ECLI:NL:HR:2000:AA7284
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- O. de Savornin Lohman
- P.C. Kop
- W.H. Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontvankelijkheid verzoek tot omgangsregeling door biologische vader
In deze zaak heeft de vader een verzoek ingediend bij de Rechtbank om een omgangsregeling te treffen met zijn minderjarige kind, omdat de moeder weigerde mee te werken aan een regeling. De Rechtbank verklaarde de vader ontvankelijk, stellende dat hij voldoende bijkomende omstandigheden had gesteld waaruit een nauwe persoonlijke betrekking tussen hem en het kind bleek, zoals bedoeld in art. 1:377f BW.
De moeder stelde zich op het standpunt dat de vader niet ontvankelijk was in zijn verzoek. Het Gerechtshof bevestigde echter de ontvankelijkheid van de vader, stellende dat er tot 1 maart 1998 regelmatig contact was geweest dat een band van "family life" in de zin van art. 8 EVRM Pro creëerde, en dat deze band niet was verbroken.
De moeder stelde beroep in cassatie in tegen deze beslissing. De Hoge Raad oordeelde dat voor ontvankelijkheid vereist is dat de verzoeker naast het biologisch vaderschap ook bijzondere omstandigheden stelt waaruit een "family life"-band blijkt. Het Hof had dit juist beoordeeld. Daarnaast verduidelijkte de Hoge Raad dat de inwerkingtreding van art. 1:204 lid 3 BW Pro geen invloed heeft op de ontvankelijkheid van verzoeken tot omgangsregeling op grond van art. 1:377f BW.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de ontvankelijkheid van de vader in zijn verzoek tot omgangsregeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ontvankelijkheid van de vader in zijn verzoek tot omgangsregeling.