ECLI:NL:HR:1997:AA2214
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Pos
- raadsheer Beukenhorst
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing vermindering inkomstenbelasting op basis van verdragsbepalingen voor werkzaamheden in buitenlandse dochtermaatschappijen
Belanghebbende, bestuurder van A N.V. en haar buitenlandse dochtermaatschappijen, kreeg voor 1991 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd. Ongeveer de helft van zijn salaris en concernkosten werden doorbelast aan buitenlandse dochters. Het geschil betrof of deze beloning als inkomsten uit buitenlandse werkzaamheden kon worden aangemerkt voor toepassing van verdragsbepalingen ter voorkoming van dubbele belasting.
Het Hof oordeelde dat onvoldoende direct verband bestond tussen de werkzaamheden in de buitenlandse dochters en het betreffende deel van het salaris, waardoor geen recht op vermindering van de Nederlandse belasting bestond. Dit oordeel werd door de Hoge Raad niet onjuist bevonden en als feitelijk aangemerkt, waardoor het cassatieberoep werd verworpen.
De Hoge Raad stelde dat het oordeel van het Hof geen onjuiste rechtsopvatting bevatte en dat het niet met vrucht in cassatie kon worden bestreden. Tevens wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af. Het arrest werd op 15 juli 1997 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat geen recht bestaat op vermindering van de Nederlandse inkomstenbelasting op basis van verdragsbepalingen.