Conclusie
Doceram-arrest van het HvJ EU en de discussie over een aspect daarvan in de literatuur geredelijk anders gedacht kan worden. Dan zouden de klachten van incidenteel onderdeel 3 op kunnen gaan en de conclusie schetst de mogelijkheden die dan openstaan (terugverwijzen of prejudicieel verwijzen naar het Luxemburgse Hof met vragen over de betekenis de techniekexceptie in het Gemeenschapsmodellenrecht).
(…) the Parties hereby confirm that the proceedings with case number 200.216.620/01 may be continued in the name of Samsung as the formal party to the proceedings.
The Parties confirm that HP is the material party to the proceedings. For this reason, Samsung has authorized HP to conduct the legal proceeding under Samsung's name, and Samsung confirms that it will continue to cooperate and take all necessary steps, all at the full risk and expense of HP, in order to enforce and defend any of the Patents and Design Rights and any other right and claim that are the subject of the proceedings.
undue burdeneen inrichting volgens conclusies 1 en 2 te vervaardigen en dat deze kan worden toegepast in een printer. Het hof verenigt zich met en neemt over hetgeen de rechtbank ter zake in r.o. 4.7 van het bestreden vonnis heeft overwogen. Daarmee is de nawerkbaarheid gegeven. Dat de uitvinding volgens conclusies 1 en/of 2 niet nawerkbaar of niet industrieel toepasbaar zou zijn, wordt bovendien gelogenstraft door het feit dat DR c.s. onbestreden probleemloos functionerende cartridges heeft geproduceerd en op de markt gebracht, waarin de maatregelen van conclusies 1 en 2 (maar niet een transportorgaan) zijn opgenomen.
3.Bespreking het principale cassatiemiddel
Onderdeel 1: ontvankelijkheid Samsung
alle klachtenuit onderdeel 1 tevergeefs zijn voorgedragen. DR c.s. klagen in dit onderdeel over de ontvankelijkheidsbeoordeling van Samsung, terwijl DR c.s. appellanten waren. In rov. 4.1.4 eindarrest is het beroep van DR c.s. op niet-ontvankelijkheid vanwege de overdracht van rechten aan HP verworpen [4] . DR c.s. beklagen dat als onjuist en volgens hen brengt niet-ontvankelijkheid van Samsung mee dat het arrest integraal vernietigd moet worden en de zaak door Uw Raad zelf kan worden afgedaan met afwijzing van de vorderingen en veroordeling van Samsung in de proceskosten volgens art. 1019h Rv.
in haar vorderingworden verklaard. Dit houdt een oordeel in over de vraag of een bepaalde vordering geldend kan worden gemaakt. Voor niet-ontvankelijkverklaring is aanleiding als de vordering niet kan slagen om processuele redenen, die buiten het materiële geschil liggen [16] . Een beroep op niet-ontvankelijkheid [17] is een verweer en in appel een verweer van de geïntimeerde tegen de vordering van de appellant tot (gedeeltelijke) vernietiging van het vonnis. Dat een appellant (hier: DR c.s.) aan een geïntimeerde (hier: Samsung) op deze wijze de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep zou kunnen onthouden, lijkt mij processuele ratio te missen. DR c.s. zullen hier niet materieel niet-ontvankelijkheid van zichzelf willen bepleiten. Dat zou namelijk tot gevolg hebben dat het voor de appellant ongunstige (gedeelte van het) vonnis in stand blijft en dat kan niet zijn beoogd. Voor zover de klachten deze strekking zouden hebben, stuiten deze zodoende af op gebrek aan belang. Waar het op neerkomt is dat moet worden onderscheiden tussen de vraag of Samsung in appel nog vorderingen kon instellen gebaseerd op overgedragen rechten enerzijds (nee) en de vraag of Samsung als formele procespartij ontvankelijk is in het weerspreken van de grieven van DR c.s. tegen de in eerste aanleg in het voordeel van Samsung toegewezen vorderingen, waarbij zij aangetekend dat DR c.s. in hoger beroep geen grief hebben gericht tegen de ontvankelijkheid van Samsung (aldus ook s.t. Samsung 2.6).
Euretco-arrest is uitgemaakt dat geen rechtsregel er zich tegen verzet dat een eiser die een vordering in eigen naam heeft ingesteld op enig moment in de procedure stelt dat die vordering al vanaf het begin of vanaf een later tijdstip bijvoorbeeld ten gevolge van een overgang van de vordering op een derde in eigen naam als lasthebber van de rechthebbende gelden maakt [22] . Samsung geeft bij s.t. 2.4 terecht aan dat het gegeven dat DR c.s. heeft weten tegen te houden in appel, toen hierover werd gedebatteerd, dat HP als formele procespartij in het geding zou verschijnen, niet betekent dat Samsung in appel niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.
Onderdelen 1.1-1.2miskennen dat het gegeven dat een eiser tijdens de procedure te kennen geeft de vordering als lasthebber ten behoeve van diens lastgever geldend te maken, geen wijziging brengt in hoedanigheid als procespartij [23] . De ingeroepen rechtspraak is hier niet van toepassing [24] . Evenmin is sprake van verschuiving van optreden als procespartij en ook al niet van eiswijziging.
Onderdeel 1.3mist feitelijke grondslag met de voorwaardelijke klacht dat het hof in rov. 4.1.4 met “zou zijn” mogelijk heeft bedoeld dat niet vast zou staan dat Samsung niet langer rechthebbende is van de ingeroepen rechten, omdat hier alleen op de eigen stellingen van DR c.s. wordt gerespondeerd en tot uitdrukking wordt gebracht wat het standpunt van DR c.s. is.
Onderdeel 1.4.1klaagt over de passage “door (...) HP-Printing gestelde overdracht” in rov. 1.4.1 en dat mist ook feitelijke grondslag, nu het hof wel degelijk heeft geoordeeld dat HP materiële procespartij is middels lastgeving. Ook
onderdeel 1.4.2miskent dat Samsung op grond van lastgeving kon doorprocederen. Dat bezegelt ook het lot van
onderdeel 1.4.3, dat slechts op de onderdelen 1.4.1 en 1.4.2 voortbouwt.
Onderdeel 1.5mist feitelijke grondslag met de veronderstelling dat het hof heeft geoordeeld dat de betwisting van de overdracht door DR c.s. onvoldoende is onderbouwd, nu het hof in rov. 4.1.4 aangeeft niet over de geldigheid van de overdracht te hoeven oordelen bij gebrek aan belang, aangezien zowel de formele als de materiële procespartij bij de zaak betrokken zijn.
Onderdeel 1.6ontbeert zelfstandigheid en is een inleiding tot onderdelen 1.7 en 1.8.
Onderdeel 1.7klaagt dat de vorderingen in deze zaak alleen in naam van HP kunnen worden ingesteld en daarvoor heeft Samsung volmacht nodig van HP, die zij niet zou hebben. Dit miskent dat lastgeving kan worden gecombineerd met volmacht: lastgeving met en zonder volmacht verschilt hierin dat in het eerste geval sprake is van directe vertegenwoordiging door de lasthebber, zodat de lasthebber in naam van de lastgever kan optreden. Zonder volmacht kan dat alleen in eigen naam [25] . Samsung treedt in deze zaak op in eigen naam als lasthebber van HP en dat is een vorm van middellijke vertegenwoordiging (in gelijke zin s.t. Samsung, 2.27-2.32) [26] . Ook
onderdeel 1.8ziet dit verschil niet onder ogen en ketst daar op af.
Onderdeel 1.9klaagt over de niet gevolgde niet-ontvankelijkverklaring van Samsung door het hof en wordt uitgewerkt in onderdelen 1.9.1-1.9.4. O
nderdelen 1.9.1-1.9.3zijn (zonder klachten) als inleiding te beschouwen op
onderdeel 1.9.4, met de klacht dat het in strijd is met de twee-conclusieregel of de beginselen van een goede procesorde om zich pas na antwoord in appel op lastgeving te beroepen, nu dat wijziging van de eis(grondslag) zou meebrengen, maar dat is niet zo: door lastgeving wijzigt de eis(grondslag) niet, aldus
[…] /NN II,rov. 4.4.2 (eerder aangehaald). Dat een lasthebber ter behartiging van belangen van een ander optreedt, behoeft pas te worden gesteld en zo nodig bewezen indien het verweer van de wederpartij daartoe aanleiding geeft [27] en dat geldt ook in hoger beroep [28] . De motiveringsklacht lijkt mij ook tevergeefs.
Onderdeel 1.10klaagt dat de
Confirmation of Mandatedie is overgelegd niet zou volstaan. Alleen de
onderdelen 1.10.4-1.10-6bevatten voldoende als zodanig kenbare cassatieklachten met het betoog dat in de door het hof aangehaalde tekst geen opdracht van HP-Printing aan Samsung kan worden gezien. Dat kan niet tot cassatie leiden, omdat uitleg van deze overeenkomst als gedaan in rov. 4.1.3 is voorbehouden aan het hof als feitenrechter. Onbegrijpelijk is deze uitleg evenmin. De klacht uit onderdeel 1.10.6 dat niet is gerespondeerd op argumentatie over de geldigheid van de ondertekende versie van de overeenkomst mist belang, nu het hof het oordeel over de lastgeving kennelijk ook heeft gegrond op Samsungs stellingen bij akte van 1 oktober 2019, met daarbij gevoegd de niet getekende versie, en ook op het verhandelde ten pleidooie. Ook zonder te oordelen over de handtekeningen kon worden geoordeeld dat sprake was van lastgeving. Dit tekent ook het lot van de
onderdelen 1.10.7-1.10.9en het louter voortbouwende
onderdeel 1.11.
gevolghebben dat afvaltoner kan weglekken. Daarom noemt het hof ophoping en klontering ook wel oorzaken van weglekken (rov. 4.2.2 eindarrest). Er worden dus twee problemen binnen de tonercartridges geïdentificeerd die het lekken van afvaltoner kunnen veroorzaken. Dit staat helder beschreven in rov. 4.2.20 eindarrest, waarop DR c.s. ook wijzen (2.1.2, 2.3 en vt. 47 procesinleiding):
tweevraagstukken (synoniem: problemen) zijn waar EP 537 twee afzonderlijke oplossingen voor biedt, namelijk het dieper gelegen deel en het transportorgaan. Lekkage is de vervelende omstandigheid (synoniem: probleem) die door EP 537 wordt verholpen. Het hof gebruikt telkens het woord ‘probleem’, waardoor kennelijk verwarring kan ontstaan, gelet op de lezing van van DR c.s. In die volgens mij onjuiste lezing zou het hof vaststellen dat de lekkage het
enkelevraagstuk (probleem) is dat opgelost zou moeten worden, waarvoor volgens EP 537 zowel het dieper gelegen deel, als het transportorgaan nodig zijn. Gevolg is dat om dit vraagstuk op te lossen het ene (dieper gelegen deel) in deze lezing niet zonder het andere (transportorgaan) zou kunnen.
onderdeel 2.6.1houdt in dat het hof zou hebben miskend dat indien door schending van het vereiste van eenheid van uitvinding onduidelijkheid over de uitvindingsgedachte kan ontstaan omdat meerdere uitvindingen worden beschreven, die onduidelijkheid bij de uitleg voor rekening en risico van de octrooihouder moet komen. Deze klacht gaat bij gebrek aan feitelijke grondslag niet op, omdat het hof juist heeft geoordeeld dat EP 537 wél duidelijk is, ondanks de omstandigheid dat EP 537 meerdere uitvindingen bevat. Zonder onduidelijkheid is er ook geen reden voor toepassing van de door DR c.s. beschreven uitlegregel.
onderdeel 2.6.2klagen DR c.s. dat onbegrijpelijk is dat het hof oordeelt “dat EP 537 meerdere, los van elkaar staande, uitvindingen bevat”, omdat niet duidelijk zou zijn welke uitvindingen dit zijn. Dit gaat niet op. Het hof respondeert hiermee op de stellingen van DR c.s. dat EP 537 drie uitvindingen zou bevatten [29] , waaronder de vinding in prioriteitsaanvrage KR 6500 waaraan de in onze zaak aan de orde zijnde conclusies zijn ontleend. De andere twee vindingen stammen uit prioriteitsaanvragen KR 5758 en KR 0473, aldus DR c.s. Het is zodoende duidelijk op welke uitvindingen het hof doelt, zodat de klacht faalt.
onderdeel 2.6.3klagen DR c.s. dat onduidelijk is wat het hof bedoelt met “dit aspect van de uitvinding”. Dat lijkt mij wel duidelijk. In (het vervolg van) rov. 4.2.1 en met name in rov. 4.2.2 - 4.2.3 eindarrest legt het hof uit dat het aspect dat in deze zaak aan de orde is (de conclusies afkomstig uit prioriteitsaanvrage KR 6500) twee problemen omvat met twee verschillende oplossingen. Zoals hiervoor toegelicht, zijn dat het klonterprobleem (oplossing: transportorgaan) en het ophopingsprobleem (oplossing: dieper gelegen deel). Met de oplossingen wordt voorkomen dat afvaltoner weglekt. Het is daarmee helder waarop het hof doelt met “dit aspect van de uitvinding”, zeker in combinatie met de achter deze frase – als uitleg bedoelde en tussen gedachtestreepjes geplaatste – toevoeging: ‘het voorkomen dat afvaltoner weglekt’. Het voorkomen van dit weglekken is een aspect van EP 537
in zijn geheel.
