Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.De ontvankelijkheid van het principaal en het incidenteel beroep
civieleprocedure (dat, zoals gezegd, diametraal verschilde van dat van de procedure in onteigeningszaken).
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
onder 1.1.2 [22] dat deze overwegingen onjuist, althans niet voldoende begrijpelijk zijn gemotiveerd. [eiser] heeft in zijn incidentele cassatieberoep in de eerste cassatieprocedure aan de orde gesteld dat de rechtbank ten onrechte het door de rechtbankdeskundigen berekende voordeel van € 1.200.000,— wegens de benutting van de zandwinplas voor de stort van 500.000 m3 niet-vermarktbare grond, bestaande uit de besparing van de kosten van transport en laden- en lossen, geheel heeft laten wegvallen tegen een nadeel van exact dezelfde omvang (namelijk € 1.200.000,—) voortvloeiend uit de 500.000 m3 gestorte vermarktbare grond. Uit het arrest van 25 september 2015 volgt dat de compensatie van het voordeel met het nadeel niet toegepast had mogen worden. In het vonnis lag besloten dat de rechtbank van oordeel was dat het in aanmerking te nemen voordeel wegens de stort van de 500.000 m3 niet-vermarktbare grond € 1.200.000,— bedroeg. De Staat heeft nagelaten om daartegen cassatieberoep in te stellen, maar dat was wel noodzakelijk om te voorkomen dat het vastgestelde voordeel onaangetast zou blijven, terwijl het daarmee gecompenseerde nadeel zou wegvallen ten gevolge van het door [eiser] ingestelde cassatieberoep in de eerste cassatieprocedure.
onder 1.1.4.
Er is geen voordeel
Mr. De Vries Robbéverklaart dat de bijzondere geschiktheid het spannendste deel van de zaak betreft. Het gaat om een besparing aan de ene kant en om extra kosten [aan de] andere kant, waar de Staat in de uitvoering van werk tegenaan loopt in verband met de specifieke eigenschap van het onteigende, dat daar een diepe plas ligt. (…)
Mr. Ten Katelicht zijn standpunt ter zake van een zijn inziens in het deskundigenadvies op bladzijde 32 gemaakte rekenfout toe.
mr. De Vries Robbédat mr. Ten Kate gelijk heeft wat betreft de omrekening van meters naar tonnen.
Mr. ten Kateverklaart vervolgens dat bij de berekening zoals die oorspronkelijk was, de Staat wel heeft gezegd dat de manier waarop de gronden worden verwerkt niet alledaags is omdat de grond anoxisch moet worden gehouden; dat is wat anders dan in depot storten. Er is sprake van een bewerkelijke manier van storten, als je niet kunt storten komen transportkosten erbij, terwijl je wint op loskosten. Naar de mening van de Staat sluit de oude berekening niet op nihil maar op een negatief bedrag, zodat van het nieuwe bedrag weer wat vanaf moet.’
bijzondere geschiktheid
verwijzingsgeding. Consequentie van de bedoelde partiële werking van het cassatieberoep is – anders dan waarvan het hof is uitgegaan – dat partijen in cassatie dienen te anticiperen op kwesties die na een eventuele vernietiging (weer) van belang kunnen worden. Dat geldt zelfs ook voor kwesties die eerst naar aanleiding van een ingesteld incidenteel beroep betekenis krijgen; bij het formuleren van de klachten in het principaal beroep dient eiser ook op de mogelijkheid van een in te stellen incidenteel beroep te anticiperen. [27]
2.1.2-2.1.4, [28] verkort weergegeven, dat het oordeel van het hof rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Hij voert aan dat hij in de verwijzingsprocedure gemotiveerd en gedocumenteerd feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die in eerste aanleg nog niet bekend waren, die de strekking hebben dat de hoeveelheid niet-vermarktbare grond 832.072 m3 bedraagt, althans substantieel meer dan de 500.000 m3 waarvan in het vonnis is uitgegaan. De omstandigheid dat de Hoge Raad in rechtsoverweging 5.3 van zijn arrest van 25 september 2015 de klacht van [eiser] in 2.11 van zijn middel omtrent de hoeveelheid vermarktbare grond heeft verworpen, doet hieraan niet af. De desbetreffende klacht was gebaseerd op de op dat moment bekende gegevens, aldus [eiser] .
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
gekozen500.000 m3 vermarktbare grond te gebruiken voor de verondieping van de zandwinplas, maar dat uit de Handreiking, de Circulaire en art. 5 en Pro 35 Besluit Bodemkwaliteit volgt dat de Staat
genoodzaaktwas de 500.000 m3 vermarktbare grond te gebruiken voor de verondieping van de zandwinplas. Dit brengt volgens het subonderdeel met zich dat uitgangspunt moet zijn dat de kosten die met dit nadeel verband houden in mindering moeten worden gebracht op de meerwaarde wegens bijzondere geschiktheid.
vermarktbaregrond verband houden met de bijzondere geschiktheid en in mindering moeten worden gebracht op de meerwaarde daarvan. Dat de Staat ook heeft betoogd dat de kosten van het storten van de
niet vermarktbaregrond zo hoog zijn dat bij de begroting van de waarde van de bijzondere geschiktheid
de factogeen sprake is van een voordeel, heeft het hof onderkend en geadresseerd in rechtsoverwegingen 2.21 e.v.