ECLI:NL:HR:2013:BW1971
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- C.B. Bavinck
- C.H.W.M. Sterk
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat aandeelhouderschap voortvloeit uit verstrekking geldlening en geen onzakelijke lening is
Belanghebbende kreeg voor de jaren 2004 en 2005 aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd, waarbij de Inspecteur het verlies op nihil stelde. Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank en het Hof werd voor 2005 het verlies vastgesteld op €291.236. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betrof de vraag of de lening die belanghebbende aan haar dochtervennootschap C B.V. verstrekte, onzakelijk was. De Hoge Raad stelt dat sprake is van een onzakelijke lening wanneer een aandeelhouder een debiteurenrisico aanvaardt dat een derde niet zou accepteren. Hieruit volgt dat indien het aandeelhouderschap voortvloeit uit de lening, er geen sprake is van een onzakelijke lening.
De Hoge Raad oordeelt dat belanghebbende haar aandeelhouderschap verkreeg als compensatie voor de lening en het debiteurenrisico niet in hoedanigheid van aandeelhouder heeft aanvaard. Het hof heeft de afwaardering van de lening terecht toegestaan. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de afwaardering van de lening wordt toegestaan.