ECLI:NL:HR:2004:AO6956
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de toerekening van vordering bij staking tot het ondernemingsvermogen
Belanghebbende exploiteerde tot medio 1996 samen met een partner een kegelbaan die in dat jaar werd verkocht. De koopprijs werd deels ineens en deels in termijnen betaald. Bij staking van de onderneming waardeerde belanghebbende de vordering op de koper wegens het dubieuze karakter op nihil en bracht dit ten laste van de stakingswinst.
De Inspecteur verhoogde het belastbaar inkomen met het deel van de vordering dat was ontvangen. Het hof oordeelde echter dat de vordering tot het ondernemingsvermogen behoorde, mede vanwege twijfel aan de kredietwaardigheid van de koper en het ontbreken van zekerheid, en verklaarde het beroep ongegrond.
De Hoge Raad oordeelt dat de tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming in de regel tot het privévermogen behoort, ook als betaling in termijnen plaatsvindt en de koper kredietproblemen heeft. Het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat de vordering tot het ondernemingsvermogen bleef behoren. De Hoge Raad vernietigt het arrest en vermindert de aanslag overeenkomstig.
Daarnaast veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën en de Inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat aan als de partij die deze kosten moet vergoeden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en vermindert de aanslag door de vordering toe te rekenen aan het privévermogen.