gecombineerdgebruik van de twee afzonderlijke oplossingen (het transportorgaan en het dieper gelegen deel) voor ‘het lekkageprobleem’.
in algemene zin– al door andere krachten voldoende wordt verplaatst om
ophopingmet behulp van het dieper gelegen deel te voorkomen. Het transportorgaan heeft als specifiek doel
geklonterdeafvaltoner te verplaatsen en los te maken (zie met name rov. 4.2.27 eindarrest).
onderdeel 2.7.1klagen DR c.s. dat het standpunt van DR c.s. uit MvG 6.15.6 onvolledig wordt weergegeven en dat dit onbegrijpelijk zou zijn. Deze klacht lijkt mij geen doel te kunnen treffen. Hoewel het standpunt niet woordelijk is overgenomen, is niet onbegrijpelijk hoe het hof het in het arrest verwoordt. In de MvG staat t.a.p. namelijk: “[…] EP 537 leert de vakman dat dit probleem zich bij normaal gebruik van een printer tijdens de reguliere levensduur van een cartridge in ieder geval zou voordoen, althans EP 537 leert de vakman niet dat dit probleem zich bij regulier gebruik van een cartridge tijdens de levensduur van een cartridge niet kan of niet zal voordoen.” Het woord ‘althans’ kondigt een beperkende nevenschikking van het zinsdeel ervoor aan. In dit geval volgt dat DR c.s. het standpunt dat het probleem zich in ieder geval zal voordoen,
a contrarioafleiden uit (de beschrijving van) EP 537. Dat het hof deze uitleg weglaat, maakt de overweging niet onbegrijpelijk. Het standpunt is en blijft immers dat het klonterprobleem zich zal voordoen bij regulier gebruik tijdens de levensduur van een cartridge.
onderdeel 2.7.2is gericht tegen de overweging van het hof dat DR c.s. onvoldoende heeft onderbouwd dat het klonterprobleem zich in die mate zou voordoen dat de gemiddelde vakman conclusies 1 en 2 van EP 537 niet plausibel zou achten. Deze klacht gaat opnieuw uit van de door DR c.s. veronderstelde onjuiste uitvindingsgedachte, maar voegt daar nu nog aan toe dat deze uitvindingsgedachte ook zou leren dat wanneer het klonterprobleem zich voordoet dat ook noodzakelijkerwijs het lekkageprobleem veroorzaakt. Voor deze stelling is geen vindplaats gegeven, zodat de klacht alleen al hier op stuk loopt. Bovendien leert par. 62 van de beschrijving (aangehaald in MvG 6.15.6) dat de afvaltoner naar buiten
kan(niet: zal) lekken als gevolg van het klonterprobleem. De klacht van DR c.s. dat onbegrijpelijk zou zijn wat het hof bedoelt met ‘in die mate’ kan ook niet slagen. In de context van deze overweging over de frequentie waarin het klonterprobleem zich voordoet tijdens de levensduur van een cartridge (in ieder geval een keer?), heeft het hof evident het oog op het onvoldoende onderbouwen door DR c.s. van de frequentie waarmee het klonterprobleem zich voordoet.
onderdeel 2.7.3en
onderdeel 2.7.4nemen beiden als uitgangspunt dat het hof zou uitgaan van de door DR c.s. voorgestane uitvindingsgedachte, die zoals we gezien hebben berust op een verkeerde lezing van het arrest (zie 3.18-3.19). Daarom kunnen deze klachten geen doel treffen.
onderdeel 2.7.5gericht tegen het deel van rov. 4.2.28 eindarrest waarin het hof overweegt dat met het gebruik van het woord ‘may’ in par. 62 (kolom 8, r. 52 in de zinsnede “the waste toner (…) may be hardened by residual heat”) van de beschrijving nadrukkelijk tot uitdrukking wordt gebracht dat het klonterprobleem zich kán voordoen, maar dit niet noodzakelijkerwijs het geval is. Anders dan DR c.s. betogen, betekent dit niet dat het hof overweegt dat het klonterprobleem zich gedurende de levensduur van een cartridge helemaal niet voordoet of kan voordoen. Het verdere betoog van DR c.s. dat erop neerkomt dat het woord ‘may’ in de context van deze beschrijving ook ‘zullen’ of ‘moeten’ zou kunnen betekenen, leidt tot niets. Het hof heeft op begrijpelijke wijze kunnen oordelen dat het woord ‘may’ uitdrukt dat iets mogelijk is, maar zich niet noodzakelijkerwijs hoeft voor te gaan doen. Zoals Samsung terecht aanvoert (s.t. 2.74 [30] ) is de enkele omstandigheid dat een andere uitleg op basis van de stellingen of stukken denkbaar (of zelfs aannemelijker) is, onvoldoende voor cassatie op grond van onbegrijpelijkheid. De klacht geeft ook niet aan waarom de hofuitleg hier niet zou volstaan.
onderdeel 2.8vallen DR c.s. weer terug op hun onjuist bevonden lezing dat EP 537 het enkele vraagstuk van lekkage zou oplossen en dat daarom het dieper gelegen deel niet zonder het transportorgaan zou kunnen (zie 3.12-3.13). Dat doet de klachten tegen rov. 4.2.28 eindarrest al de das om.
onderdeel 2.9richten DR c.s. hun pijlen op rov. 4.2.29 eindarrest. Indien en voor zover het hof daar oordeelt dat het transportorgaan niet noodzakelijk zou zijn om het klonterprobleem op te lossen, is dat onbegrijpelijk in de ogen van DR c.s. Deze klacht slaagt niet bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu deze lezing niet in het hofoordeel besloten ligt. Integendeel, het hof begint rov. 4.2.29 eindarrest met de zin: “Ook anderszins bestaat geen aanleiding aan te nemen dat de gemiddelde vakman de toepassing van een transportorgaan noodzakelijk zou achten om het
ophopingsprobleemop te lossen.” (onderstreping toegevoegd, A-G; het gaat hier dus om het ophopingsprobleem volgens het hof, niet om het klonterprobleem).
klonterprobleem, maar voor het oplossen van het
ophopingsprobleem. Daarmee is ook de rechtsklacht tegen de passage in rov. 4.2.28 eindarrest tevergeefs dat het aan DR c.s. is om ‘dat’ (terugverwijzend) te onderbouwen.
onderdeel 2.11klagen DR c.s. dat rov. 4.2.30 eindarrest onjuist en onbegrijpelijk is
voor zoverhierin moet (of kan) worden gelezen dat deze ziet op het plausibiliteitsverweer betreffende het klonterprobleem. De overweging kan niet zo worden gelezen, want er staat duidelijk dat het gaat om de plausibiliteit van conclusies 1 en 2 (die zien op het ophopingsprobleem). De klacht mist daarom feitelijke grondslag.
onderdeel 2.12vallen DR c.s. rov. 4.2.32 eindarrest aan. Het hof zou miskennen dat de mogelijkheid dat het klonterprobleem zich voordoet al in de weg staat aan de nawerkbaarheid en industriële toepasbaarheid van conclusies 1 en 2, omdat zonder een transportorgaan het klonterprobleem niet kan worden opgelost. Opnieuw mist dit feitelijke grondslag, omdat DR c.s. ook hier uitgaan van hun verkeerde lezing, kort gezegd dat EP 537 het enkele vraagstuk van lekkage zou oplossen en dat daarom het dieper gelegen deel niet zonder het transportorgaan zou kunnen (zie 3.12-3.13). De klacht faalt op vergelijkbare gronden als onderdelen 2.6-2.7.
onderdeel 2.13bevat een klacht tegen rov. 4.2.32 eindarrest. Deze overweging ziet op de nawerkbaarheid en industriële toepasbaarheid van de maatregelen in conclusies 1 en 2 (oplossing
ophopingsprobleem). Als ik de klacht goed begrijp (ook Samsung heeft moeite te begrijpen wat er betoogd wordt, vgl. s.t. 2.86-2.88), had het hof volgens DR c.s. moeten ingaan op de stelling, althans als vaststaand moeten aannemen, dat het klonterprobleem niet (per se) zou (hoeven te) bestaan. Ik zie niet in hoe dit zou moeten leiden tot de slotsom dat conclusies 1 en 2 niet nawerkbaar of toepasbaar zouden zijn. Zoals veel van de klachten hiervoor, gaat DR c.s. kennelijk ervan uit dat de oplossing voor het ophopingsprobleem niet zonder een oplossing voor het klonterprobleem zou kunnen bestaan. Zoals wij hiervoor bij herhaling hebben gezien, is dat onjuist. De klacht is daarmee tevergeefs voorgesteld.
undue burdenkan vervaardigen
en (aldus) de uitvinding volgens die conclusies kan toepassen.Immers, de uitvinding volgens conclusie 1 en 2 is een voortbrengsel met bepaalde structurele kenmerken en Maxperian c.s. heeft niet gesteld dat het maken van dit voortbrengsel op bezwaren zou stuiten.
Nu bovendien het in geschil zijnde technische effect van de in conclusie 1 en 2 geclaimde maatregelen zelf niet in de conclusies is opgenomen, kan niet worden geoordeeld dat de geclaimde materie niet nawerkbaar is.” [Onderstreping A-G]
onderdeel 2.15deelt het lot van deze tevergeefs voorgestelde klachten.
onderdeel 2.16. DR c.s. richten zich op de laatste zin van deze overweging:
onderdeel 2.17volgt een klacht tegen rov. 4.2.34 eindarrest (een overweging ten overvloede) die volgens DR c.s. op dezelfde gronden onderuit zou moeten gaan als die waarop het plausibiliteitsoordeel is aangevallen in onderdeel 2. Een voortbouwklacht dus, die het lot deelt van de voorafgaande klachten. Dit geldt ook voor de voortbouwklachten in
onderdelen 2.18 en 2.19.
ongenummerde motiveringsklacht(op p. 52 procesinleiding; ook Samsung leest dat zo, vgl. s.t. 2.101) tegen rov. 4.2.8 eindarrest. De klacht is dat onbegrijpelijk is welk standpunt van DR c.s. is bedoeld in de laatste zin van rov. 4.2.8 “Dat standpunt wordt verworpen.” Volgens DR c.s. behandelt het hof hier niet één, maar twee standpunten van DR c.s., waartussen het hof een onjuiste verbinding zou leggen met het woord ‘daarom’, namelijk (i) dat het conclusie-element ‘dieper gelegen deel’ van conclusie 1 gelet op
Medinol/Abbottfunctioneel moet worden uitgelegd en (ii) dat de beschermingsomvang daarom beperkt is tot cartridges waarbij het ophopingsprobleem zich voordoet (hetgeen volgens DR c.s. niet zo is bij cartridges volgens US 211, die DR c.s. toepassen). Dat zijn volgens de klacht inhoudelijk twee verschillende standpunten. Met ‘daarom’ gaat het hof er volgens de klacht kennelijk van uit dat (ii) gebaseerd zou zijn op (i), maar dat is gelet op de betreffende standpunten van DR c.s. ontoereikend gemotiveerd.
Medinol/Abbott(over uitleg) is dat bij de afwezigheid van het probleem er ook geen sprake is van inbreuk en vervolgens in 10.4:
Dieper gelegen deel lost geen afvaltonerprobleem op.Het dieper gelegen deel vervult dan ook niet de conclusie 1 en 2 van EP 537 daaraan toegedachte functie, zodat de enkele aanwezigheid daarvan ook niet met zich brengt dat sprake is van een inbreukmakende inrichting (conform de
Medinol-leer).”
Medinol-leer hier te ver oprekken.
onderdeel 3.1klagen DR c.s. dat rov. 4.2.9 eindarrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting in het licht van de arresten
Resolution/Astrazeneca [34] en
Bayer/Sandoz [35] . Het hof zou namelijk in het geheel niet stilstaan bij of ingaan op het gezichtspunt van de (achter de woorden van de conclusies liggende) uitvindingsgedachte, maar ten onrechte van oordeel zijn dat het gezichtspunt van de uitvindingsgedachte alleen in ogenschouw dient te worden genomen wanneer de beschrijving de vakman daar een concrete aanleiding voor geeft. Dit oordeel is niet in rov. 4.2.9 te lezen, zodat de klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Bayer/Sandoz [38] heeft Uw Raad in rov. 3.3.5 een overzicht gegeven van de rechtspraak van de Hoge Raad over art. 69 EOV Pro en het Protocol en daar is vervolgens naar verwezen in de latere arresten
MSD/Teva [39] en
Resolution/AstraZeneca [40] .
