ECLI:NL:HR:2011:BM0781
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- H.A.G Splinter-van Kan
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep bij klaagschrift inzake beslag en verbeurdverklaring
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de Rechtbank Middelburg die een klaagschrift over een beslag op een geldbedrag niet-ontvankelijk verklaarde. De klager had geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland ten tijde van de uitreiking van de beschikking, waardoor de betekening aan de raadsman niet rechtsgeldig was volgens art. 588 Sv Pro. Hierdoor was de beroepstermijn nog niet verstreken bij het instellen van cassatie.
De Hoge Raad overweegt dat het klaagschrift moet worden opgevat als bedoeld in art. 552b Sv indien de voorwerpen inmiddels verbeurd zijn verklaard. In deze zaak werd het vonnis met verbeurdverklaring onherroepelijk in de cassatiefase. Daarom vernietigt de Hoge Raad de bestreden beschikking en verwijst de zaak naar het bevoegde gerecht voor verdere behandeling.
De uitspraak verduidelijkt de regels omtrent betekening en ontvankelijkheid van cassatieberoepen bij beklag over beslag en verbeurdverklaring, en bevestigt dat de beroepstermijn pas begint na rechtsgeldige betekening.
Uitkomst: Het cassatieberoep is ontvankelijk verklaard, de bestreden beschikking vernietigd en de zaak verwezen naar het bevoegde gerechtshof.