Uitspraak
24 april 1992.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een deurwaarder bevoegd was namens de verhuurder een betalingsregeling te sluiten met de huurder na ontbinding van de huurovereenkomst wegens huurachterstand. De huurder had een overeenkomst gesloten met de deurwaarder, waarin werd afgesproken dat hij na betaling van de achterstand de woning nog zes maanden mocht bewonen. Deze regeling werd echter zonder opdracht van de verhuurder gesloten.
De rechtbank en het hof wezen de vorderingen van de huurder af, waarbij het hof oordeelde dat de huurder op de hoogte had moeten zijn van eerdere vonnissen die ontruiming toestonden en dat hij de deurwaarder hierover had moeten informeren. De huurder mocht daarom niet zonder meer vertrouwen op de bevoegdheid van de deurwaarder om namens de verhuurder te handelen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat hoewel men in het algemeen mag vertrouwen op de bevoegdheid van een deurwaarder bij executiehandelingen, bijzondere omstandigheden kunnen maken dat dat vertrouwen niet gerechtvaardigd is. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde de huurder in de kosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de huurder wordt verworpen en de overeenkomst van de deurwaarder staat de ontruiming niet in de weg.