Bayer/Sandozgeformuleerde, als vaste rechtspraak te beschouwen, uitlegregel en de duiding daarvan door Uw Raad luidt zo (voor zover voor onze zaak van belang):
Medinol/Abbott [41] . Dit toetsingskader is in cassatie op zichzelf ook niet bestreden. Octrooiuitleg is in Nederland volgens vaste rechtspraak feitelijk [42] . De ruimte voor toetsing van de uitleg van octrooien en de bepaling van de beschermingsomvang daarvan is in cassatie dan ook beperkt.
AGA/Occlutech-arrest volgt dat de vraag of bepaalde gezichtspunten in de beoordeling van de beschermingsomvang moeten worden betrokken afhangt van factoren als de aard van het octrooi, de beschrijving van de uitvinding en het partijdebat [43] . Volgens mij betrekt het hof in ieder geval de beschrijving én het partijdebat (‘onvoldoende gesteld’), zodat ook in dat licht de klacht van DR c.s. tevergeefs is voorgesteld, mede gelet op de beperkte ruimte in cassatie voor toetsing van de octrooiuitleg door het hof.
onderdeel 3.2richten zich ook tegen rov. 4.2.9 eindarrest, waarin het hof oordeelde dat de conclusies 1 en 2 niet zo beperkt kunnen worden gelezen als door DR c.s. voorgesteld. Het onderdeel start met een rechtsklacht die al niet kan slagen, omdat met een rechtsklacht niet met succes kan worden opgekomen tegen een feitelijk oordeel [44] . Het hof heeft het juiste toetsingskader toegepast. Maar ook als het als motiveringsklacht wordt opgevat (vgl. ook het einde van onderdeel 3.2, waarin DR c.s. stellen ontoereikend zou zijn gemotiveerd, naar ik begrijp omdat het hof er geen rekening mee houdt dat een ander conclusie-element van conclusie 1 duidelijk maakt dat het dieper gelegen deel een V-vorm moet hebben), treft de klacht geen doel. De lijn dat de gemiddelde vakman EP 537 in beperkte zin zou opvatten vanwege de V-vorm van het dieper gelegen deel, is niet naar voren gebracht in de stukken uit de feitelijke aanleg waar DR c.s. zich hier op beroepen [45] . Bovendien treft de klacht geen doel, omdat in mijn ogen niet wordt toegelicht waarom de aan- of afwezigheid van de V-vorm in de overweging van het hof de uitleg van conclusies 1 en 2 onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zou maken.
onderdeel 3.3is opnieuw gericht tegen rov. 4.2.9 eindarrest met de motiveringsklacht dat onbegrijpelijk is dat en op welke grond de omstandigheid dat het ophopingsprobleem voornamelijk in het middendeel wordt veroorzaakt, de vakman geen aanleiding zou geven te veronderstellen dat het dieper gelegen deel zijn zijwaarts verspreidende functie ter oplossing van het ophopingsprobleem niet zou hoeven te vervullen. Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat dit vermeende oordeel van het hof niet in rov. 4.2.9 eindarrest (in) te lezen valt. In plaats daarvan overweegt het hof dat de omstandigheid dat het ophopingsprobleem voornamelijk in het middendeel wordt veroorzaakt de vakman geen aanleiding geeft om te denken dat het afvaltonerophopingsprobleem zich bij bepaalde cartridges niet al voordoet. Volgens het hof zal de vakman zodoende menen dat het dieper gelegen deel zijn functie vervult.
eerste klachtis gericht op de passage dat niet valt in te zien, en DR c.s. onvoldoende hebben gesteld, dat en waarom de gemiddelde vakman zou veronderstellen dat het ophopingsprobleem zich bij bepaalde cartridges, in het bijzonder die volgens US 211, niet zou kunnen voordoen. Dit wordt als onbegrijpelijk beklaagd, omdat niet in te zien is dat het zich niet kunnen voordoen van een ophopingsprobleem in andere cartridges dan in EP 537 beschreven, relevant is voor de uitleg bij een cartridge volgens EP 537 waarbij het probleem zich wel voordoet. Deze klacht mist feitelijke grondslag, omdat uit de overweging van het hof juist volgt dat het ophopingsprobleem zich bij meer cartridges dan alleen die volgens EP 537 kan voordoen. Er wordt dus helemaal niet overwogen dat het ophopingsprobleem zich niet kan voordoen bij cartridges volgens een andere techniek dan EP 537, waar de klacht van uitgaat.
tweede (vervolg)klachtdat onbegrijpelijk is dat en waarom de vakman op grond van het feit dat het ophopingsprobleem zich bij de in EP 537 specifiek beschreven cartridge kennelijk
kanvoordoen, zou veronderstellen dat dit probleem zich om die reden bij andere cartridges die bekend zijn uit de stand van de techniek
moetvoordoen. Ook dit ontbeert feitelijke grondslag, omdat het hof overweegt dat niet is in te zien dat de vakman zou veronderstellen dat dit probleem zich “niet zou (kunnen) voordoen” bij andere cartridges dan die volgens de techniek van EP 537. Dat is een irrealis en geen ‘moeten’, zoals de klacht ten onrechte veronderstelt.
derde klachtuit onderdeel 3.3 stellen DR c.s. dat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden, omdat Samsung niet zou hebben aangevoerd dat het ophopingsprobleem zich zou kunnen voordoen bij ‘uit de stand van de techniek cartridges’ waarin dat probleem niet wordt geopenbaard, zoals US 211. Dit mist andermaal feitelijke grondslag, omdat Samsung dit wel heeft aangevoerd [46] . Dit maakt ook dat de (vervolg)stelling dat het hof niet kon overwegen dat het aan DR c.s. was om het tegendeel van een niet door Samsung geponeerde veronderstelling te stellen en gemotiveerd te weerleggen niet tot cassatie kan leiden.
klonteringvanwege warmte die een printer afgeeft en de vakman zal inzien dat de vraag of het klonteringsprobleem zich voordoet afhankelijk is van de gebruikte printer. Omdat rov. 4.2.9 eindarrest gaat over het
ophopingsprobleem dat zich kán voordoen in andere cartridges dan die volgens EP 537, mist deze klacht doel vanwege onjuiste lezing van het arrest. Zie 3.12-3.13 over het te maken onderscheid tussen de aan de orde zijnde ‘problemen’.
vijfde klachtvan dit onderdeel voeren DR c.s. aan dat zij hebben gesteld en onderbouwd dat de stand van de techniek leert dat er twee soorten cartridges zijn, namelijk met ophopingsprobleem (die volgens EP 537) en zonder ophopingsprobleem (bijv. US 211). Het hof is daar volgens de klacht niet op ingegaan, hetgeen een motiveringsgebrek oplevert. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof is hier wel op ingegaan met de overweging dat de stelling dat en waarom de gemiddelde vakman zou veronderstellen dat het ophopingsprobleem zich bij bepaalde cartridges (zoals die volgens US 211) niet zou kunnen voordoen, onvoldoende gemotiveerd is door DR c.s.
onderdeel 3.5vallen DR c.s. vervolgens dit oordeel van het hof in rov. 4.2.9 eindarrest (‘onvoldoende gemotiveerd’) met twee rechtsklachten aan. De eerste rechtsklacht is dat de stelplicht en bewijslast van de stelling dat het afvaltonerophopingsprobleem zich niet kan voordoen bij cartridges volgens de stand van de techniek ten onrechte bij DR c.s. zijn gelegd (een negatief feit). In de tweede plaats is het hof hiermee buiten de rechtsstrijd getreden door niet (in strijd met art. 24 Rv Pro en art. 149 Rv Pro [47] ) aan te nemen dat het ophopingsprobleem zich niet voordoet bij cartridges volgens US 211, omdat dit door DR c.s. is gesteld en niet is weersproken door Samsung.
eerste klachtketst op het volgende af. DR c.s. zijn degenen die zich als verweer beroepen op de nietigheid van EP 537 en in dat kader de stelling innemen dat het ophopingsprobleem zich niet zou kunnen voordoen bij bepaalde cartridges. Dit is een bevrijdend verweer [48] (ja, mogelijk inbreuk, maar het octrooi is nietig), zodat de stelplicht bij DR c.s. rust. De klacht is tevergeefs. Voor zover DR c.s. bepleiten dat van hen niet gevergd kan worden dat zij de stelplicht (en bij voldoende betwisting, de bewijslast) dragen van een negatief feit, is dat – zo algemeen en gesimplificeerd gesteld – onjuist en zeker geen voldoende basis voor een eventuele omkering van de bewijslast [49] .
tweede klachtkomt neer op een herhaling van de hiervoor besproken derde klacht van onderdeel 3.4, die feitelijke grondslag mistte en dat geldt ook voor deze klacht van onderdeel 3.5.
onderdeel 3.6is gericht tegen rov. 4.2.9 eindarrest met klachten die zien op de passage waar het hof overweegt dat de vakman – gelet op de in EP 537 beschreven oorzaak van het probleem – “er daarom vanuit [zou] gaan dat in cartridges met de kenmerken volgens conclusie 1 (en 2) door het dieper gelegen deel de afvaltonerverspreidingsfunctie daadwerkelijk wordt vervuld.” Onbegrijpelijk is op welke grond de in EP 537 beschreven oorzaak van het ophopingsprobleem de vakman zou doen veronderstellen dat de verspreidingsfunctie wordt vervuld. Dat lijkt mij gezien de context van de bepaling van de beschermingsomvang waarin deze overweging is gegeven niet opgaan bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof neemt aan dat de vakman er bij lezing van conclusies 1 en 2 van zal uitgaan dat de verspreidingsfunctie wordt vervuld, als deel van het antwoord op de stelling van DR c.s. dat de conclusie zo beperkt zou moeten worden gelezen dat de beschermingsomvang beperkt is tot cartridges waar het ophopingsprobleem zich voordoet. Dat die functie echt wordt vervuld door het dieper gelegen deel, althans dat dit plausibel is, zal de vakman
vervolgens(ook) concluderen zoals het hof uitwerkt in rov. 4.2.15 e.v. eindarrest.
onderdeel 3.7en wel opnieuw de passage waarin het hof overweegt dat de vakman “veeleer [zal] inzien dat het probleem in US 211 (en andere octrooischriften) niet is onderkend”. Dit is een feitelijk oordeel en daarom falen de rechtsklachten uit onderdeel 3.7 hiertegen [50] . De motiveringsklachten zijn ook tevergeefs. In wezen is het een herhaling van zetten van onderdeel 3.4, dat als besproken tevergeefs is voorgesteld. De
eerste motiveringsklachtacht onbegrijpelijk dat uit EP 537 niet zou volgen dat alle mogelijke tonercartridges het ophopingsprobleem dienen te hebben. Deze klacht mist feitelijke grondslag, omdat het hof alleen vaststelt dat de in EP 537 beschreven oorzaak geen aanleiding geeft te veronderstellen dat het ophopingsprobleem niet (ook) kán voorkomen in andere cartridges dan die volgens de techniek van EP 537. De
tweede motiveringsklachtontwaart een motiveringsgebrek gegeven de omstandigheid dat DR c.s. hebben aangevoerd dat het ophopingsprobleem kan worden voorkomen door de constructiemaatregelen van US 211. Deze klacht stuit af op het oordeel van het hof dat DR c.s. onvoldoende gemotiveerd hebben gesteld dat de vakman zou veronderstellen dat dit probleem zich bij o.a. US 211 niet zou (kunnen) voordoen. Al eerder hebben we gezien dat dat oordeel tevergeefs wordt bestreden.
onderdeel 4.1, die inhoudt dat op een nietig octrooi geen inbreuk kan worden gemaakt. Nu de klachten tegen het geldigheidsoordeel stranden, geldt dat ook voor deze klacht.
onderdelen 4.3 tot en met 4.7een herhaling van of voortbouwing op de klachten in onderdeel 3, zodat ook deze klachten niet kunnen slagen. Dat geldt dan ook voor de hier weer op voortbouwende klachten in
onderdelen 4.8 en 4.9.
onderdelen 5.1 tot en met 5.6het volgende:
geenaanleiding is om de bewijslast anders te verdelen dan op grond van de hoofdregel, behoeft in het algemeen geen nadere motivering [57] . Of iets volgt uit de eisen van redelijkheid en billijkheid is een rechtsvraag en dus toetsbaar in cassatie, maar de vermenging met feitelijke aspecten brengt mee dat deze toetsing beperkt is [58] .
