarom uitgaan van het bedrag van € 180.101 (zie 4.3) en dit bedrag, gelijk de systematiek van de inspecteur, toerekenen over 42 maanden. Dat betekent dat het hof zal beslissen dat belanghebbende in 2015 een resultaat uit overige werkzaamheden heeft behaald voor het bedrag van € 51.457 (te weten: € 180.101 gedeeld door 42 maanden en vermenigvuldigd met 12 maanden). Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur voor het overige voldoende aanknopingspunten verschaft waaruit is af te leiden dat zijn berekeningen van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2015 redelijk en dus niet willekeurig zijn.
4.19.
Op belanghebbende rust vervolgens de last te doen blijken - dat willen zeggen overtuigend aantonen - dat dit bedrag aan geschat inkomen onjuist is. Belanghebbende heeft daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat:
  • de aangetroffen gelden over een langere periode door belanghebbende zijn gespaard vanuit kasopnames, bestemd voor huishoudelijke uitgaven; en
  • de aangetroffen gelden reeds in de aangiften IB/PVV over eerdere belastingjaren waren opgenomen.
4.20.
Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende met al hetgeen hij heeft gesteld, niet overtuigend aangetoond dat de aanslagen IB/PVV en Zvw 2015, na vermindering door het hof (zie 4.18), te hoog zijn. Belanghebbende heeft wisselende verklaringen afgelegd met betrekking tot de vraag op welke wijze de aangetroffen gelden zijn verkregen. Ook ter zitting heeft belanghebbende hierover geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Zelfs in het geval het hof uitgaat van de voor belanghebbende meest gunstige verklaring, tellen de alsdan maandelijks gespaarde bedragen niet op tot € 180.101. Ook heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden aannemelijk kunnen maken waaruit de conclusie kan worden getrokken dat een deel van de aangetroffen gelden aan anderen dan belanghebbende toebehoorden, dan wel dat de aangetroffen gelden reeds eerder in de aangifte IB/PVV zijn opgenomen.
4.21.
Voor het geval de correctie met betrekking tot het resultaat uit overige werkzaamheden door het hof in stand wordt gelaten, heeft belanghebbende in hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat voor het door justitie in beslag genomen bedrag aan contanten ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden een voorziening kan worden gevormd. De inspecteur voert aan dat het vermogensverlies definitief wordt in het jaar waarin de verbeurdverklaring onherroepelijk is. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat op de balansdatum sprake is van een redelijke mate van zekerheid dat de strafrechter op vordering van het Openbaar Ministerie zou beslissen tot verbeurdverklaring van het in beslag genomen vermogensbestanddeel dan wel een ontneming en dat deze beslissing in rechte zou standhouden. Bovendien staat artikel 3.14, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001 aftrek van dergelijke kosten niet toe, aldus de inspecteur.
4.22.
Het hof stelt vast dat de aangetroffen gelden eerst in juli 2017 in beslag zijn genomen. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat er reeds in 2015 een redelijke mate van zekerheid bestond dat de gelden in beslag zouden worden genomen. Integendeel, in 2015 beschikte belanghebbende nog over de gelden en er is van geen indicatie gebleken dat die gelden in beslag zouden worden genomen. De stelling van belanghebbende faalt daarom.
4.23.
Uit bovenstaande volgt dat het hof het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2015 nader zal vaststellen op het bedrag van € 51.457. Het belastbaar inkomen uit werk en woning zal door het hof daarom worden vastgesteld op het bedrag van € 92.114, zijnde het hiervoor genoemde bedrag van € 51.457 en het reeds door belanghebbende in de aangifte vermelde bedrag van € 40.657. Het voorgaande heeft geen gevolgen voor de aanslag Zvw 2015, nu het hof het bijdrage-inkomen van belanghebbende voor dit jaar op het bedrag van € 82.158 berekent [10] en de inspecteur reeds een aanslag had opgelegd naar het maximum bijdrage-inkomen van € 51.976.
Aanslagen IB/PVV en Zvw 2016
4.24.
Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor het jaar 2016 ten bedrage van € 4.544 is in hoger beroep niet langer in geschil. Belanghebbende heeft in 2016 ten onrechte geen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in zijn aangifte aangegeven. Over het in de aanslag IB/PVV 2016 in aanmerking genomen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is een bedrag van € 1.363 aan IB/PVV verschuldigd. De inspecteur heeft verder onweersproken gesteld dat indien de aangifte IB/PVV 2016 was gevolgd, de verschuldigde belasting voor aftrek van heffingskortingen moet worden berekend op het bedrag van € 6.347. Uitgedrukt in een percentage bedraagt de belasting ter zake van de veronderstelde gebreken in de aangifte ten opzichte van de veronderstelde werkelijk verschuldigde belasting 17,6% (€ 1.363/€ 7.710). Het niet in de aangifte vermelden van deze inkomsten, mede gelet op de omvang daarvan, ten tijde van het doen van de aangiften leidt tot het oordeel dat belanghebbende zich ervan bewust was, althans zich ervan bewust moet zijn geweest, dat als gevolg daarvan verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd aanzienlijke bedragen aan inkomstenbelasting niet zouden worden geheven (zie 4.15). Hieruit volgt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan.
4.25.
Uit bovenstaande volgt dat de bewijslast voor het jaar 2016 moet worden omgekeerd en verzwaard. Het hof zal het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2016 vaststellen op het bedrag van € 51.457 en acht de schatting voor het jaar 2016 niet willekeurig en onredelijk. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende met al hetgeen hij heeft gesteld, niet overtuigend aangetoond dat de aanslagen IB/PVV en Zvw 2016, na vermindering door het hof, te hoog zijn. Het hof verwijst ter motivering van het voorgaande naar rechtsoverwegingen 4.17 tot en met 4.20.
4.26.
Ook het standpunt van belanghebbende, inhoudende dat hij een voorziening kan vormen in 2016 voor het door justitie in beslag genomen bedrag aan contanten, faalt om redenen als genoemd in rechtsoverweging 4.22.
4.27.
Uit bovenstaande volgt dat het hof het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2016 nader zal vaststellen op het bedrag van € 51.457. Het belastbaar inkomen uit werk en woning zal door het hof daarom worden vastgesteld op het bedrag van € 83.079, zijnde het hiervoor genoemde bedrag van € 51.457 en het reeds door belanghebbende in de aangifte vermelde bedrag van € 31.622. Het voorgaande heeft geen gevolgen voor de aanslag Zvw 2015, nu het hof het bijdrage-inkomen van belanghebbende voor dit jaar op het bedrag van € 71.323 berekent [11] en de inspecteur reeds een aanslag had opgelegd naar het maximum bijdrage-inkomen van € 52.763.
Aanslagen IB/PVV en Zvw 2017
4.28.
De inspecteur stelt dat belanghebbende door het niet aangeven van het resultaat uit overige werkzaamheden ter grootte van € 33.674, alsmede het niet (tot het juiste bedrag) vermelden van de contante gelden zich ten tijde van het doen van de aangifte ervan bewust had moeten zijn dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting niet zou worden geheven. Dit is in relatieve en absolute zin aanzienlijk, aldus de inspecteur.
4.29.
Het staat vast dat het werkelijk belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, na bezwaar, lager is dan door belanghebbende vermeld in zijn aangifte IB/PVV 2017. In zoverre kan de omkering en verzwaring van de bewijslast reeds hierom niet daarop worden gebaseerd. Ook de stelling van de inspecteur dat de omkering en verzwaring moet worden gebaseerd op het niet-aangegeven resultaat uit overige werkzaamheden faalt. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur, met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 2017 resultaat uit overige werkzaamheden heeft behaald. De inspecteur heeft een vermogensvergelijking voor de periode 2011 tot en met 2018 in het geding ingebracht, waaruit volgens de inspecteur een negatief netto privé blijkt. Ter zitting heeft de inspecteur desgevraagd verklaard dat de vermogensvergelijking op onderdelen onjuist is. Ook kon de inspecteur desgevraagd geen toelichting verstrekken op inhoudelijke vragen van het hof over de vermogensvergelijking. Het hof zal daarom geen (voldoende) doorslaggevende betekenis toekennen aan de vermogensvergelijking. De inspecteur heeft overigens ook geen feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat belanghebbende in 2017 een onbekende bron van inkomen heeft gehad.
