ECLI:NL:HR:1998:AA2606
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aftrekbaarheid van schadevergoeding bij opzettelijke brandschade in onderneming
Belanghebbende, een ondernemer die een schip in reparatie had, bracht opzettelijk brandschade toe aan dat schip na een ruzie over het moment van afhalen. Voor het jaar 1991 werd hem een aanslag inkomstenbelasting opgelegd waarbij hij een bedrag aan schadevergoeding en advocaatkosten als bedrijfslast aftrok. De Inspecteur weigerde deze aftrek.
Na bezwaar en beroep bevestigde het Hof dat de schadevergoeding niet als bedrijfslast kon worden aangemerkt, omdat de daad van belanghebbende niet in het kader van zijn onderneming was verricht maar in de privésfeer lag. De Hoge Raad overwoog dat de hoofdregel is dat schade aan een in reparatie gegeven voorwerp doorgaans ondernemingskosten zijn, tenzij de schade in de privésfeer ligt. Het Hof had geoordeeld dat belanghebbende redelijkerwijs niet kon volhouden dat hij de schade met het oog op zijn ondernemingsbelangen had veroorzaakt.
De Hoge Raad vond het oordeel van het Hof niet onjuist en wees het cassatieberoep af. Wel stelde de Procureur-Generaal dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de schade in de privésfeer lag en adviseerde vernietiging en verwijzing naar een ander Hof voor nadere beoordeling. Uiteindelijk bleef het oordeel van het Hof in stand. De Hoge Raad wees ook op het belang van de finaliteit van de kosten en dat fiscale beoordeling niet afhangt van de (il)legaliteit van de handeling.
De Hoge Raad veroordeelde belanghebbende niet tot proceskosten en bevestigde dat de kosten niet aftrekbaar zijn omdat zij privé zijn, ondanks dat de schade werd toegebracht aan een ondernemingsvoorwerp.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de schadevergoeding en advocaatkosten niet als bedrijfslast aftrekbaar zijn omdat de schade in de privésfeer is toegebracht.