onderdelen 5.7 en 5.8. De stelplicht en (bij voldoende betwisting) de bewijslast rusten volgens de hoofdregel op DR c.s. als de partij die de nietigheid van het octrooi in rechte probeert geldend te maken. Het hof behoefde zijn (impliciete) beslissing om geen andere bewijslastverdeling te hanteren niet nader te motiveren. In het oordeel van het hof ligt besloten dat de door DR c.s. genoemde omstandigheden het hof geen aanleiding hebben gegeven om op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere bewijslastverdeling te hanteren of te werken met een verzwaarde stelplicht voor Samsung. Dit is hier niet onbegrijpelijk of rechtens onjuist [60] , zeker gezien de terughoudende toetsing in cassatie van een dergelijk oordeel. Overigens zijn voor de meeste door DR c.s. genoemde omstandigheden die zouden nopen tot een andere bewijslastverdeling geen vindplaatsen genoemd of er wordt verwezen naar vindplaatsen waar de betreffende omstandigheid niet in de context van bewijslastverdeling is gehanteerd (zoals Samsung bij s.t. 2.141-2.142 terecht aangeeft). Ook voor de stellingen in cassatie dat het hof een verzwaarde stelplicht voor Samsung had moeten aannemen en toepassing had moeten geven aan art. 21 Rv Pro [61] , worden geen vindplaatsen uit de feitelijke instanties gegeven, zodat de klachten al daarop afketsen. Waarom het hof deze procesrechtelijke middelen had moeten toepassen, wordt overigens ook niet duidelijk gemaakt. Dat het oordeel van het hof – op het processuele punt [62] van bewijslastverdeling – strijdig zou zijn met de rechtsopvatting van het Europees Octrooibureau doet, wat daar verder van zij, niet ter zake, want het hof is aan die rechtsopvatting niet gebonden in deze nationale procedure waar nietigheid van een (al verleend) octrooi wordt gevorderd door de partij die wordt aangesproken op grond van een mogelijke inbreuk op dat octrooi [63] .
onderdeel 6.1keren DR c.s. zich tegen rov. 4.2.11 (en rov. 4.2.34) eindarrest waarin het hof – expliciet in navolging van rov. 4.8 van het vonnis – heeft overwogen dat het standpunt van DR c.s. dat het ophopingsprobleem niet zou bestaan en dat het probleem (dus) ook niet wordt opgelost, althans dat de gemiddelde vakman dat niet plausibel zou achten, een inventiviteitsverweer is. DR c.s. starten met twee rechtsklachten hiertegen. In de eerste plaats is dit onjuist, omdat het niet bestaan van een probleem losstaat van en voorafgaat aan de vraag of de oplossing wel werkt. Met Samsung (s.t. 2.157) zie ik niet wat het belang is bij deze klacht. Het hof beantwoordt namelijk in rov. 4.2.12 tot en met 4.2.14 eindarrest de vraag of het plausibel is dat het ophopingsprobleem bestaat (antwoord: ja) en de stelplicht en bewijslast van het niet plausibel zijn van het probleem blijft volgens de hoofdregel van art. 150 Rv Pro, bij DR c.s. rusten. Hierop ketst de eerste rechtsklacht al af.
enkelsprake zou zijn van een inventiviteitsverweer. Ook deze klacht gaat niet op. Het plausibiliteitsvereiste komt erop neer dat geloofwaardig moet zijn dat een bepaald technisch effect daadwerkelijk is bereikt (om het probleem op te lossen), want anders ontbreekt een voldoende bijdrage aan de stand van de techniek. Wat al bestaat (niet nieuw is) of niet-inventief is, kan niet worden geoctrooieerd [64] . Het niet voldoen aan het plausibiliteitsvereiste leidt tot een ongeldig octrooi, omdat de nawerkbaarheid of de inventiviteit ontbreekt. Als het gewenste technische effect onderdeel is van de conclusie, maar in het octrooi niet plausibel wordt gemaakt dat dit technische effect bereikt wordt door de leer van het octrooi, resulteert dit in niet-nawerkbaarheid. Indien het technisch effect geen onderdeel is van de conclusie maar van het onderliggende technisch probleem, is sprake van gebrek aan inventiviteit als het technische effect niet wordt bereikt [65] . Anders dan DR c.s. menen, heeft het hof niet miskend dat het niet plausibel zijn van het technisch effect kan leiden tot zowel niet-inventiviteit als niet-nawerkbaarheid. In rov. 4.2.11 eindarrest overweegt het hof weliswaar dat DR c.s. een inventiviteitsverweer voeren (en wijst het hof dat verweer af in rov. 4.2.12 tot en met 4.2.31 eindarrest), maar in rov. 4.2.33 - 4.2.34 eindarrest adresseert het hof dezelfde plausibiliteit in het kader van de nawerkbaarheid en industriële toepasbaarheid.
onderdeel 6.2dat zich richt tegen rov. 4.2.12 eindarrest. Ten eerste wordt onbegrijpelijk gevonden dat het hof heeft overwogen dat DR c.s. in par. 6.8 MvG het ophopingsprobleem en het dientengevolge weglekken van toner expliciet ‘evident’ hebben geacht. De litigieuze paragraaf uit de MvG luidt als volgt:
onderdeel 6.3vormt rov. 4.2.13 eindarrest en dan specifiek het deel waar het hof overweegt dat het enkele feit dat in de stand van de techniek niet is onderkend (of in elk geval niet is beschreven) dat het probleem van ophoping van afvalpoeder in de reinigingsruimte zich vooral in het midden daarvan (in de in EP 537 bedoelde zin) voordoet, nog niet betekent dat de gemiddelde vakman het bestaan van dit probleem onaannemelijk zou achten.
onderdeel 6.4vervolgen DR c.s. hun aanval op rov. 4.2.13 eindarrest, maar nu tegen de passage dat geen aanwijzing voor het niet bestaan van het ophopingsprobleem kan worden gevonden in de stelling van DR c.s. dat het weglekprobleem zich bij hun cartridges niet zou voordoen, omdat DR c.s. (in elk geval ook) de maatregelen volgens conclusies 1 en 2 toepassen, waarmee het probleem nu juist wordt opgelost.
onbegrijpelijkis dat het hof het bestaan van het weglekprobleem afleidt uit het feit dat in de cartridges van DR c.s. de maatregelen van conclusies 1 en 2 worden toegepast en dat die het probleem beweerdelijk oplossen. Deze klacht mist feitelijke grondslag, omdat dit op geen enkele manier uit het arrest te lezen valt. Het hof oordeelt – overigens geheel begrijpelijk – dat DR c.s. de conclusies 1 en 2 toepassen en dat daarom het niet voordoen van het weglekprobleem niets zegt over het bestaan van het probleem.
miskentdat DR c.s. ook de maatregelen van US 211 toepast waarmee het ophopingsprobleem wordt voorkomen. Deze (veronder)stelling is door het hof verworpen in rov. 4.2.9 eindarrest waar het hof samengevat overweegt dat DR c.s. onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat dit probleem zich niet zou kunnen voordoen bij cartridges volgens US 211. We hebben gezien dat dat tevergeefs wordt aangevallen in onderdeel 3.
rechtsklachtenslagen niet, omdat een feitelijke grondslag daarvoor ontbreekt. Zoals Samsung terecht aanvoert (s.t. 2.173) heeft zij de stelling van DR c.s. wél bestreden en is van een erkenning geen sprake. Ik citeer hierna CvR 2.52 (door DR c.s. aangehaald om erkenning aan te tonen) waaruit volgt dat volgens Samsung US 211 en EP 537 elkaar niet uitsluiten omdat ze verschillende doelen hebben:
motiveringsklachtenin dit onderdeel slagen gelet op vorenstaande evenmin, omdat deze uitgaan van het vaststaan van de stelling van DR c.s. dat bij toepassing van US 211 het ophopingsprobleem zich niet voordoet.
onderdeel 6.5richten zich tegen 4.2.13 en 4.2.31 eindarrest die onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd zouden zijn in het licht van rov. 4.2.30 eindarrest. Uit rov. 4.2.30 eindarrest volgt volgens de klacht dat het hof van oordeel is dat een cartridge conform EP 537 van Samsung tegelijkertijd ook een cartridge conform US 211 van Samsung is. Nu dit niet in rov. 4.2.30 valt te lezen, treffen deze klachten bij gebrek aan feitelijke grondslag geen doel. De voortbouwende klacht in
onderdeel 6.6deelt dit lot.
onderdeel 6.7nemen DR c.s. rov. 4.2.15-4.2.31 en 4.2.54 eindarrest op de korrel. Die overwegingen getuigen volgens het onderdeel van een
onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof ervan uitgaat dat de bewijslast inzake plausibiliteit van de oplossing van het ophopingsprobleem op DR c.s. rust in plaats van op Samsung. Deze klacht ketst af wat is besproken bij onderdeel 5 over stelplicht en bewijslast en de terechte toepassing door het hof van de hoofdregel van art. 150 Rv Pro (zie 3.66 e.v.), ook voor wat betreft dit punt van de plausibiliteit van de oplossing van het ophopingsprobleem.
ontoereikend gemotiveerdzijn, omdat het hof niet is ingegaan op de stelling van DR c.s. dat het dieper gelegen deel feitelijk geen verspreidingsfunctie heeft. Deze klacht faalt om meerdere redenen. Ten eerste ontbreekt een vindplaats in de gedingstukken voor deze stelling [69] , zodat de klacht feitelijke grondslag mist. Ten tweede wordt niet toegelicht waarom het niet (expliciet) betrekken van deze stellingname een motiveringsgebrek oplevert. Ten derde miskennen DR c.s. ook hier dat het hof niet is gehouden steeds alle door een partij aangedragen stellingen uitdrukkelijk in zijn motivering te betrekken (zie 3.79
in fine). Een verwerping kan ook impliciet [70] , hetgeen in mijn ogen in rov. 4.2.15-4.2.31 eindarrest is gebeurd.
rechtsklachtdie een herhaling van zetten is van onderdelen 6.2 en 6.3, zodat deze geen afzonderlijke bespreking behoeft.
onderdeel 6.8stellen DR c.s. rov. 4.2.16 eindarrest ter discussie. Het acht allereerst
onbegrijpelijkop welke grond het hof overweegt dat DR c.s. in MvG 8.6 – 8.8 het standpunt zou hebben ingenomen dat de gemiddelde vakman zou menen dat het nadeel van toegenomen druk ter plaatse van het dieper gelegen deel groter zou zijn dan het voordeel van de daardoor teweeg gebrachte zijwaartse verspreiding van afvaltoner. Gelet op met name het hierna geciteerde MvG 8.7 is die passage in mijn ogen niet onbegrijpelijk, waarbij het door mij onderstreepte deel laat zien dat DR c.s. stellen dat ongewenste drukopbouw (een nadeel) zich eerder zal voordoen dan de (wel gewenste) zijwaartse verspreiding.
dat eerder sprake is van de ongewenste drukopbouwen daarmee eerder sprake is van lekkage van afvaltonerpoeder.”
onderdeel 6.10, waarin DR c.s. klagen dat onbegrijpelijk is de verwerping van het standpunt van DR c.s. dat de gemiddelde vakman niet plausibel zou achten dat de in par. 76 e.v. beschreven oplossing (het dieper gelegen deel) in de praktijk zou werken zonder toepassing van een transportorgaan, omdat hij deze noodzakelijk zou achten voor de verplaatsing van de afvaltoner. Dit is onbegrijpelijk, omdat de rechtbank in rov. 4.8 van het vonnis (in appel niet bestreden) heeft vastgesteld dat het standpunt van DR c.s. is dat het probleem dat het octrooi beschrijft niet kan worden opgelost zonder de aanwezigheid van een afvaltonertransportorgaan, volgens DR c.s. “los van de vraag of de vakman een met de natuurwetten strijdig feit desondanks plausibel zou achten.”
onderdeel 6.12klagen DR c.s. over de passage in rov. 4.2.21 eindarrest “Dat deze kracht van de door de rotatiekracht van het fotogeleidende medium voortstuwende afvaltoner voldoende kan zijn voor de afvoer van afvaltoner was reeds geopenbaard in het – ook door DR c.s. aangehaalde – US 211, dat voor EP 537 behoort tot de stand van de techniek. Daarin is beschreven dat de hellingshoek van de reinigingseenheid daartoe ingesteld moet worden tussen 20o en 50o.” Deze overweging is volgens het onderdeel ontoereikend gemotiveerd, omdat het hof miskent dat door DR c.s. is aangevoerd en door Samsung niet is bestreden dat de stand van de techniek de gemiddelde vakman leert dat sprake is van twee elkaar uitsluitende technieken en dat dit als een tussen partijen vaststaand feit heeft te gelden, zodat het hof buiten de rechtsstrijd treedt.
secbehelst dat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden (onder verwijzing naar art. 24 Rv Pro en art. 149 Rv Pro) niet slagen in de vorm van een motiveringsklacht, omdat een rechtsoordeel wordt bestreden. Ten tweede betreft dit inhoudelijk een herhaling van een klacht uit onderdeel 6.4 (hoewel die als doelwit rov. 4.2.13 eindarrest had), zodat ook de hier aan de orde zijnde klacht feitelijke grondslag mist nu Samsung de stelling van DR c.s. wel degelijk heeft bestreden (zie 3.83).
onderdeel 6.13(gericht tegen rov. 4.2.22-4.2.26 eindarrest) gaat ten onder in het kielzog van onderdeel 6.7 (zie 3.86 e.v.) waarnaar het verwijst.
