Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
BNB2014/98 is voldaan, zodat sprake is van een onzakelijke lening. Hierbij rijst eveneens de vraag of het verlies op de geldlening in box 1 dan wel in box 2 moet worden verantwoord.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
BNB2014/98), zodat teruggevallen moest worden op de hoofdregel als bedoeld in het arrest HR
BNB2013/171. Deze luidt dat geen sprake is van een onzakelijke lening wanneer de verstrekking van een geldlening plaatsvindt door een belastingplichtige die voorafgaand aan de geldverstrekking nog niet aandeelhouder van de vennootschap was en in het kader van die verstrekking door toekenning van aandelen in de vennootschap of anderszins medegerechtigd wordt tot de winst van de vennootschap.
3.Het geding in cassatie
BNB1998/208 ontwikkelde criteria volgens de Staatssecretaris hun belang verliezen en zou het voldoende zijn om slechts “op papier” te regelen dat niet letterlijk aan de criteria van de deelnemerschapslening wordt voldaan. Voorts leidt de Staatssecretaris uit de overweging van de Hoge Raad in
BNB2013/171 (
“er kunnen zich uitzonderingssituaties voordoen waarin deze conclusie niet gerechtvaardigd is. Dat is in het bijzonder het geval indien enz.”) [3] af dat er meer situaties denkbaar zijn waarin de onzakelijkheid dusdanig groot is dat een ‘lening’ fiscaalrechtelijk moet worden behandeld als een informele kapitaalstorting. Deze overweging bevestigt volgens de Staatssecretaris de noodzaak van de materiële beoordeling van de voorwaarden voor een deelnemerschapslening en maakt duidelijk dat het Hof een te beperkte toetsing heeft aangelegd.
BNB2014/98. Uit dit arrest leidt hij af dat de Hoge Raad zich niet beperkt tot een strikte uitzondering op de in HR
BNB2013/171 ontwikkelde regel dat geen sprake is van een onzakelijke lening bij het verstrekken van een geldlening voorafgaand of gelijktijdig met het verkrijgen van een aandelenbelang, maar ruimte ziet voor meer situaties waarin toch sprake kan zijn van een onzakelijke lening. Het gebruik van de woorden “situaties” en “min of meer” geeft volgens de Staatssecretaris aan dat de Hoge Raad deze regel materieel uitlegt. Het Hof heeft volgens hem “te precies” getoetst aan de exacte bewoordingen van HR
BNB2014/98, zonder oog te hebben voor de strekking van deze uitzondering. Het kan volgens hem niet de bedoeling zijn dat door de verstrekking van de leningen door oude en nieuwe aandeelhouders in de tijd enigszins uit elkaar te trekken, tot een andere uitkomst kan worden gekomen.
4.Deelnemerschapslening
BNB1988/217. [4] In dit zogenoemde Unileverarrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor de vraag of een geldverstrekking een geldlening of een kapitaalverstrekking is, voor de fiscale gevolgen in beginsel (als hoofdregel) de civielrechtelijke vorm beslissend is Eveneens in dit arrest heeft de Hoge Raad drie uitzonderingen op de hiervoor bedoelde hoofdregel expliciet onderscheiden, te weten: de schijnlening, de deelnemerschapslening en ten slotte de bodemlozeputlening. [5] Die leerstukken, althans sommige daarvan, waren reeds eerder in de jurisprudentie tot ontwikkeling gekomen.
