ECLI:NL:HR:2011:BQ3983
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vermindering ontnemingsbedrag wegens overschrijding redelijke termijn en beoordeling soortgelijke feiten
In deze zaak stond een cassatieberoep centraal tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie gericht op mensensmokkel, maar was in een deel van de periode vrijgesproken. Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op €3.200, gebaseerd op het ter beschikking stellen van een Schipholtoegangspas voor mensensmokkelactiviteiten.
De Hoge Raad toetste de uitleg van het hof over de bewezenverklaring en oordeelde dat het hof niet onbegrijpelijk had geoordeeld dat ook bij vrijspraak van deelname aan de criminele organisatie het voordeel uit soortgelijke feiten betrokken kon worden bij de ontnemingsvordering. Tevens werd vastgesteld dat het hof aannemelijk had gemaakt dat de betrokkene op zestien dagen haar pas ter beschikking had gesteld tegen een redelijke vergoeding.
Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, werd het opgelegde bedrag ambtshalve verminderd van €3.200 naar €2.090. Het beroep werd voor het overige verworpen en de uitspraak van het hof werd vernietigd voor zover het bedrag betreft. De Hoge Raad bevestigde hiermee de mogelijkheid om voordeel uit soortgelijke feiten mee te nemen bij ontneming, ook als sprake is van vrijspraak van bepaalde feiten.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het ontnemingsbedrag tot €2.090 en bevestigt dat voordeel uit soortgelijke feiten mag worden betrokken.