ECLI:NL:HR:2008:BG4204
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- W.A.M. van Schendel
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad uitspraak over ontvankelijkheid en ne bis in idem bij Antilliaanse uitleveringszaak
In deze zaak ging het om een cassatieberoep tegen een einduitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba over een uitleveringsverzoek van de Verenigde Staten. De opgeëiste persoon was gedetineerd op Aruba en stelde zich op het standpunt dat de uitlevering niet mocht plaatsvinden vanwege een lopende of gestaakte vervolging op Aruba, waarbij het ne bis in idem-beginsel aan de orde was.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is voor zover het zich niet richt tegen beslissingen van het Hof over de toelaatbaarheid van de uitlevering. Verder bevestigde de Hoge Raad dat het ne bis in idem-beginsel, zoals geregeld in het uitleveringsverdrag en de Nederlandse uitleveringswet, niet is geschonden omdat de vervolging op Aruba was gestaakt en alleen zou worden hervat indien geen uitlevering plaatsvindt.
De Hoge Raad benadrukte dat de beoordeling of uitlevering geweigerd moet worden vanwege een lopende strafvervolging niet aan het Hof, maar aan de Gouverneur toekomt. De klacht dat een voorlopig gestaakte vervolging een uitleveringsbeletsel vormt, werd verworpen. Het beroep werd voor het overige verworpen en het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 9 december 2008.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk voor zover het zich niet richt tegen beslissingen over toelaatbaarheid uitlevering en wordt voor het overige verworpen.