4.30.
Gelet op het bovenstaande zal het hof het resultaat uit overige werkzaamheden voor 2017 nader vaststellen op nihil. Het belastbaar inkomen uit werk en woning zal door het hof daarom worden vastgesteld op het bedrag van € 25.209, zijnde de reeds door belanghebbende in de aangifte vermelde belastbare winst uit onderneming (€ 11.835), ontvangen AOW (€ 14.754) en saldo inkomsten eigen woning (-/- € 1.380). Het hof zal de aanslag Zvw 2017 verminderen naar een bijdrage-inkomen van € 11.835.
Boeten
4.31.
De correctie ten aanzien van het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2014 - dat tevens de grondslag voor de boete vormt - zal door het hof worden vernietigd (zie 4.11 en 4.12). Als gevolg daarvan zal het hof de vergrijpboete voor het jaar 2014 eveneens vernietigen.
4.32.
Voor zover de boete ziet op het niet door belanghebbende in de aangifte IB/PVV 2016 vermelde belastbaar inkomen uit sparen en beleggen - € 681 (zijnde 50% van € 1.363) - wordt deze door belanghebbende in hoger beroep niet bestreden. Voor het overige ziet de boete op het door belanghebbende niet vermelde resultaat uit overige werkzaamheden. De rechtbank heeft de boetebeschikking bij de aanslag IB/PVV 2016 verminderd naar een bedrag van € 6.000. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank de boete verder met 20% verminderd naar respectievelijk € 4.800. Het hof ziet aanleiding om de boetebeschikking bij de aanslag IB/PVV 2016 verder te verminderen naar een bedrag van € 4.500 wegens de vermindering van het resultaat uit overige werkzaamheden. Het hof zal de boete verminderen met 20% tot het bedrag van € 3.600 vanwege overschrijding van de redelijke termijn. [12]
Tussenconclusie
4.33.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.34.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
4.35.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.36.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten) [13] x € 934 (waarde per punt) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is € 2.802.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing over de vergoeding van de proceskosten en griffierechten;
  • verklaart de beroepen bij de rechtbank gegrond;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar, met uitzondering van de beslissingen met betrekking tot de aanslagen Zvw 2015 en Zvw 2016;
  • vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 en de navorderingsaanslag Zvw 2014, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven rentebeschikkingen;
  • vermindert de aanslag IB/PVV 2015 tot een waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt vastgesteld op € 92.114 en wijzigt de daarbij gegeven beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig;
  • vermindert de aanslag IB/PVV 2016 tot een waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt vastgesteld op € 83.079 en wijzigt de daarbij gegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
  • vermindert de boetebeschikking bij de aanslag IB/PVV 2016 naar een bedrag van € 3.600;
  • vermindert de aanslag IB/PVV 2017 tot een waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt vastgesteld op € 25.209 en wijzigt de daarbij gegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
  • vermindert de aanslag Zvw 2017 naar een bijdrage-inkomen van € 11.835;
  • vernietigt de boetebeschikking bij de aanslag IB/PVV 2017;
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 138 vergoedt;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 2.802.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, M.E. Smorenburg en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De uitspraak is alleen ondertekend door M.E. Smorenburg, aangezien de voorzitter en de griffier zijn verhinderd deze te ondertekenen.
De griffier, De oudste raadsheer,
M.M. Stassen-Kanters M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 juli 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:3258.
2.€ 235.715 gedeeld door 42 (drie-en-een-half jaar) maal twaalf.
3.Artikel 27h, lid 2, AWR.
4.Hoge Raad 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8731.
5.Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083.
6.Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, r.o. 3.3.2.
7.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 juli 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3001, r.o. 4.4.4.
8.Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:140.
9.Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9047.
10.Belastbare winst uit onderneming van € 30.701, zoals volgend uit de aangifte, vermeerderd met het resultaat uit overige werkzaamheden van € 51.457.
11.Belastbare winst uit onderneming van € 19.866, zoals volgend uit de aangifte, vermeerderd met het resultaat uit overige werkzaamheden van € 51.457.
12.Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.
13.1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.