In deze zaak betreft het een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene werd vastgesteld op €176.383,-- in verband met betrokkenheid bij een hennepknipperij aan een adres in Waddinxveen. De betrokkene was in de hoofdzaak vrijgesproken van het medeplegen van de verkoop van hennep, maar wel veroordeeld voor medeplegen van het bewerken van hennep en deelneming aan een criminele organisatie.
De verdediging stelde dat het ontnemen van voordeel gebaseerd was op feiten waarvoor de betrokkene was vrijgesproken, wat volgens het Geerings-arrest van het EHRM niet is toegestaan. Het hof oordeelde echter dat het voordeel is verkregen uit de opbrengst van de hennepknipperij, waarbij de betrokkene mede de opbrengst heeft gedeeld, zonder dat directe betrokkenheid bij de verkoop vereist is.
Het hof motiveerde dat het voordeel is toe te rekenen aan de bewezen verklaarde feiten van medeplegen van het bewerken van hennep en deelneming aan een criminele organisatie. De Hoge Raad bevestigt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en dat het Geerings-arrest niet is miskend. Het cassatiemiddel wordt verworpen en het beroep afgewezen.