BNB1988/217 volgt dat het hof voor de vereisten van de deelnemerschapslening heeft aangesloten bij de zogenoemde deelnemerschapsarresten. [7] Het hof overwoog:
BNB1988/217 als volgt:
BNB1998/208. [8] , [9] Uit dit arrest kan worden afgeleid dat de deelnemerschapslening ook door een crediteur kan worden verstrekt, die geen deelneming heeft in de debiteur, maar wel via aandeelhouderschap met de debiteur is verbonden. Indien de vergoeding voor de geldverstrekking afhankelijk is van de winst, de lening achtergesteld is bij alle concurrente schuldeisers en de lening geen vaste looptijd heeft, moet in een dergelijk geval de lening in fiscale zin als kapitaalverstrekking worden aangemerkt. [10] De Hoge Raad overwoog:
BNB2006/82 wordt een geldlening met een looptijd van meer dan vijftig jaar aangemerkt als geldlening zonder vaste looptijd: [11]
5.De onzakelijke lening
BNB2008/191. [17] , [18] In deze zaak – in de sfeer van de vennootschapsbelasting – wilde een dochtervennootschap een voorziening wegens oninbaarheid vormen (en aldus een verlies boeken) ten aanzien van een aan een groepsholding verstrekte lening. De Hoge Raad oordeelde evenals het hof dat de geldverstrekking niet was aan te merken als een zakelijke lening:
BNB2012/37 oordeelde de Hoge Raad dat het afwaarderingsverlies op een onzakelijke lening omlaag (een lening van een moedervennootschap aan een dochtervennootschap) niet aftrekbaar is. Eveneens kan uit dit arrest worden afgeleid dat het leerstuk van de onzakelijke lening zich alleen voordoet tussen gelieerde partijen: [22] , [23]
BNB2012/78 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de in de vennootschapsbelasting ontwikkelde onzakelijkeleningenjurisprudentie evenzeer geldt voor vorderingen uit geldleningen die – voor de heffing bij de verstrekker daarvan – onder het regime van de tbs-regeling vallen: [25]
BNB2012/37; A-G].
BNB2008/191; A-G] ook van toepassing is op leningen die door de aandeelhouder aan zijn vennootschap zijn verstrekt, falen zij omdat dit oordeel juist is. De onzakelijke aanvaarding van het debiteurenrisico is immers ook in dat geval gebaseerd op de aandeelhoudersrelatie tussen de schuldenaar en de schuldeiser van de geldlening.
Het chalet-arrest, het informal investor-arrest en het chalet- en informal investor-arrest II
BNB2013/169 [26] en HR
BNB2013/170 (het zogenoemde chalet-arrest) en in de terbeschikkingsstellingsfeer: HR
BNB2013/171 (het zogenoemde informal investor-arrest). In deze arresten heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag of sprake is van een onzakelijke lening indien een belastingplichtige in het kader van een geldverstrekking aandeelhouder wordt in een vennootschap.
BNB2008/191 zich hebben voorgedaan. Het hof oordeelde dat belanghebbende haar eigen zakelijke belangen diende doordat zij door het aanvaarden van het aan de lening verbonden debiteurenrisico via een minderheidsdeelneming in BV-C gerechtigd werd tot de toekomstige exploitatieresultaten van het chaletpark.
Vakstudie-Nieuwsis uitgebreid ingegaan op de geformuleerde rechtsregel in r.o. 3.3, namelijk onder welke omstandigheden het aandeelhouderschap een hoedanigheid is die voortvloeit uit de verstrekking van een lening. De redactie schreef onder meer: [28]
Jorritsmaschrijven het navolgende over de door de Hoge Raad ontwikkelde rechtsregel (ik neem voetnoten niet op): [29]
BNB 2013/170blijkt dat het zelfs zo kan zijn dat het aandeelhouderschap (nog steeds) voortvloeit uit de geldlening als het aandeelhouderschap al vóór de geldlening tot stand is gekomen, zoals in dat arrest aan de orde was. Dan wordt het allemaal wel heel diffuus.(…). Of de geldlening voortvloeit uit het aandeelhouderschap of, omgekeerd, het aandeelhouderschap voortvloeit uit de geldlening, is overigens een feitelijke vraag die door de feitenrechter zal worden beslecht. De rol van de Hoge Raad is hierin een marginale. Ik denk dat na onderhavige arresten van de Hoge Raad van 3 mei jl. de inspecteur voor geldleningen in dergelijke situaties een niet te benijden bewijspositie heeft. Hij zal, vrees ik voor hem, regelmatig in bewijsnood komen.
