ECLI:NL:HR:2003:AF4323
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheden raadsman bij afwezigheid verdachte in strafprocedure
In deze strafzaak stond centraal de vraag welke rechten en bevoegdheden een raadsman heeft wanneer de verdachte niet ter terechtzitting verschijnt en de raadsman geen uitdrukkelijke machtiging heeft verklaard conform art. 279 Wetboek Pro van Strafvordering. De verdachte was niet verschenen bij de terechtzitting in hoger beroep en de raadsman gaf aan geen contact meer te hebben met zijn cliënt en niet uitdrukkelijk gemachtigd te zijn.
De Hoge Raad bevestigde dat zonder een dergelijke uitdrukkelijke machtiging de raadsman slechts beperkt bevoegd is, namelijk tot het voeren van het woord ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte en het verzoeken om aanhouding van de zaak. Verzoeken zoals het oproepen van getuigen vallen niet onder deze beperkte bevoegdheid. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie (HR 23 oktober 2001, NJ 2002, 77 en HR 23 april 2002, NJ 2002, 338).
De Hoge Raad benadrukte dat een beperkte machtiging niet bestaat; de wetgever beoogt dat een raadsman die verklaart uitdrukkelijk gemachtigd te zijn, alle rechten kan uitoefenen, anders niet. Het vertrouwelijke karakter van de relatie tussen raadsman en verdachte sluit onderzoek naar de juistheid van de machtiging uit.
Het cassatieberoep van de verdachte faalde omdat de raadsman niet de vereiste verklaring had afgelegd. De Hoge Raad vond geen reden om de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen en verwierp het beroep. De verdachte was door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, waarvan één maand voorwaardelijk.
Deze uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van de bevoegdheden van een raadsman bij verstek en bevestigt het belang van een uitdrukkelijke machtiging voor het voeren van een volledige verdediging.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de veroordeling tot twee maanden gevangenisstraf, waarvan één maand voorwaardelijk, blijft in stand.