onderdeel 6.14dat rov. 4.2.23 eindarrest ontoereikend gemotiveerd is. Het hof verwerpt daar de stelling (MvG 6.14.2(a)) dat Samsung zou hebben erkend dat volgens EP 537 sprake is van een volledige opvulling van het reinigingsgebied voordat dit wordt verplaatst naar het opslaggebied. DR c.s. wijzen op de volgende passage uit Samsung’s CvR 2.11:
volledigeopvulling, zodat wegens gemis aan feitelijke grondslag van ontoereikende motivering op dit punt geen sprake is. DR c.s. wijzen specifiek op het woordje ‘waarna’, maar dat geeft slechts aan dat eerst ophoping en dan verplaatsing plaatsvindt. Hoeveel ophoping plaatsvindt (volledig of gedeeltelijk), staat er niet. Uitleg van gedingstukken is feitelijk en van onbegrijpelijkheid is hier geen sprake – al helemaal niet in het licht van de bestrijding door Samsung van het volledige ophopings-argument van DR c.s., zoals Samsung bij s.t. 2.193 terecht aangeeft (o.v.n. CvR/CvA rec 2.40 en 2.43-2.46).
onderdeel 6.15. Omdat het oordeel van het hof op dit punt draait om een door DR c.s. in het geding gebrachte tekening, geef ik die hier weer:
volledigzal vullen met afvaltoner op de manier zoals met zwart ingetekend in de figuur en dat daarna pas afvaltoner naar het opslaggebied (23) wordt verplaatst. Deze klacht mist feitelijke grondslag en faalt derhalve, omdat Samsung wel degelijk heeft weersproken dat de reinigingsruimte zich volledig zal vullen alvorens verplaatsing naar de afvalcontainer kan plaatsvinden, door te stellen (zie m.n. CvR 2.11 en 2.43-2.46) dat de afvaltoner geleidelijk wordt verplaatst richting de afvalcontainer (en dus niet wordt gewacht tot volledige opvulling) door de duwkracht van de rotatie van het fotogevoelig medium en de constante toevoer van afvaltoner. Dit neemt het hof verderop in rov. 4.2.24 eindarrest ook over als onderbouwing voor de verwerping van het standpunt van DR c.s. door te overwegen: “De gemiddelde vakman zou bovendien juist aannemen dat de duwkracht van de aangevoerde afvaltoner (en de roterende fotogeleider) een dergelijke ophoping voorkomt.” Het hof wijst ter adstructie op par. 62 van de beschrijving, een passage waarnaar Samsung in deze context ook had verwezen (CvR 2.45). De lezing van die passage is niet onbegrijpelijk, mede gelet op de verdere uitleg in rov. 4.2.26 eindarrest dat het voor de vakman duidelijk is dat
voldoendeafvaltoner in de reinigingsruimte moet zijn opgehoopt om de nieuw aangevoerde afvaltoner in staat te stellen daarop druk uit te oefenen. Hierop stuiten alle andere klachten in dit onderdeel af, mede omdat het oordeel over de duwkracht die de door DR c.s. geschetste ‘volledige’ ophoping voorkomt zelfstandig draagt.
Onderdeel 6.16is een puur op onderdeel 6.15 voortbouwende klacht tegen rov. 4.2.25, die gelet op de bespreking van onderdeel 6.15 geen afzonderlijke bespreking behoeft. Het onderdeel faalt.
onderdeel 6.17komen DR c.s. in het geweer tegen rov. 4.2.26 eindarrest. De eerste reeks klachten zien op de openingszin van deze overweging, die luidt: “Het is voor de gemiddelde vakman duidelijk dat er voldoende afvaltoner in de reinigingsruimte moet zijn opgehoopt om de nieuwe aangevoerde afvaltoner in staat te stellen daarop druk uit te oefenen en die in beweging te brengen.” De klacht is in de kern dat onbegrijpelijk is op welke grond het hof tot dit oordeel komt, hetgeen in strijd zou met ‘de natuurwetten’.
onderdeel 6.18gericht tegen rov. 4.2.15-4.2.26 eindarrest kunnen gelet op de voorafgaande bespreking (vanaf 3.86) ook niet slagen.
onderdeel 6.19richten DR c.s. hun pijlen op rov. 4.2.27 eindarrest. In de eerste twee zinnen van het onderdeel staan voortbouwklachten die het lot delen van de hiervoor besproken klachten. Vanaf de derde zin klagen DR c.s. dat onbegrijpelijk is dat het hof overweegt dat de gemiddelde vakman zal inzien dat de functie van het transportorgaan niet is gelegen in het transporteren van afvaltoner in het algemeen. Uit de rest van de overweging van het hof, die ik hierna voor de leesbaarheid citeer, blijkt echter dat deze – door DR c.s. uit zijn verband gehaalde – passage goed te begrijpen is, zodat de klacht tevergeefs is voorgesteld. Ik meen dat duidelijk blijkt dat het hof wel
eentransportfunctie toekent aan het transportorgaan als het gaat om
geklonterdeafvaltoner, maar dat – zeker in de context van de bespreking van het ophopingsprobleem – niet kan worden gesproken van een transportfunctie
in het algemeen,omdat die functie wordt vervuld door de kracht van nieuw aangevoerde afvaltoner (vgl. in gelijke zin s.t. Samsung 2.212). De bestreden overweging luidt in zijn geheel als volgt:
onderdeel 6.20tegen rov. 4.2.29 eindarrest. In de kern wordt betoogd dat het hof het transportorgaan weginterpreteert. In mijn ogen is deze lezing van de overweging onjuist, omdat het hof het orgaan niet weginterpreteert, maar in de overweging (nogmaals, zie de verwijzing naar rov. 4.2.20 e.v. eindarrest) uitlegt dat het voor de gemiddelde vakman duidelijk is dat het transportorgaan niet noodzakelijk is voor het
ophopingsprobleem (conclusies 1 en 2) maar wél nodig is voor het afzonderlijke
klonterprobleem. Het hof kon tegen die achtergrond, zoals het op begrijpelijke wijze overweegt, aannemen dat de gemiddelde vakman dit niet anders zal gaan zien door het meewegen in zijn beoordeling van tekeningen van uitvoeringsvoorbeelden waar het transportorgaan voorkomt en het meewegen van de uitvoeringsvorm beschreven in par. 13 van het octrooischrift. Met andere woorden (vgl. in gelijke zin s.t. Samsung 2.215), het hof kon oordelen dat deze tekeningen en beschrijving de gemiddelde vakman niet leiden tot de conclusie dat het transportorgaan
noodzakelijkis voor oplossing van het ophopingsprobleem.
Onderdeel 6.21richt zich met klachten tegen rov. 4.2.30 eindarrest en begint met een herhaling van zetten over de bewijslastverdeling. Ik verwijs wederom naar de eerdere bespreking van dit onderwerp (zie m.n. 3.66 e.v.) waaruit volgt dat de klacht faalt.
Toepassing stand van de techniek US 211.Het feit dat de cartridges van appellanten géén afvaltonerprobleem kennen komt doordat in die cartridges per saldo de uit US 211 bekende inzichten worden toegepast (MvG onder 18). Toepassing van de stand van de techniek kan naar zijn aard geen inbreuk zijn.
cleaning blade 182” hellingshoeken van niet meer dan 50o (claim 2) en bij voorkeur niet meer dan 35o (claim 3) worden gehanteerd.
onderdeel 6.22richten zich tegen rov. 4.2.31 en 4.2.54 eindarrest en kunnen niet slagen wegens de tevergeefse hiervoor besproken klachten van onderdeel 6.
onderdelen 6.22.1 en 6.22.2doen DR c.s. nog een poging om rov. 4.2.21 eindarrest onderuit te krijgen, maar zij gaan daarbij uit van de hiervoor besproken (zie m.n. 3.50, 3.82, 3.83, 3.104) onjuiste veronderstellingen dat zou vaststaan dat US 211 en EP 537 elkaar uitsluitende technologieën zijn en dat bij toepassing van US 211 geen ophopingsprobleem zou kunnen voorkomen. Deze klachten zijn daarom ook tevergeefs. Ook missen de klachten feitelijke grondslag, omdat in rov. 4.2.21 eindarrest niet staat dat US 211 het ophopingsprobleem voorkómt, zoals DR c.s. beweren. Het hof overweegt alleen dat instelling van de hellingshoek (volgens US 211) ervoor kan zorgen dat de duwkracht van de afvaltoner voortgestuwd door de rotatiekracht van het fotogeleidende medium voldoende kan zijn voor de afvoer van afvaltoner.
Onderdelen 6.2.23 en 6.2.24bevatten voortbouwklachten die in het licht van de voorgaande bespreking van de klachten in onderdeel 6 niet kunnen slagen.
onderdelen 7.1- 7.4voort op herhaaldelijk besproken en verworpen stellingen van DR c.s. uit de vorige onderdelen, zodat al deze klachten tevergeefs zijn. Het betreft de stellingen dat de aanvoer van nieuwe afvaltoner niet in staat zou zijn afvaltoner zodanig te verplaatsen dat ophoping wordt voorkomen, dat het transportorgaan het enige in EP 537 beschreven element zou zijn waarmee opgehoopte afvaltoner in beweging kan worden gebracht en dat een cartridge volgens US 211 geen ophopingsprobleem kent.
Onderdelen 7.5 en 7.6bevatten een herhaling van zetten van en verwijzing naar onderdelen 6.1, 6.2 en 2.17, die allemaal niet slagen, zoals hiervoor besproken is.
Onderdelen 7.7 en 7.8bevatten klachten die voortbouwen op de andere klachten in dit onderdeel, zodat ook deze klachten falen.
onderdelen 8.1 en 8.2zijn gericht tegen rov. 4.2.35 (in het eindarrest gegeven onder het kopje: Misbruik van octrooirecht). De klachten in deze subonderdelen gaan uit van het slagen van één of meer van de klachten in onderdelen 2 tot en met 7 en zoals wij hebben gezien, gaan die klachten niet op, zodat de klachten van onderdelen 8.1 en 8.2 dit lot delen. Voor zover DR c.s. een zelfstandig betoog (bedoelen te) voeren dat Samsung een machtspositie zou hebben en daarvan misbruik zou maken, is dit standpunt niet onderbouwd en ontbreken vindplaatsen uit de stukken in feitelijke instanties.
onderdelen 8.3 tot en met 8.5. Deze zijn gericht op rov. 4.2.38 en rov. 4.2.39 (in het eindarrest gegeven onder het kopje: Nietigheid / niet ontvankelijkheid wegens dubbele octrooiering). Kort gezegd overweegt het hof dat van dubbele octrooiering geen sprake is. Het hof baseert zich daarbij o.a. op de zelfstandig dragende grond dat conclusies 1 en 2 van EP 537 (dieper gelegen deel als oplossing voor het ophopingsprobleem) een ruimere beschermingsomvang hebben dan EP 538, omdat het transportorgaan geen deel uitmaakt van die conclusies (anders dan bij alle conclusies van EP 538). DR c.s. menen dat deze grond geen stand kan houden, omdat het hof zou miskennen dat in dit verband niet de (tekst van de) conclusies of de aan de conclusies toe te kennen beschermingsomvang beslissend is, maar de achter de woorden van de conclusie liggende uitvindingsgedachte. Onder verwijzing naar de hiervoor besproken (3.41 e.v.) Protocollaire uitleg en rechtspraak van Uw Raad over bepaling van de beschermingsomvang kan ik hier kort over zijn: de uitvindingsgedachte komt geen
beslissendebetekenis toe; het is een gezichtspunt bij de vaststelling van de beschermingsomvang van een octrooi, maar niet iets dat een zelfstandige plaats inneemt
tegenoverde conclusies of de daaraan toe te kennen beschermingsovang, zoals Samsung bij s.t. 2.236 terecht aangeeft. Dat wordt niet anders bij beantwoording van de vraag of sprake is van dubbele octrooiering. Daarvoor is nodig dat de beschermingsomvang wordt bepaald, en dat gebeurt niet op een andere wijze. Overigens heeft het hof in rov. 4.2.19-4.2.31 niet succesvol in cassatie bestreden geoordeeld dat conclusies 1 en 2 in het licht van de beschrijving en tekeningen geen aanwezigheid van een transportorgaan veronderstellen, zodat een transportorgaan in de ogen van het hof geen onderdeel is van de uitvindingsgedachte achter conclusies 1 en 2 (in gelijke zin s.t. Samsung 2.235). De klacht tegen dit zelfstandig dragende oordeel van het hof slaagt dus niet.
onderdelen 8.6 tot en met 8.8. Deze hebben als basis de veronderstelling dat van dubbele octrooiering sprake zou zijn, althans vormen een herhaling van het argument over de uitvindingsgedachte, althans bevatten aanvallen op onderdelen van de overwegingen van het hof die – bij het slagen van een klacht – het zelfstandig dragende oordeel van het hof over dubbele octrooiering niet kunnen raken.
onderdeel 8.9voortbouwen op de klachten in de vorige subonderdelen, falen deze klachten eveneens. Dit onderdeel bevat verder nog zelfstandige klachten tegen het oordeel van het hof in rov. 4.2.39 (in fine) dat van schending van art. 21 Rv Pro door Samsung, door niet uit eigen beweging EP 538 te openbaren, onder de gegeven omstandigheden geen sprake is. Het hof miskent daarmee volgens DR c.s. dat op grond van art. 21 Rv Pro op een procespartij de verplichting rust om in de dagvaarding de voor de beslissing mogelijk van belang zijnde feiten (naar waarheid) aan te voeren. De klacht acht het aangevallen hofoordeel verder ontoereikend gemotiveerd in het licht van de stellingen van DR c.s. over schending van art. 21 Rv Pro in feitelijke instanties, zoals dat moet worden voorkomen dat een partij nodeloos met bewijsproblemen wordt opgezadeld ter zake van feiten en omstandigheden waarvan de andere partij kennis draagt en die naar deze weet of behoort te weten voor de beslechting van het geschil relevant (kunnen) zijn.