BNB 2013/170deze(lfde) vraag op. Getransponeerd naar onderhavige IB/tbs-casus betekent dit dat de waardeontwikkelingen van de aandelen niet behoren tot het aanmerkelijkbelanginkomen van box 2 maar onderdeel uitmaken van het resultaat uit overige werkzaamheden (terbeschikkingstellingsregeling) van box 1. Met P.G.H. Albert vermoed ik dat de Hoge Raad deze consequentie niet voor ogen zal hebben gestaan, maar er rijst twijfel, nu de Hoge Raad de aandelenverkrijging nadrukkelijk in de geldleningsfeer plaatst, hetgeen vervolgens de vraag oproept hoe ver dit gaat. Het consequent doortrekken van deze gedachtegang leidt in de IB zelfs, als ik het goed zie, tot een cirkelredenering: Als de aandelen voortvloeien uit de geldlening en in feite hiervoor een additionele (rente)vergoeding zijn, gaan de aandelen als het ware op in de geldlening. De geldlening is dan volstrekt overheersend en absorbeert de aandelen. Alsdan kan worden betoogd dat geen sprake is van een aanmerkelijk belang in de zin van art. 4.6 Wet IB 2001. Daarmee behoort de geldlening niet tot het tbs-vermogen (want er is geen aanmerkelijk belang) en de aandelen ook niet (meer). Ingevolge de rangorderegeling van art. 2.14 Wet IB 2001 behoren de aandelen dan weer tot het aanmerkelijk belang van box 2, waardoor de geldlening toch weer deel uitmaakt van het tbs-vermogen in box 1. De aandelen gaan vervolgens weer op in die geldlening en behoren weer niet tot het aanmerkelijk belang, waardoor de geldlening weer niet tot het tbs-vermogen behoort, enz. Het zal duidelijk zijn dat dit niet de bedoeling is. Om dit soort cirkelredeneringen te voorkomen, bepaalt art. 3.92 lid 2 onderdeel e Wet IB 2001 dan ook dat onder het ter beschikking stellen van vermogen niet wordt begrepen het houden van aandelen in en winstbewijzen van de vennootschap. Naar mijn mening moeten we het dus zo zien dat de aandelen wel degelijk behoren tot een aanmerkelijk belang ex art. 4.6 Wet IB 2001, ook als de aandelen voortvloeien uit de geldlening (zoals in onderhavig arrest aan de orde is). De geldlening behoort dientengevolge dan tot het tbs-vermogen ex art. 3.92 Wet IB 2001, maar door het bepaalde in art. 3.92 lid 2 onderdeel e Wet IB 2001 behoren de aandelen niet tot het tbs-resultaat op de tbs-geldlening, ook al vloeit de aandelenverkrijging voort uit de geldlening.
BNB2014/98 was de belanghebbende (BV-X) enig aandeelhouder van BV-C. Belanghebbende had een participatieovereenkomst gesloten met verscheidene natuurlijke personen en rechtspersonen. In het kader van deze overeenkomst zou belanghebbende via BV-C aandelen verwerven in BV-D.
