Conclusie
primairgericht tegen de door het hof aangenomen gebondenheid van de cliënt jegens [verweerster] . Daarbij bestrijdt het cassatiemiddel onder meer het bestaan van een rechtsregel dat in een geval als dit de advocaat zich in beginsel mede namens zijn cliënten verbindt. Verder wordt aangevoerd dat het hof buiten de rechtsstrijd getreden is althans dat sprake is van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing.
Subsidiairbestrijdt het middel dat de advocaat als opdrachtgever jegens de opdrachtnemer voor de nakoming van de verplichtingen van de cliënt jegens de opdrachtnemer dient in te staan.
1.Feiten
2.Procesverloop
no cure no pay-afspraak niet heeft doorgegeven aan de advocaat van [betrokkene 4] , mr. De Koning. [A] voert meerdere verweren aan, waarvan de inhoud hierna kort wordt weergegeven (in vet gedrukt), met daaronder het oordeel daarover van het hof.
[betrokkene 4] was geen vergoeding aan [verweerster] verschuldigd
no cure nopay-afspraak. [betrokkene 4] moest dus proberen een vergoeding te incasseren en [A] stond hiervoor in. Indien mr. De Koning en/of [betrokkene 4] van het bestaan van deze verplichting op de hoogte zouden zijn geweest, is het aannemelijk dat [betrokkene 4] de vordering zou hebben ingesteld. Mr. De Koning heeft in productie 1 bij de antwoordakte geschreven dat [betrokkene 4] in dat geval zou hebben besloten om ‘moeilijke discussies’ te voorkomen en het instellen van de vordering (daarom) achterwege te laten, maar hij gaat er daarbij ten onrechte vanuit dat [betrokkene 4] niet jegens [verweerster] verplicht was om te proberen de vergoeding te incasseren. Het hof gaat daarom aan de toelichting van mr. De Koning voorbij en passeert het verweer van [A] .
no cure no pay-overeenkomst met hun cliënten mogen sluiten snijdt ook al geen hout, alleen al omdat [verweerster] geen cliënt van [A] was.
f1.000.000 heeft uitgekeerd, onder meer wegens in de onderhavige legionellazaak gemaakte ‘kosten als bedoeld in artikel 6:96 BW Pro’. Onder dergelijke kosten vallen ook kosten als gemaakt door [verweerster] , immers ter vaststelling van de aansprakelijkheid van de verzekerde.”
Onze brief van 31 maart teruglezende lijken de kosten van belangenbehartigers en die van vaststelling van schade in het totaal beschikbare bedrag begrepen te zijn geweest. Ik denk niet dat kosten die betrekking hadden op activiteiten buiten het collectief in dat kader ook voor vergoeding in aanmerking kwamen’. Het hof is echter tot een andere conclusie gekomen, nadat het eerst heeft overwogen dat mr. Beer bij het schrijven van zijn brief kennelijk is uitgegaan van een ander feitencomplex dan het hof doet (rov 2.7):
het collectief’ succes heeft geboekt mede door een beroep te doen op het rapport van [verweerster] , toont de brief van mr. Beer juist het tegendeel aan van wat [A] daarmee heeft willen betogen. Het ligt voor de hand dat STL [verweerster] tot dat collectief zou hebben gerekend (had moeten rekenen) en haar kosten zou hebben vergoed. Ook uit de brief van mr. Beer van 31 maart 2010, die gericht is aan de slachtoffers van de legionellabesmetting, blijkt dat de factuur van [verweerster] zou kunnen zijn betaald. Daarin staat immers: ‘
Het totaal beschikbare bedrag, minus de kosten van rechtsbijstand en vaststelling van schade wordt over u allen verdeeld’. Voor de hand ligt dat mr. Beer daarmee ook de (wettelijk met kosten van schadevaststelling gelijkgestelde) kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid heeft bedoeld, onder welke noemer [verweerster] ’s vergoeding valt.”