Onderdeel 8.10, ten slotte, bevat een voortbouwklacht die gelet op de bespreking van onderdeel 8 ook niet kan slagen.
Onderdeel 9.1valt rov. 4.2.45 eindarrest aan, waarin het hof het door DR c.s. voorgestelde objectieve technische probleem verwerpt wegens
hindsight bias:
Sandoz/AstraZeneca [85] en
Coloplast/Medical4You [86] heb ik het standpunt ingenomen dat de als hulpmiddel bij de inventiviteitsbeoordeling dikwijls gehanteerde PSA, zo al gesproken kan worden van recht in de zin van art. 79 RO Pro, volgens mij hoogstens als
soft lawaan te merken is [87] . Indien geen sprake is van recht in de zin van art. 79 RO Pro, kunnen rechtsklachten hiertegen niet worden getoetst in cassatie [88] . Daar zou de klacht meteen al op afketsen.
[…] /Tiefenbacher [92] en
Leo Pharma/Sandoz [93] echter niet gehouden. Voor het oordeel dat een uitvinding inventiviteit ontbeert, is in beginsel voldoende dat de oplossing op een voor de hand liggende wijze voortvloeit uit de stand van de techniek, zo blijkt uit
Leo Pharma/Sandoz, rov. 3.5 (in rov. 3.6 gevolgd door de “regel dat de rechter de geoctroieerde werkwijze niet met kennis achteraf (‘hindsight’) mag beoordelen”).
hindsight biashaast niet te vermijden is [103] . Dat neemt niet weg (en dat zien DR c.s. met hun klacht over het hoofd) dat het risico dat men de uitvinding beoordeelt met gebruikmaking van later verkregen kennis [104] steeds zo klein mogelijk moet worden gehouden. Dit is exact wat het hof doet, door te overwegen dat het (destijds) niet bekende probleem van afvaltonerophoping in het middendeel van de reinigingsruimte is opgenomen in de probleemstelling. Hiermee miskent het hof juist niet dat het risico van
hindsight biasoftewel het incorporeren in de probleemstelling van de spreekwoordelijke wijsheid achteraf op de loer ligt. Wat het hof hier doet, geeft dan juist blijk van een juiste rechtsopvatting – ook los van de PSA, gelet op de hiervoor geciteerde “regel” uit rov. 3.6 uit het arrest
Leo Pharma/Sandozdat je de geoctrooieerde vinding niet met wijsheid achteraf mag beoordelen (vgl. 3.137; in gelijke zin s.t. Samsung 2.243 met verwijzing naar rov. 3.6 uit
Leo Pharma/Sandoz). Terzijde nog en hierop voortbordurend: is in rov. 4.2.45 überhaupt wel een beoordeling in de context van toepassing van de PSA aan de orde, nu de overweging aanvangt met: “Zonder overigens een deugdelijke problem solution approach analyse te hebben gemaakt formuleert DR c.s. het op te lossen objectieve probleem als […]”? Dat kun je je geredelijk afvragen (voor zowel een bevestigende als een ontkennende beantwoording lijkt mij ruimte) en als dat niet zo is, strandt de klacht (ook) op gemis aan feitelijke grondslag.
hindsight;
hindsight [108] .
hindsight, omdat daarin een in de stand van de techniek niet bekend probleem is opgenomen.
onderdeel 9.2keren DR c.s. zich tegen rov. 4.2.46:
recessed portionmet de in deelkenmerk 1.2.4.1 geclaimde vorm kan worden gebruikt voor het verspreiden van afvaltoner naar de zijkanten van de reinigingsruimte. Ook moet hij tot het inzicht komen waar hij de
recessed portionmoet positioneren, namelijk in het middendeel van de bovenwand van de afvaltonerbehuizing waarbij de
recessed portionnaar beneden toe is gericht.”
onderdeel 9.3vervatte klachten behelzen dat het hof in rov. 4.2.45-4.2.47 en rov. 4.2.49 [111] -4.2.52 eindarrest buiten de rechtsstrijd treedt door EP 537 aan te merken als een zogeheten probleem-uitvinding, althans het onderkennen van het probleem als onderdeel te zien van wat de uitvinding bijdraagt aan de stand van de techniek. Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijk grondslag, want een dergelijk oordeel is in de bestreden overwegingen niet te lezen. De verdere motiverings- en voortbouwklachten in dit subonderdeel delen dit lot.
Onderdeel 9.4vangt aan met een klacht tegen rov. 4.2.47 eindarrest die voortbouwt op (de laatste klacht in) subonderdeel 9.1 (zie 3.143 e.v.). Het lot daarvan is gelet op vorenstaande bespreking al bezegeld. Vervolgens continueren DR c.s. hun aanval op rov. 4.2.47 waar het hof – samengevat – overweegt dat het objectieve technische probleem dient te worden geformuleerd als het tegengaan van afvaltonerlekkage. Dit acht het onderdeel ontoereikend gemotiveerd in het licht van de door de Oppositieafdeling van het Europees Octrooibureau (hierna: OD) geformuleerde probleemstelling. Deze klacht kan alleen al niet slagen, omdat het hof niet gebonden is aan die probleemstelling in deze nationale procedure waar nietigheid van een (al verleend) octrooi wordt gevorderd door degene die wordt aangesproken op grond van een mogelijke inbreuk op dat octrooi (zie ook 3.72) [112] . Ook overigens lijkt mij hier geen sprake van een motiveringsgebrek, omdat op de keper beschouwd geen echte tegenstelling of frictie bestaat met de probleemstelling van de OD die ik hierna citeer (zie ook Samsung s.t. 2.249):
onderdeel 9.5. Het hof zou volgens DR c.s. overwegen dat de door de DR c.s. genoemde documenten niet zouden kunnen worden aangemerkt als meest nabije stand van de techniek, omdat geen enkel document betrekking heeft op (de oplossing van het probleem van) afvaltonerlekkage. Dit klopt volgens de klacht niet, omdat vaststaat dat US 211 wel op afvaltonerlekkage ziet en DR c.s. dit ook heeft gesteld.
Onderdeel 9.6behelst een voortbouwklacht gericht tegen de volgende passage uit rov. 4.2.48 eindarrest: “Al die documenten hebben immers betrekking op geheel andere problemen en in geen van die documenten wordt een lekkageprobleem opgelost of zelfs maar genoemd.” Om dezelfde redenen als aangevoerd in onderdeel 9.5 is dit volgens de klacht met betrekking tot US 211 ontoereikend gemotiveerd. Deze klacht stuit af op een onjuiste lezing van het arrest. De door DR c.s. centraal gestelde passage dient te worden gelezen in samenhang met de zin daarvóór. Het volgende citaat (wederom met mijn onderstreping) laat dit zien:
een van dedoor DR c.s. voorgestelde documenten als meest nabije stand van de techniek, dan kan niet worden aangenomen dat de gemiddelde vakman, zoekend naar een oplossing voor het afvaltonerlekkageprobleem, zou stuiten op en kennis zou nemen van
een van de anderedoor DR c.s. aangedragen documenten. Al die documenten hebben immers betrekking op geheel andere problemen en in geen van die documenten wordt een lekkageprobleem opgelost of zelfs maar genoemd. […]”
onderdeel 9.7.
onderdeel 9.8komen erop neer dat rov. 4.2.49 eindarrest strijdig wordt geacht met rov. 4.2.9 eindarrest. In rov. 4.2.49 overweegt het hof dat in geen van de door DR c.s. genoemde documenten wordt geopenbaard of gesuggereerd dat de aanwezige verdiepingen (voor zover al als dieper deel in de zin van EP 537 aan te merken) de functie (kunnen) hebben van het naar de zijkanten verspreiden van afvaltoner vanuit het middendeel van het reinigingsgebied, of anderszins enige kenbare functie bij het voorkomen van afvaltonerlekkage, terwijl het hof in rov. 4.2.9 de door DR c.s. voorgestane functionele uitleg van het dieper gelegen deel verwerpt.
onderdeel 9.9klagen DR c.s. dat het hof in rov. 4.2.50 eindarrest het standpunt van DR c.s. onjuist weergeeft, omdat DR c.s. niet alleen heeft gesteld dat de gemiddelde vakman op grond van zijn algemene vakkennis weet dat een V-vormige vorm geschikt is voor het opzij schuiven van een opgehoopte massa en aldus tot de oplossing van het probleem komt. De gemiddelde vakman weet dat volgens de klacht ook op grond van ‘gezond verstand’ en ‘algemene kennis’. Dit betoog kan DR c.s. alleen al niet baten bij gebrek aan belang bij het slagen daarvan. Het hof overweegt immers dat ook als de gemiddelde vakman dit zou weten – onafhankelijk uit welke hoofde – DR c.s. daarmee nog steeds niet duidelijk hebben gemaakt hoe de gemiddelde vakman tot het inzicht zou komen dat afvaltonerophoping in het midden van de reinigingsruimte een probleem is dat tot tonerlekkage kan leiden en dat dit probleem door verspreiding van afvaltoner in het middendeel van de reinigingsruimte naar de zijkanten kan worden opgelost.
onderdeel 9.10borduurt voort op de stellingname uit onderdeel 9.9 dat de gemiddelde vakman naast algemene vakkennis ook over ‘gezond verstand’ beschikt. Net als bij onderdeel 9.9, ontbreekt belang bij deze klacht.
hindsight. Het hof miskent hiermee volgens DR c.s. dat de enkele omstandigheid dat sprake is van
hindsightniet meebrengt dat een standpunt onjuist is, al was het maar omdat bijvoorbeeld de gehele beantwoording van de inventiviteitsvraag doordrenkt is van
hindsight. Zoals hiervoor is besproken, (3.141), is een bekend risico van de PSA dat enige vorm van
hindsighthaast niet te vermijden is, maar dat neemt niet weg dat het risico dat men de uitvinding beoordeelt met gebruikmaking van later verkregen kennis steeds zo klein mogelijk moet worden gehouden. De toets is immers niet of de gemiddelde vakman – die niet over enige creativiteit beschikt – in aanmerking nemende de stand van de techniek tot de uitvinding had kunnen komen, maar of hij tot de uitvinding
zoukomen. Het risico van
hindsightbeperken om deze toets zo zuiver mogelijk te houden is wat het hof hier terecht doet, gezien de overweging dat het standpunt van DR c.s. uitsluitend op
hindsightis gebaseerd, omdat aanwijzingen voor / pointers naar de door het hof besproken inzichten (m.n. rov. 4.2.46 eindarrest) ontbreken voor de gemiddelde vakman. De klacht ketst hierop af.
Onderdelen 9.11 en l 9.12bevatten alleen voortbouwklachten die geen afzonderlijke bespreking behoeven.
Onderdeel 10.1bevat geen klacht.
Onderdeel 10.2, waarin DR c.s. aan het slagen van één of meer van haar voorgaande klachten de conclusie verbindt dat ook het oordeel over de proceskosten in rov. 4.7 eindarrest niet in stand kan blijven, ketst af op de voorgaande bespreking van het principale cassatieberoep.
onderdeel 10.3klagen DR c.s. over het oordeel dat in het midden kan blijven of het door Samsung opgeworpen incident tot schorsing van het geding onder het bereik van art. 14 van Pro de Handhavingsrichtlijn (2004/48/EG) en art. 1019h Rv valt, omdat het incident zeer eenvoudig en niet bewerkelijk is. Het gaat om deze relevante (niet genummerde) overwegingen uit het tussenarrest:
United Video/Telenetoverwoog het HvJ EU dat art. 14 van Pro de Handhavingsrichtlijn zich verzet tegen forfaitaire tarieven die niet waarborgen dat minstens een significant en passend deel van de redelijke kosten van de in het gelijk gestelde partij door de verliezende partij wordt gedragen. Verder oordeelde het Luxemburgse hof in dit arrest dat de rechter rekening moet kunnen houden met de specifieke kenmerken van de zaak [116] .
Spirits/FKP [120] is uitgemaakt dat de indicatietarieven slechts de rechter niet bindende richtlijnen behelzen en geen recht vormen in de zin van art. 79 RO Pro. Ook is daarin bevestigd [121] dat de begroting van proceskosten een beslissing van feitelijke aard is die geen motivering behoeft. In cassatie kan over onbegrijpelijkheid worden geklaagd als de begroting op een misslag berust [122] .