BV-C is op 9 februari 2001 houder geworden van alle aandelen van BV-D. [34] De verkopers van de aandelen (de natuurlijke personen E en G) zouden ieder een belang van 24,5% verwerven in BV-C. Voorts verstrekte belanghebbende in het kader van de participatieovereenkomst een lening aan BV-D. [35]
BNB2013/171 dat in beginsel geen sprake kan zijn van een onzakelijke geldlening ingeval een geldverstrekker voorafgaand aan de geldverstrekking nog geen aandeelhouder was van de vennootschap waaraan wordt geleend en waarin een belang wordt verkregen. De Hoge Raad oordeelde in HR
BNB2014/98 als volgt: [37]
BNB2014/98 expliciet geoordeeld dat er uitzonderingen kunnen bestaan op het hiervoor bepaalde:
BNB2014/98 een nadere uitleg gegeven aan de overweging in het chalet-arrest en het informal investor-arrest dat “houders van (gezamenlijk) de meerderheid van het aandelenkapitaal van de vennootschap geen geldleningen verstrekken aan de vennootschap”:
BNB2014/98 noemt
Albertde uit HR
BNB2013/170 en HR
BNB2013/171 voortvloeiende rechtsregel (dat geen sprake is van een onzakelijke lening als de aandeelhoudersrelatie tegelijk – in directe samenhang – ontstaat met de geldverstrekking) de zogenoemde ‘simultaanuitzondering’. [38] Ten aanzien van de in dit arrest ontwikkelde
uitzonderingop de ‘simultaanuitzondering’ merkt hij op (ik neem voetnoten niet op):
alleaandeelhouders
min of meerin verhouding tot hun aandelenbelang geldleningen aan de vennootschap verstrekken met welke geldleningen een debiteurenrisico wordt gelopen dat door een onafhankelijke derde onder de gegeven omstandigheden niet zou zijn aanvaard.” Ik ga hierna in op de (door mij) gecursiveerde woorden.
alleaandeelhouders, terwijl hij het in
BNB 2013/170en
BNB 2013/171had over de gezamenlijke meerderheid van de aandeelhouders. Uit het gebruik van de woorden ‘dat is in het bijzonder het geval’ denk ik niet dat de Hoge Raad bedoelt te zeggen dat de simultaanuitzondering van toepassing blijft in de volgende situatie: vier aandeelhouders met een gezamenlijk belang in het aandelenkapitaal van 80% verstrekken naar rato van hun aandelenbelang een lening aan de vennootschap, terwijl de vijfde en zesde aandeelhouder met elk een 10%-belang geen lening verstrekken. Ofschoon niet aan de eis van ‘alle’ is voldaan, lijkt mij dat de uitzondering op de simultaanuitzondering van toepassing is, zodat de leningen aan de onzakelijkeleningjurisprudentie moeten worden getoetst. Verder valt op dat de Hoge Raad (anders dan in
BNB 2013/170en
BNB 2013/171) de woorden ‘min of meer’ gebruikt. Dat lijkt mij een nuttige toevoeging, die ruimte biedt voor een materiële benadering.
BNB2013/170 en 171) de woorden ‘
een situatie ontstaat’ gebruikt. Daardoor is het precieze tijdstip van de leningverstrekking door de diverse aandeelhouders niet van belang. In
BNB2013/170 en 171 leek een bepaalde volgorde in de leningverstrekking noodzakelijk.
Vakstudie-Nieuwsdat de Hoge Raad een nadere verfijning geeft van de arresten van 3 mei 2013 in gevallen waarbij crediteursrelatie en aandeelhoudersrelatie min of meer tegelijkertijd en in onderling verband ontstaan. Voorts tekende de redactie aan: [40]
BNB2012/37; A-G] geformuleerde toets, namelijk: ‘(…) is een onafhankelijke derde bereid om de lening te verstrekken tegen een vaste (niet in wezen winstdelende) rente onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden?’. Indien sprake is van een package deal is hiertoe dus per definitie een onafhankelijke derde bereid: de belastingplichtige zelf is immers (voorafgaand aan de leningverstrekking) een onafhankelijke derde die bereid is om (onder andere) onder de voorwaarde dat hij aandelen krijgt een lening tegen een vast rentepercentagete verstrekken. Het aandeelhouderschap vloeit dan dus voort uit de geldverstrekking. De Hoge Raad houdt deze lijn vast. Dit alles uiteraard behoudens de hierna te bespreken uitzondering(en).
