Conclusie
1. [eiser 1]
2. [eiseres 2]
Vraag 5
Garantie
3.Bespreking van het cassatiemiddel
nietgekozen voor de optie “Aanvulling op uw toekomstig inkomen (aanvullend pensioen)”. Bovendien is aangekruist dat het te beleggen vermogen slechts 10% tot 25% bedroeg van het totale vrij belegbare vermogen (zie de antwoorden op vragen 5 en 16 van de vragenlijst). Naar het oordeel van het hof behoefde Staalbankiers daarom geen rekening te houden met een pensioendoelstelling.
absoluut risicoloos” beleggen, ook als het gaat om geld met een pensioenbestemming, niet mogelijk is.
Subonderdeel 1.4klaagt over de overweging dat [eiser] c.s. ook niet concreet heeft gemaakt welke vragen in de vragenlijst onjuist door [betrokkene] zouden zijn beantwoord, door erop te wijzen dat [eiser] c.s. steeds hebben aangevoerd een pensioendoelstelling te hebben gehad.
subonderdeel 1.1moet er in cassatie veronderstellenderwijs van worden uitgegaan dat de stukken met [eiser] c.s. niet of in ieder geval niet voldoende en voor hem begrijpelijk zijn besproken. Zo algemeen gesteld, kan dit naar mijn mening niet worden aangenomen.
subonderdeel 1.2, die is gericht tegen de bij 3.11 met (iii) aangeduide overweging, faalt in het verlengde daarvan. Of op Staalbankiers een onderzoeksplicht rustte of [eiser] c.s. begreep wat hij ondertekende, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan een rol spelen of [eiser] c.s. ten tijde van de bespreking met [betrokkene] op 23 november 2007 kenbaar heeft gemaakt de inhoud van de voorgelegde stukken niet te begrijpen.
subonderdeel 1.3aangevoerde omstandigheden dat Staalbankiers wist dat [eiser] c.s. geen Nederlands beheerste, de voorganger van [betrokkene] goed Duits sprak en dat zij deskundig personeel in huis had om de zaken zo nodig in het Duits met [eiser] c.s. door te nemen, stuiten m.i. af op ’s hofs – in cassatie onbestreden – overweging dat door [eiser] c.s. onbestreden is dat de schriftelijke correspondentie en overeenkomsten tussen Staalbankiers en [eiser] c.s. altijd in het Nederlands zijn opgesteld en dat [eiser] c.s. ook nooit om vertalingen heeft gevraagd. Deze feitelijke afweging van het hof is niet onbegrijpelijk.
subonderdeel 1.5faalt in het verlengde daarvan.
subonderdeel 1.5, slot, mijns inziens een klacht over de verwerping van het bewijsaanbod op deze grond (vgl. s.t. Staalbankiers nr. 25). De klacht houdt in dat uit het bewijsaanbod in de inleidende dagvaarding, dat in appel is gehandhaafd, en vooral uit de inhoud van de beide e-mails van [betrokkene] blijkt waarover deze kan verklaren: in het bijzonder over het door [eiser] beoogde ‘absoluut risicoloos’ beleggen en de pensioendoelstelling. Het subonderdeel wijst erop dat bij pleidooi in appel ruim aandacht aan deze e-mails is besteed (pleitnota van mr Hoffmann nrs. 10-16).
subonderdeel 2.1is het oordeel van het hof dat Staalbankiers in de gegeven omstandigheden van het geval geen aanleiding had behoeven te zien meer spreiding te adviseren, onvoldoende gemotiveerd. Het subonderdeel verwijst daartoe naar de e-mail van [betrokkene] van 22 februari 2011 en naar een tweetal KIFID-uitspraken, waaruit zou blijken dat als regel bij de samenstelling van een door een effecteninstelling beheerde portefeuille geldt dat ten hoogste 30% of één derde van de portefeuille afhankelijk mag zijn van een debiteurenrisico dat is geconcentreerd in één uitgevende instelling. [20] In het onderhavige geval was dat 100% van het belegde vermogen van € 250.000,-, dan wel 50% van het belegde vermogen indien de door [eiser] c.s. zelf gedane beleggingen van nog eens € 250.000,- zouden meetellen. Ook al zou het gelet op de credit rating van Lehman Brothers op zichzelf genomen niet onverantwoord zijn geweest om [eiser] c.s. te adviseren geld in Lehman Brothers Notes te beleggen, dat betekent niet dat het ook verantwoord was zulks te adviseren voor het
gehelebij Staalbankiers onder beheer gebrachte vermogen van € 250.000,-. Of het nu gaat om 10-25% of om 50-100% van het vermogen van [eiser] c.s., zorgvuldige advisering over spreiding blijft nodig, ook met het oog op het debiteurenrisico.
koersrisicodat zich had verwezenlijkt, heeft Uw Raad geoordeeld dat deze vraag zich niet in zijn algemeenheid laat beantwoorden, maar afhankelijk is van tal van factoren. [21]
subonderdeel 2.3.