Becton/Braun [125] .
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
Bayfine/Van Leeuwen [129] , [130] . Het belang van Samsung is gegeven door de veroordeling van Samsung in appel tot terugbetaling aan DR c.s. van de proceskosten die DR c.s. naar aanleiding van het vonnis in eerste aanleg aan Samsung betaalde.
onderdeel 2.1klaagt Samsung dat het hof bij zijn beoordeling van de geldigheid van EP 744 ten onrechte is uitgegaan van de in EP 744 B1 opgenomen conclusies, door ter onderbouwing van het oordeel in rov. 4.3.4 eindarrest te verwijzen naar rov. 4.45 - 4.48 van het vonnis. De rechtbank gaf immers een oordeel over de uitleg van deelkenmerk 1.7 van de verleende conclusie EP 744 B1, terwijl het hof in appel oordeelde over de conclusies van EP 744 B2. Dat laatste stelde het hof bovendien vast in rov. 2.9 en rov. 3.1 eindarrest, zodat het arrest volgens Samsung ook innerlijk tegenstrijdig en onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.
waarbijzichtenminste
een steuneenheidéén draageenheid(200)
zichin de inwendige ruimte en tussen de bovenste behuizing (110) en de onderste behuizing (120) uitstrekt teneinde vervorming van de onderste behuizing (120) te minimaliseren, wat interferentie met een
lichtbaanlichtwegvan de laserstraal minimaliseert,”
onderdeel 2.2is dat het hof in rov. 4.3.4 eindarrest heeft miskend dat conclusies moeten worden uitgelegd in de context van het octrooi als geheel, of in elk geval dat deelkenmerken van conclusies moeten worden uitgelegd in de context van de andere deelkenmerken van dezelfde conclusie die over hetzelfde onderdeel van de uitvinding gaan en/of daar onlosmakelijk mee samenhangen. Indien het hof dat niet heeft miskend, is het oordeel volgens de klacht onbegrijpelijk, omdat de uitleg van deelkenmerk 1.7 in ieder geval had moeten geschieden in het licht van deelkenmerken 1.8 - 1.11 (en in ieder geval 1.11). Door maatregel 1.11 wordt ondubbelzinnig geclaimd dat de dragers van de draageenheid een draaguitsteeksel en uitsteekselopnemer omvatten die op de overliggende oppervlakken van de bovenste en onderste behuizing van de afvaltonerbehuizing zijn aangebracht. Daarmee is volgens de klacht in strijd dat de draageenheid volgens het hof niet noodzakelijk met beide behuizingen van de afvaltonerbehuizing verbonden hoeft te zijn. Daarmee is ook strijdig de uitleg van deelkenmerk 1.11 in rov. 4.3.8 eindarrest dat “de reeds aanwezige draageenheden […] met beide oppervlakken dienen te zijn verbonden”.
nieteen uitsteekselopnemer omvatten. Het hof heeft dus wél deelkenmerk 1.11 betrokken bij de vaststelling van het technische probleem en heeft dit in mijn ogen ook impliciet gedaan bij de beoordeling van het standpunt van Samsung over deelkenmerk 1.7. Dat kan als volgt inzichtelijk worden gemaakt. In de zin vóórdat het standpunt van Samsung over deelkenmerk 1.7 wordt weergegeven, overweegt het hof dit:
enkelde uitsteeksels in CLP-600 (die volgens het hof kwalificeren als een draageenheid) en niet een betoog over de noodzakelijke verbinding van een
combinatievan (draag)uitsteeksel en uitsteekselopnemer. Het hof kon in deze context (met de rechtbank) oordelen dat de conclusies niet dwingen tot verbinding met de tegenover gelegen behuizing bij een enkel (draag)uitsteeksel, maar tot aanraking. Dit verklaart ook het verschil met rov. 4.3.8 eindarrest, waar het hof de inventiviteit beoordeelt van de
combinatievan uitsteeksel en uitsteekselopnemer voor het tot stand brengen van een verbinding om tot oplossing van het technische probleem te komen.
onderdelen 2.4 en 2.5betoogt Samsung – samengevat – dat het hof in rov. 4.3.8 eindarrest te lage eisen heeft gesteld aan (de onderbouwing van) het beroep van DR c.s. op gebrek aan inventiviteit gezien de stelplicht en bewijslast die op DR c.s. rusten, althans dat het hof art. 24 Rv Pro heeft miskend, althans niet toereikend is gemotiveerd. De klachten kaarten aan dat DR c.s. niet (of in elk geval onvoldoende concreet) hebben aangevoerd dat:
Wetenschap vakman.Vooropgesteld zij dat het voor de vakman voor de hand liggend is om een steuneenheid – die verbonden moet zijn met twee wanden die niet vast met elkaar verbonden zijn – uit te voeren in twee samenstellende, complementair gevormde onderdelen, die vervolgens op elkaar passend kunnen worden gemonteerd. Dat is het principe van een op een doos passende deksel en behoort dan ook tot (i) de gemiddelde kennis en kunde van eenieder en in ieder geval (ii) tot de algemene vakkennis van de vakman en (iii) de stand van techniek, zoals onder meer blijkt uit de hierna besproken octrooiliteratuur.”
52.Conclusie 1-B2 EP 744 is niet inventief wegens Samsung’s CLP-K600
zoudat dus niet doen. Om dezelfde redenen zou de vakman evenmin de overige verschilkenmerken implementeren. Ter zake van die verschilkenmerken is door Appellanten ook niets gesteld.”
Daarmeeis deze specifieke maatregel een triviale keuze […].”, mijn onderstreping). Het hof doelt kennelijk op de stellingen van DR c.s. dat eerder in CLP-K600 een uitsteeksel en een ring werden gebruikt om onderdelen op hun plaats te houden en dat bijvoorbeeld verlijming ook een mogelijkheid is (zie hiervoor, 4.22). Dat de vakman deze algemene kennis meeneemt bij de beoordeling van de inventiviteit van EP 744 lijkt mij een alleszins redelijke aanname.
onderdeel 2.6dat rov. 4.3.4 eindarrest en rov. 4.3.8 eindarrest niet te verenigen zijn. In rov. 4.3.4. verwijst het hof onder meer naar rov. 4.48 van het rechtbankvonnis, hetgeen het hof overneemt; ik geef rov. 4.48 van het rechtbankvonnis voor de leesbaarheid hier weer:
dienente zijn verbonden.
onderdeel 3.1komen wij toe aan de modelrechtelijke beoordeling en neemt Samsung eerst rov. 4.4.2 eindarrest in het vizier. Een nieuw visueel uiterlijk van een product met een eigen karkater is modelrechtelijk te beschermen, maar dat mag niet leiden tot monopolisering van de techniek, zodat het modellenrecht (net als het vormmerkenrecht en het auteursrecht) een techniekexceptie kent. In feitelijke aanleg heeft Samsung gesteld dat de uiterlijke kenmerken die haar modellen nieuw maken en een eigen karakter geven en die niet uitsluitend technisch zijn bepaald voor GM 687 de ribbels en het handvat(kuipje) zijn en voor GM 551 de vierkante rasters aan de onder- en zijkanten en de aan weerszijden aangebrachte uitsteeksels (handvatten) die een glooiende vorm hebben en op een eendensnavel lijken (rov. 4.4.1). Een model dat nieuw is en een eigen karakter heeft, beschermt het uiterlijk van producten tegen gebruik van producten met eenzelfde uiterlijk of een uiterlijk dat geen andere algemene indruk maakt op de modelrechtelijke maatpersoon. Dat is de geïnformeerde gebruiker (bijzonder aandachtig en geïnformeerd), die inzit tussen de octrooirechtelijke gemiddelde vakman en de merkenrechtelijke gemiddelde consument (die ook als maatpersoon bij slaafse nabootsing figureert). Het modelrechtelijke geschil draait om de techniekexceptie uit art. 8 Gemeenschapsmodellenverordening (hierna: GModVo) [140] . Die is van toepassing als de wezenlijke functionele kenmerken van het model uitsluitend aan de technische uitkomst zijn toe te schrijven, waarbij niet van belang is of er alternatieven zijn waarmee hetzelfde technische effect wordt bereikt, waarmee het HvJ EU in het hierna te bespreken
Doceram-arrest [141] de zogenoemde apparaat-gerichte leer [142] heeft aanvaard.
Doceram-arrest. Mocht het hof wel hebben bedoeld dat materiaalbesparing in dit geval een technische functie heeft, dan is volgens onderdeel 3.1 onvoldoende gemotiveerd waar die technische functie dan in zit. Zonder nadere, maar ontbrekende motivering is dat volgens de motiveringsklacht niet te volgen, omdat aan materiaalbesparing veelal geen technische, maar kosten- of milieuoverwegingen ten grondslag liggen. Een en ander wordt volgens de klacht niet anders doordat het hof als technisch aanmerkt materiaalbesparing onder behoud van constructiestijfheid volgens de vervolgklacht van onderdeel 3.1. Volgens Samsung is het feit dat met ribbels (GM 687) of raster (GM 551) constructiestijfheid wordt behouden mogelijk in zoverre een technisch effect, maar is het effect
daarnaastdat de ribbels en het raster materiaal besparen en dat laatste kan niet als een technische functie worden gezien volgens Samsung. Het behouden van constructiestijfheid is met andere woorden een technische randvoorwaarde, maar wanneer dan met inachtneming daarvan een ontwerpkeuze wordt gemaakt vanuit een niet-technische overweging (bijv. een financiële/bedrijfseconomische overweging tot materiaalbesparing), is die ontwerpkeuze niet uitsluitend technisch bepaald. Dit brengt volgens het slot van het onderdeel ook mee dat het hof in rov. 4.4.5 en 4.4.6 had moeten beoordelen of de ribbels en rasters uitsluitend technisch zijn bepaald, dan wel of bij de vormgeving daarvan ook andere factoren een rol hebben gespeeld in de zin van het
Doceram-arrest.
Doceram-arrest wordt opgemerkt dat niet (geheel) duidelijk is wat het HvJ EU heeft bedoeld met
andere overwegingen(waar op volgt in punten 26 [145] en 31, hiervoor geciteerd: ‘met name met betrekking tot het visuele aspect van het voortbrengsel’), die een rol kunnen spelen bij de keuze voor het uiterlijke kenmerk door een ontwerper en waarmee zodoende kan worden voorkomen dat de techniekexceptie van art. 8 het Pro model ongeldig maakt. Vanwege het gebruik van ‘met name’ wordt in commentaren gespeculeerd dat er kennelijk ook nog andere dan visuele aspecten een rol kunnen spelen. Gielens NJ-noot onder
Doceramonder 4 zegt daarover; “Waarop zou het Hof hier doelen? Het kan zijn dat gedacht is aan modellen, waarvan het visuele aspect niet van belang is, zoals bij de textuur van een voortbrengsel die blijkens art. 3 GModVo Pro onder de definitie van ‘model’ valt.” Het kan ook zijn dat ruimte wordt gegeven om ook overwegingen inherent aan een bepaalde materiaalkeuze, om financiële redenen of vanwege een bepaald gebruiksgemak te betrekken [146] . Overigens sluit ik niet uit dat helemaal niet aan iets anders is gedacht dan technische aspecten tegenover visuele aspecten in deze zinsnede en dat ‘met name’ niet meer dan een ‘slip of the pen’ is, maar het staat er wel tot twee keer toe in zowel punt 26 en punt 31.
andere dan visuele(tegenover technische)
overwegingenhier mogelijk zijn bedoeld, is het in eerste instantie aan de nationale rechtspraktijk om de rechtsontwikkeling vorm te geven, maar is het uiteindelijk aan het Luxemburgse Hof om hier zonodig duidelijkheid over te scheppen.
Doceram. Het breekijzer dat Samsung wil zetten tussen materiaalbesparing aan de ene kant en behoud van technische stijfheid aan de andere kant, is in mijn ogen kunstmatig, omdat je geen ‘behoud van constructieve stijfheid’ als vormgever hoeft te waarborgen als je niet bezig gaat met materiaalbesparing. Het hof overweegt in rov. 4.4.2 dan ook dat de ribbels en rasters een tweeledig effect hebben (
enerzijdsmateriaalbesparing,
anderzijdsbehoud van constructieve stijfheid). Dus zelfs als je mee zou gaan in de redenering dat alleen of hoofdzakelijk ‘behoud van constructieve stijfheid’ hier de vormgeving van de ribbels en rasters bepaalt, zoals Samsung bepleit, dan zou je die in die zin technisch bepaalde vormgeving niet nodig hebben, als er geen materiaal behoefde te worden bespaard, zodat uiteindelijk vanwege deze onderlinge afhankelijkheid ook de door materiaalbesparing veroorzaakte vormgeving uitsluitend technisch is bepaald in de zin van art. 8 GModVo Pro. Die materiaalbesparing dicteert uiteindelijk immers de vormgeving, omdat je de ‘randvoorwaarde’ behoud van constructieve stijfheid moet waarborgen. Ik zie geen logisch aangrijpingspunt voor het breekijzer tussen het een en het ander van Samsung en geloof dan ook dat op dit punt niet moet worden gecasseerd. Daar ketsen dan alle klachten van onderdeel 3.1 volgens mij op af, omdat dit aldus begrepen oordeel ook goed te volgen is. Het is overigens te begrijpen dat bij dergelijke modelrechten die mededingingsrechtelijk ingrijpen op de vervangingsmarkt van cartridges, de techniekexceptie in beeld komt en kritisch wordt bezien of deze modelrechten daar niet (integraal) op stuklopen. In rov. 4.4.6 stelt het hof ook voorop dat vanwege de omstandigheid dat cartridges complementair moeten zijn aan de printers waarvoor deze bedoeld zijn, de vormgeving daarvan al snel helemaal technisch bepaald zijn.
