Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet naar de eis der wet is gemotiveerd, aangezien het hof heeft verzuimd de verkorte uitspraak aan te vullen met de bewijsmiddelen en de bestreden uitspraak niet de wettige bewijsmiddelen bevat die ten grondslag liggen aan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Daarnaast heeft de betrokkene zelf op die terechtzitting verklaard dat zij geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten, aangezien zij niet heeft gedeeld in de opbrengsten van de kwekerij en zij niets weet van de opbrengsten en de kosten van de kwekerij. Zij heeft weliswaar opdracht gegeven om een hennepkwekerij aan te leggen in de woning, maar de hennepkwekerij is door anderen gebouwd en ingericht, terwijl zij alleen voor de 280 à 300 planten, die daar stonden, heeft gezorgd.
(i) De raadsman van de betrokkene (mr. Witjens) heeft bij faxbericht van 17 februari 2016 aan de griffier van de Hoge Raad verzocht om toezending van de aanvulling bewijsmiddelen bij de uitspraak van het hof van 1 juni 2015. Bij faxbericht van 23 februari 2016 heeft de raadsman dit verzoek herhaald.
(ii) Naar aanleiding van het verzoek heeft de griffier van de Hoge Raad bij brief van 25 februari 2016 aan de griffier van het hof verzocht de aanvulling op de verkorte uitspraak aan de strafadministratie van de Hoge Raad te doen toekomen.
(iii) De griffier van het hof heeft bij brief van 2 maart 2016, gericht aan een griffiemedewerkster van de Hoge Raad, verklaard dat in de uitspraak van het hof ten onrechte is vermeld dat het een verkorte uitspraak betreft, dat de uitspraak echter geen verkorte uitspraak is omdat daarin de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel is uitgewerkt en dat er derhalve geen aanvulling is opgemaakt. Een griffiemedewerkster van de Hoge Raad heeft deze verklaring van de griffier van het hof op 4 maart 2016 toegezonden naar de raadsman van de betrokkene. Daarbij is in overleg met de rolraadsheer van de Hoge Raad de termijn voor het indienen van een cassatieschriftuur verlengd tot en met 14 maart 2016.
(iv) Op 25 februari 2016 hebben de raadslieden van de betrokkene namens de betrokkene een schriftuur ingediend, waarin in het eerste middel over het ontbreken van de bewijsmiddelen wordt geklaagd. Naar aanleiding van de verklaring van de griffier van het hof heeft de raadsman van de betrokkene op 14 maart 2016 een (nadere) schriftelijke toelichting ingediend op het eerste middel.
tweede middelbevat de klacht dat het hof ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene € 25.345,86 bedraagt.