Mede gezien voornoemde door STL gevolgde procedure acht ik het ondenkbaar dat door STL nog additionele vergoedingen voor kosten van rechtsbijstand – waaronder begrepen kosten voor (gepretendeerde) deskundigen – zouden zijn betaald aan andere belangenbehartigers’. Het hof heeft overwogen dat het uit de daaraan voorafgaande tekst opmaakt dat mr. Kremer met ‘andere belangenbehartigers’ bedoelt: anderen dan ‘
de belangenbehartiger die voor de slachtoffers is opgekomen’. Bekend is dat de Consumentenbond voor de slachtoffers is opgekomen. Indien mr. Kremer inderdaad heeft bedoeld dat het geld aan de Consumentenbond is uitgekeerd, zou het gaan om de verdeling van de uitkering waarover mr. Beer al schreef. Dit strookt met de mededeling van mr. Kremer dat deze belangenbehartiger op het aan de slachtoffers uitgekeerde geld een ‘
aftrek voor kosten van rechtsbijstand[heeft]
ingehouden’. Dit e-mailbericht geeft, aldus het hof, in geen geval redenen om te betwijfelen dat STL de kosten van [verweerster] zou hebben vergoed indien de rapportkosten bij STL in rekening zouden zijn gebracht (rov. 2.8).
f1 miljoen, verhoogd met vertragingsrente), is het verweer van [A] dat er onvoldoende fonds was om de rekening van [verweerster] te betalen onvoldoende feitelijk gemotiveerd. Het desbetreffende bedrag van € 19.022,86 zou naar het oordeel van het hof aan [verweerster] zijn uitbetaald indien [A] haar verplichtingen jegens [verweerster] was nagekomen. Het beroep dat [A] doet op de verplichting van [verweerster] om haar schade te beperken door zelf een claim bij STL in te dienen, faalt, alleen al op grond dat [A] daarvoor moest zorgen, zodat er voor [verweerster] geen aanleiding was om haar rekening in te dienen. De vordering tot vergoeding van het schadebedrag van € 15.985,60 is toewijsbaar. Grief 5 slaagt.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
primairedeel van het middel valt uiteen in drie onderdelen:
onderdeel abestrijdt het bestaan van de door het hof rov. 2.3 sub a. van het tussenarrest van 20 oktober 2015 aangenomen rechtsregel dat de advocaat zich in een geval als het onderhavige in beginsel mede namens zijn cliënten verbindt. Het zou juist van de omstandigheden van het geval en daarmee van uitleg van de overeenkomst afhangen of deze overeenkomst mede verplichtingen van de opdrachtnemer, in casu [betrokkene 4] , in het leven roept. Dat zou in ieder geval niet kunnen zonder dat daarmee door de cliënt(en) wordt ingestemd. [9] Zodanige instemming heeft het hof echter niet vastgesteld;
onderdeel bklaagt dat voor zover die regel al ‘behoudens bijzondere omstandigheden’ zou bestaan, het de rechter niet vrij staat om uit eigen beweging, zonder dat dat in het kader van de aangevoerde grieven is gesteld, van zo’n verplichting uit te gaan. Dat leidt tot een verboden aanvulling van de feitelijke gronden van de vordering en/of een ontoelaatbare verrassingsbeslissing (omdat in dat geval de in het ongelijk gestelde partij niet in de gelegenheid is gesteld aan te geven en te motiveren waarom van de eerdergenoemde bijzondere omstandigheden sprake is);
onderdeel cklaagt dat hetgeen het hof heeft vastgesteld, onvoldoende basis is om aan te nemen dat cliënten van [eiseres] partij zijn geworden bij de overeenkomst tussen [verweerster] en [eiseres] of op andere gronden, bijvoorbeeld krachtens een door haar aanvaard derdenbeding, aan die overeenkomst zijn gebonden.
nietop "eigen” verplichtingen van [betrokkene 4] berust.’ Deze aanvulling bouwt voort op de primaire klachten van het cassatiemiddel en behoeft daarom geen afzonderlijke bespreking.
in civilibus. [16]
Kribbebijter-arrest van Uw Raad: [27] het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam – dat wil zeggen als wederpartij van die ander – is opgetreden, hangt af van hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en hebben mogen afleiden.
verplichtingop zich genomen een (of meer) rechtshandeling(en) voor de ander te verrichten; vaak zal dat gepaard gaan met een volmachtverlening, zodat de advocaat de rechtshandeling(en) ook op naam van de ander mag verrichten, maar dat hoeft niet het geval te zijn;
Kribbebijter-maatstaf.
