ECLI:NL:HR:2001:AD7323
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- A.G. Pos
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Uitleg van het begrip werknemer in artikel 4 lid 1 van de CAO voor het Bouwbedrijf
In deze zaak stond de uitleg van artikel 4 lid 1 van Pro de collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) voor het Bouwbedrijf centraal, met name de betekenis van het begrip 'werknemer'. Eiseressen stelden dat dit begrip beperkt moest worden tot collegiale inlening van werknemers van andere bouwbedrijven. De kantonrechter had eerder geoordeeld dat artikel 4 lid 1 buiten Pro werking bleef voor inlening van arbeidskrachten van uitzendbureaus en andere niet-bouwbedrijven die een eigen CAO naleven.
In hoger beroep wijzigden eiseressen hun vordering en stelden zij primair dat artikel 4 lid 1 buiten Pro werking bleef voor alle inlening van arbeidskrachten van uitzendbureaus en andere niet-bouwbedrijven. De rechtbank wees deze vorderingen af, waarbij zij het begrip werknemer ruim uitlegde en oordeelde dat de CAO ook van toepassing is op inlening van uitzendkrachten.
De Hoge Raad bevestigde dat de uitleg van de rechtbank juist is en dat het begrip werknemer in artikel 4 lid 1 niet Pro beperkt is tot collegiale inlening. De Hoge Raad oordeelde dat de tekst van de CAO, de context en de voetnoot bij artikel 4 lid 1 dit Pro ondersteunen. Ook het bezwaar dat premies worden betaald voor voorzieningen waarop ingeleende werknemers geen rechten kunnen ontlenen, werd verworpen. Het beroep van eiseressen werd verworpen en zij werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiseressen wordt verworpen en artikel 4 lid 1 van de CAO voor het Bouwbedrijf geldt ook voor inlening van arbeidskrachten van uitzendbureaus.