Doceramwordt bedoeld met ‘andere overwegingen’ dan visuele in het licht van de besproken speculatieve invulling daarvan in de literatuur (“…(h)et kan ook zijn dat ruimte wordt gegeven om
ook overwegingen inherent aan een bepaalde materiaalkeuze, om financiële redenen of vanwege een bepaald gebruiksgemak te betrekken”) zie ik hier een mogelijke andere lijn. De rechtsklacht en de laatste klacht uit onderdeel 3.1 vragen hier ook uitdrukkelijk aandacht voor. De uiterlijke kenmerken in de vorm van ribbels of rasters zijn in deze tweede lijn niet
uitsluitendtechnisch bepaald in de engere zin van: behoud van constructiestijfheid, maar
ook of medebepaald door ‘andere overwegingen’, te weten materiaalbesparing, dat kan zijn ingegeven door bedrijfseconomische of milieueisen, zodat hier geen sprake is van
uitsluitendtechnisch bepaalde vormgeving. Het is maar hoe men het element ‘technisch bepaald’ in onze zaak (m.i. overigens hoofdzakelijk feitelijk) invult: als (zoals het hof het volgens mij doet in de hiervoor geformuleerde primaire lijn): ‘materiaalbesparing met behoud van constructieve stijfheid’ of daarentegen als: de vormgeving is bepaald door behoud van constructieve stijfheid en daarnaast door materiaalbesparing’. Ik vind zoals ik hiervoor heb aangegeven deze twee elementen dusdanig onlosmakelijk met elkaar verbonden, dat van één technisch vereiste dat twee elementen omvat moet worden gesproken en meen dat dat ook de gedachtegang van het hof is geweest, maar als deze twee elementen los van elkaar moeten worden gezien, dan treedt de vraag naar de reikwijdte van de besproken ‘andere omstandigheden’ uit
Doceramnaar voren en ligt het in de rede hier prejudiciële vragen over te stellen aan het Luxemburgse Hof in deze bodemzaak. De tweede lijn heeft niet mijn voorkeur, maar over wat hier juist is, kan naar mij voorkomt in gemoede verschillend worden gedacht. Op de mogelijkheid dat de tweede lijn gevolgd zal gaan worden door Uw Raad kunnen partijen anticiperen door zich in hun Borgersbrieven voorwaardelijk uit te laten over de te formuleren prejudiciële vragen. Een andere mogelijkheid is een tussenarrest met al dan niet gepre-formuleerde prejudiciële vragen, waarna aan partijen de mogelijkheid van commentaar wordt geboden, alvorens in een opvolgend tussenarrest prejudicieel wordt verwezen, al dan niet met aangepaste prejudiciële vragen aan het Luxemburgse Hof. Als de tweede lijn juist is, lijken mij de klachten van onderdeel 3.1 doel te treffen (dit onderscheid technische overwegingen (behoud van constructieve stijfheid) en andere overwegingen (materiaalbesparing) is door het hof immers niet aangebracht in rov. 4.4.2, 4.4.5 en 4.4.6) en is de vraag of louter moet worden gecasseerd en verwezen, of dat meteen prejudiciële vragen moeten worden gesteld, waarover hierna in het volgende randnummer.
Docerambedoeld is met ‘andere overwegingen’ dan het vervullen van een technische functie en of daar materiaalbesparing onder kan vallen (beter misschien meer algemeen gesteld: of de categorie bedoeld in de 4e alinea van de BIE-noot van Brinkman onder
Doceram,dus overwegingen inherent aan een bepaalde materiaalkeuze, financiële redenen of een bepaald gebruiksgemak zijn bedoeld met ‘andere, dus niet technische of visuele overwegingen’ in het
Doceram-arrest) of daarentegen (alleen) gedacht moet worden aan modellen, waarvan het visuele aspect niet van belang is, zoals bij de textuur van een voortbrengsel (bedoeld in de NJ-noot van Gielen punt 4 onder
Doceram), of dat hier alleen een loutere dichotomie: technische overwegingen – visuele overwegingen is bedoeld (mijn eigen speculatie, zie hiervoor in 4.39
in fine) – en zodoende materiaalbesparing (met behoud van constructieve stijfheid) wel of geen louter technische overweging is als bedoeld in art. 8 lid 3 GModVo Pro. Enkele terugverwijzing zadelt het verwijzingshof immers met deze onduidelijkheden op, zodat mij het stellen van prejudiciële vragen op dit punt de voorkeur lijkt te hebben in dat geval. Mogelijk is natuurlijk ook dat niet te doen en vervolgens te zien waar het verwijzingshof mee komt.
objectieveomstandigheden) en niet op de omstandigheden
van het geval(keuzes die Samsung t.a.v. deze concrete cartridges heeft gemaakt). Althans is de beoordeling volgens Samsung ontoereikend gemotiveerd.
ontbreekt belang in cassatiebij de klachten van onderdeel 3.2 indien de bij de bespreking van onderdeel 3.1 uiteengezette
primaire lijnzou worden gevolgd. Als onderdeel 3.1. niet slaagt, is per saldo de beslissing juist dat de Gemeenschapsmodellen nietig zijn op grond van de techniekexceptie – wat er verder zij van de exacte toetsingswijze van ‘andere overwegingen’ dan technische factoren bij de keuze van het uiterlijk van de cartridges volgens de ingeroepen Gemeenschapsmodelrechten door het hof in rov. 4.4.5 en 4.4.6, waartegen de klachten van onderdeel 3.2 zijn gericht. Dan draagt zelfstandig dat er geen andere overwegingen zijn dan technische hier bij de vormgeving in de vorm van ribbels en rasters op grond van materiaalbesparing met behoud van functionele stijfheid. Men kan zich afvragen of de toets van ‘andere overwegingen’ bedoeld in
Doceramüberhaupt wel op een juiste wijze is gedaan door het hof, maar ik houd het erop dat de hoofdbeslissing dat de vormgeving door de tweeledige technische functie van materiaalbesparing met behoud van functionele stijfheid ook hier ‘doorwerkt’. Zie ik dit niet goed, dan bestaat bedoeld belang bij de klachten van onderdeel 3.2 wel en omdat er daarnaast gerede twijfel mogelijk is of de bepleite primaire lijn uit onderdeel 3.1 wel klopt en zoals we hebben gezien niet moet worden uitgesloten dat de bij de bespreking van onderdeel 3.1 uiteengezette tweede lijn voor juist moet worden gehouden, bestaat aanleiding onderdeel 3.2 ook inhoudelijk bespreken.
Doceramhiervoor in 4.42 en 4.43 zijn tegengekomen. Door als uitgangspunt te nemen dat ‘voor producten zoals de onderhavige’
in het algemeenniet voor de hand ligt dat er bij de totstandkoming van de uiterlijke kenmerken andere factoren een rol kunnen spelen dan de met vormgeving te vervullen technische functie, beperkt het hof – zonder te motiveren waarom – het kader waarbinnen de omstandigheden van het geval moeten worden gewogen, terwijl volgens
Doceramin de beoordeling moeten worden betrokken alle objectieve omstandigheden van het geval. Vanwege de vooropstelling voor complementaire producten als cartridges in het algemeen, lijkt van zo’n voorgeschreven concrete toets voor modelrechten voor de onderhavige cartridges geen sprake te zijn geweest – althans niet voldoende kenbaar, in welk geval de motiveringsklacht uit onderdeel 3.2 doel treft.
Doceramprecies niet de bedoeling is, nu is geoordeeld dat de nationale rechter rekening dient te houden met alle relevante objectieve omstandigheden van het specifieke geval en dat in dat verband niet hoeft te worden uitgegaan van de perceptie van een ‘objectieve waarnemer’ [149] . Wat het hof in rov. 4.4.6 eindarrest lijkt te doen, is de techniekexceptie tot een juridische norm reduceren, met het risico dat de objectieve feiten onvoldoende worden vastgesteld [150] . Ook in dat licht lijkt mij de rechtsklacht in de hier besproken sleutel doel te treffen.
onderdeel 3.3(in zoverre) doel treft, omdat die is gericht tegen de slotsom in rov. 4.4.7 eindarrest dat de reconventionele vordering van DR c.s. tot nietigverklaring van GM 687 en GM 551 toewijsbaar is.
onderdelen 4.1 en 4.2richt Samsung zich tegen rov. 4.5.2 eindarrest, de
onderdelen 4.3 en 4.4zijn gericht tegen rov. 4.5.3 eindarrest. Slaafse nabootsing is in de grondverf gezet met het standaardarrest
Hyster Karry Krane [152] . Dat heeft pennen in beweging gebracht [153] en ik verwijs ook naar mijn conclusies in de zaken
My Little Pony [154] ,
Ajax/Lezer [155] ,
Mi Moneda [156] en
Capri Sun [157] . Uit de laatste conclusie herhaal ik in de volgende twee randnummers de belangrijkste rechtsontwikkeling op dit terrein tot nu toe.
Lego/Mega Brands [158] uit 2009 en
Mi Moneda(ook wel aangeduid als:
Allround/Simstars) [159] uit 2017 blijkt de volgende uitkristallisatie tot nu toe. Nabootsing van een stoffelijk product staat in beginsel vrij als het niet (langer) wordt beschermd door een absoluut recht van intellectuele eigendom. Dit lijdt uitzondering wanneer door die nabootsing verwarring bij het publiek valt te duchten en de nabootsende concurrent tekortschiet in zijn verplichting om bij dat nabootsen alles te doen wat redelijkerwijs mogelijk en nodig is om, zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid of bruikbaarheid van zijn product, te voorkomen dat door de gelijkheid van beide producten gevaar voor verwarring ontstaat. In dat geval is nabootsing een vorm van oneerlijke mededinging, waartegen uit hoofde van onrechtmatige daad kan worden opgekomen. Van verwarring kan pas sprake zijn indien dat product een ‘eigen gezicht’ heeft op de relevante markt, dat wil zeggen: zich in uiterlijke verschijningsvorm onderscheidt van andere, gelijksoortige producten op die markt.
onderdeel 4.3. Indien deze namelijk niet slagen, ontberen de overige klachten van dit onderdeel belang in cassatie, omdat rov. 4.5.3 over het ontbreken van onderscheidend vermogen zelfstandig dragend is voor het oordeel dat van slaafse nabootsing geen sprake kan zijn.
onvoldoende heeft onderbouwddat de cartridges met de uiterlijke kenmerken van GM 687 en GM 551 een eigen plaats op de markt innemen. Uit dat oordeel volgt niet dat het hof heeft geoordeeld (zodat evenmin is miskend) dat de door Samsung aangevoerde omstandigheden niet zouden kunnen leiden tot het oordeel dat de cartridges een eigen gezicht op de markt hebben. De vraag óf het nagebootste product onderscheidend vermogen heeft, is van feitelijke aard en zal in het algemeen niet in cassatie kunnen worden getoetst [168] . Het gaat om uitleg van processuele stellingen door het hof en dat is feitelijk in cassatie-technische zin. De rechtsklacht ketst hierop af.
Mi Monedawat de criteria zijn voor het eigen gezicht op de markt en dat Samsung daaraan voldoet.
ontbreekt belangbij de klachten van
onderdelen 4.1 en 4.2, omdat het oordeel in rov. 4.5.3 dat geen sprake is van onderscheidend vermogen zelfstandig dragend is voor de afwijzing van de op slaafse nabootsing gebaseerde vorderingen. Nu daar anders dan bij de bespreking van het vorige hoofdonderdeel 3 geen gerede twijfel over bestaat, laat ik inhoudelijke bespreking van de onderdelen 4.1 en 4.2 achterwege.
geen belangbij deze vervolgklacht.
Doceram.Wordt in die sleutel niet besloten tot prejudiciële verwijzing, dan slagen onderdelen 3.1-3.3 van het incidenteel cassatieberoep en zal moeten worden vernietigd en (vanwege de exclusieve bevoegdheid van het Haagse hof als appelrechter van de rechtbank voor het Gemeenschapsmodel in Nederland) worden terugverwezen naar dat hof.