ING/Bera, [36] komt ook de schijn van volmacht bij handelen van een advocaat aan de orde. In één zaak ging het om een advocaat die namens zijn cliënt een vastgoedportefeuille had verkocht. Met een e-mail aan de wederpartij en haar notaris heeft de advocaat de koop bevestigd onder overlegging van alle relevante documenten. De cliënt wilde de koop echter geen doorgang laten vinden, omdat hij een andere (betere) koper had gevonden. In cassatie gaat het over de reikwijdte van het in
ING/Berater relativering van het toedoen-vereiste geïntroduceerde risicobeginsel: [37] is naar verkeersopvattingen de schijn gewekt dat de advocaat zijn cliënt vertegenwoordigde, zodat de koper daarop mocht vertrouwen? Uw Raad oordeelde: [38]
Onderdeel bklaagt dat sprake is van een verboden aanvulling van de feitelijke grondslag van de vordering (het hof zou buiten de rechtsstrijd zijn getreden) en/of een ontoelaatbare verrassingsbeslissing.
Onderdeel cklaagt dat wat het hof heeft vastgesteld onvoldoende basis is om in casu aan te nemen dat de cliënt(en) van [eiseres] partij is (zijn) geworden bij de overeenkomst tussen [eiseres] en [verweerster] of op andere gronden aan die overeenkomst gebonden is (zijn).
Onderdeel aslaagt dan ook. Of een advocaat zijn cliënt direct jegens derden bindt, zal juist afhangen van de vraag of de advocaat zijn cliënt vertegenwoordigt hetgeen, behoudens de werking van art. 3:61 lid 2 BW Pro, enkel het geval is wanneer (1) de advocaat een toereikende vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft en (2) de advocaat daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van een vertegenwoordigingsbevoegdheid. Dat is het geval wanneer de rechtshandeling is verricht in naam van de cliënt en de advocaat daartoe gerechtigd was.
onderdelen a en b. Bij die stand van zaken behoeft
onderdeel cin beginsel geen bespreking. Niettemin merk ik op dat het in het onderhavige geval niet aannemelijk is dat een overeenkomst tussen [verweerster] en cliënten van [eiseres] zou zijn ontstaan. Zo trad [eiseres] aanvankelijk op voor meerdere cliënten, die zich vervolgens (op [betrokkene 4] na) weer hebben teruggetrokken. Van een opdracht van de cliënten van [eiseres] om namens hen [verweerster] in te schakelen is niet gebleken. Er is dus niet gebleken dat [eiseres] een vertegenwoordigingsbevoegdheid had. Evenmin is gebleken dat [eiseres] in de verhouding met [verweerster] gebruik heeft gemaakt van een eventuele vertegenwoordigingsbevoegdheid. Daarbij komt dat [verweerster] [eiseres] zelf heeft benaderd. Ook was onduidelijk voor [verweerster] namens wie [eiseres] precies optrad. Ook
onderdeel czou ik daarom gegrond achten.
onderdeel cen in de schriftelijke toelichting van [eiseres] (randnummers 15 en 17) verder wordt aangestipt dat er in de verhouding tussen [verweerster] en [eiseres] ook geen sprake kan zijn van een derdenbeding ten behoeve van de cliënt(en) van [eiseres] dat door deze cliënt(en) zou zijn aanvaard. Dat is op zichzelf juist – gesteld noch gebleken is dat sprake is van zodanig beding en dat [betrokkene 4] dit zou hebben aanvaard – maar ik lees in ’s hofs arrest ook niet dat het oordeel op de rechtsfiguur van het derdenbeding is gestoeld.