ECLI:NL:HR:2006:AV6195
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid inverzekeringstelling en doorzoeking woning ondanks oordeel rechter-commissaris
In deze strafzaak stond de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling en de daaropvolgende woningdoorzoeking centraal. De rechter-commissaris had geoordeeld dat de inverzekeringstelling onrechtmatig was wegens onvoldoende redelijk vermoeden van schuld. De verdediging stelde dat dit oordeel voor de zittingsrechter onaantastbaar was en dat daardoor ook het bewijs verkregen uit de doorzoeking uitgesloten moest worden.
Het hof oordeelde echter dat het oordeel van de rechter-commissaris bindend was voor de beoordeling van de inverzekeringstelling, maar dat het hof zich op basis van de ter terechtzitting bekende feiten vrij kon vormen van een zelfstandig oordeel over de verdenking en de rechtmatigheid van de doorzoeking. Het hof achtte de doorzoeking rechtmatig en het bewijs bruikbaar.
De Hoge Raad bevestigde dit standpunt en verwierp het cassatieberoep. Volgens de Hoge Raad staat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen niet in de weg aan het zelfstandig oordeel van het hof over de rechtmatigheid van de doorzoeking en het bewijs, ook al was de inverzekeringstelling onrechtmatig bevonden door de rechter-commissaris.
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor onder meer handelen in strijd met de Wet wapens en munitie en de Opiumwet, met een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan vijf voorwaardelijk. De Hoge Raad oordeelde dat het middel faalde en verwierp het beroep. Het arrest werd gewezen door vice-president Koster en raadsheren Ilsink en Thomassen op 13 juni 2006.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte ondanks de onrechtmatige inverzekeringstelling.