ECLI:NL:PHR:2010:BH9188
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toerekening van inkomsten uit terbeschikkingstelling bij gehuwden in algehele gemeenschap van goederen
Deze zaak betreft de vraag hoe inkomsten uit terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen, die tot de huwelijksgemeenschap behoren, fiscaal moeten worden toegerekend bij gehuwden in algehele gemeenschap van goederen. Belanghebbende en zijn echtgenote hadden ieder een vordering op een B.V. en ontvingen rente over deze vorderingen. De discussie ging over de vraag of de rente-inkomsten gelijkelijk (50/50) aan beide echtgenoten moesten worden toegerekend of aan degene die het bestuur over de vordering heeft.
De Rechtbank had geoordeeld dat alleen de rente die belanghebbende daadwerkelijk ontving en waarvoor hij het bestuur had, tot zijn belastbaar inkomen behoorde. De staatssecretaris stelde cassatie in met het middel dat de wetgever een 50/50-verdeling van de inkomsten wilde en dat de gerechtigdheid tot de huwelijksgemeenschap bepalend is, niet de bestuursbevoegdheid.
De Advocaat-Generaal concludeert dat het begrip 'genieten' van inkomsten in de Wet IB 2001 aansluit bij de jurisprudentie van de Hoge Raad waarin het bestuur over het vermogensbestanddeel bepalend is voor de genieter. Dit geldt ook voor de terbeschikkingstellingsregeling die het resultaat uit overige werkzaamheden betreft en waarvoor de regels van de winstbepaling van toepassing zijn. De bestuursbevoegdheid is dus doorslaggevend voor de toerekening van de inkomsten.
De conclusie is dat de rente-inkomsten uitsluitend aan de echtgenoot moeten worden toegerekend die het bestuur over de vordering heeft en de rente daadwerkelijk heeft ontvangen. De 50/50-verdeling is niet van toepassing. Het middel van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het inkomen uit terbeschikkingstelling wordt toegerekend aan de echtgenoot die het bestuur over het vermogensbestanddeel heeft en de inkomsten ontvangt.