ECLI:NL:PHR:2010:BL7407
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoofdverblijfplaats en zorgverdeling bij beëindiging samenleving ongehuwde ouders met gezamenlijk gezag
De zaak betreft een geschil tussen ongehuwde ouders met gezamenlijk gezag over hun minderjarige zoon, waarbij de moeder na beëindiging van de samenleving met het kind naar een andere plaats is verhuisd. De vader vordert dat de hoofdverblijfplaats bij hem wordt vastgesteld en een gelijkwaardige zorgverdeling wordt toegepast.
De Hoge Raad bespreekt de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding en benadrukt dat nieuwe procesvereisten zoals het ouderschapsplan niet van toepassing zijn op verzoeken ingediend vóór de inwerkingtreding van de wet. De wet legt een norm van gelijkwaardig ouderschap vast, maar dit betekent niet dat de rechter verplicht is tot een gelijke (50/50) verdeling van hoofdverblijfplaats en zorg.
De Hoge Raad oordeelt dat het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in de woonomgeving zwaarwegend is, vooral gezien de jonge leeftijd van het kind. De verhuizing van de moeder naar de nieuwe woonplaats met het kind, ook zonder overleg, leidt niet automatisch tot een wijziging van de hoofdverblijfplaats. De omgangsregeling met de vader wordt beperkt tot een klassieke regeling vanwege afstand en communicatieproblemen.
De Hoge Raad wijst op internationale en buitenlandse regelgeving, waaronder het Franse en Belgische recht, die ook geen dwingende 50/50 regeling voorschrijven. Het belang van het kind blijft de primaire maatstaf, waarbij de rechter maatwerk moet leveren. De klachten van de vader worden verworpen en het beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van het kind blijft bij de moeder en de omgangsregeling met de vader wordt beperkt vastgesteld, met het belang van het kind als uitgangspunt.