FED 2013/50) heb ik reeds vraagtekens gezet bij het feit dat de Hoge Raad leek aan te sluiten bij ‘de houders van gezamenlijk de meerderheid van het aandelenkapitaal’. Ik heb destijds opgemerkt dat het logischer zou zijn om aan te sluiten bij de verhouding tussen het risico gelopen bij de leningverstrekking (
downside) en de winstgerechtigdheid (
upside). Het ligt immers voor de hand dat een geldverstrekker eerder bereid zal zijn een hoog risico te accepteren indien de overige aandeelhouders daar ook toe bereid zijn. Als dat niet gebeurt, profiteren de overige aandeelhouders namelijk van het feit dat de geldverstrekker het onzakelijke debiteurenrisico accepteert, terwijl de geldverstrekker tegenover het risico slechts voor een beperkt percentage in de winst deelt (dus volledige downside, beperktere upside). Verder heb ik destijds opgemerkt dat het logischerwijze dan ook om het verstrekken van leningen met een hoog debiteurenrisico door de andere aandeelhouders zou moeten gaan. Als twee aandeelhouders met beiden een 50%-winstgerechtigdheid een lening met een even groot bedrag verstrekken, maar de één (gezien de voorwaarden) een veel groter risico loopt, komt de verhouding downside-upside immers nog niet overeen. Ook dat was op basis van het informal-investorarrest immers allesbehalve zonneklaar, aangezien de Hoge Raad in het algemeen sprak over ‘(…) dat de houders van gezamenlijk de meerderheid van het aandelenkapitaal geen leningen verstrekken’. In die visie zou de uitzondering dus inderdaad moeten zien op de situatie waarin alle aandeelhouders min of meer in verhouding tot hun
winstgerechtigdheidgeldleningen met een onzakelijk debiteurenrisico verstrekken. De Hoge Raad lijkt deze visie nu te bevestigen. Als een dergelijke redenering inderdaad ten grondslag ligt aan de geformuleerde uitzondering lijkt de Hoge Raad één ding over het hoofd te zien: hij heeft het immers over de verhouding tot het
aandelenbelang. Dat zegt echter nog niets over de winstgerechtigdheid, er kunnen namelijk ook meerdere soorten aandelen zijn.
Van Daalheeft het ‘chalet- en informal investor-arrest II’ voorzien van commentaar. Hij meent dat na het wijzen van het arrest nog verscheidene vragen onbeantwoord zijn (gebleven): [42]
Fiscaal up to Datezette vraagtekens bij het oordeel van de Hoge Raad, dat bepalend is of het aandeelhouderschap wordt verkregen voordat de geldlening is overeengekomen: [43]
Van der Veldenhebben als volgt gereageerd op de in HR
BNB2014/98 (in r.o. 3.3.3.1) bedoelde uitzonderingssituatie: [44]
Bobeldijken
Van der Veldendat er na het wijzen van dit arrest nog diverse vragen (onbeantwoord) zijn: [45]
BNB 2013/170) zijn hiermee beantwoord. Over de vraag hoe deze uitzondering moet worden gelezen in geval van leningen verstrekt door soortaandeelhouders twijfel ik, omdat de Hoge Raad spreekt van “min of meer in verhouding tot hun aandelenbelang”. Het lijkt me logisch dat hier de economische positie bedoeld wordt, omdat louter de relatie tot het juridische belang minder zegt over het min of meer op gelijke voet financieren. Het feit dat een winstrechtloze aandeelhouder niet ook een lening verstrekt, lijkt me niet meer dan logisch en dan ook niet richtinggevend voor de al dan niet zakelijkheid van de lening.
FutDwel degelijk sprake van een uitzonderingssituatie, zodat de geldlening kwalificeert als onzakelijke lening: [50]
7.Afwaarderingsverlies in box 1 of box 2?
BNB2012/78 kan de uit de onzakelijkeleningenjurisprudentie evenzeer worden toegepast in de tbs-sfeer. Niet in geschil is dat indien geen sprake is van een onzakelijke lening het afwaarderingsverlies in aanmerking kan worden genomen in box 1 als (negatief) resultaat uit overige werkzaamheden (op grond van artikel 3.92, lid 1, onderdeel a, Wet IB 2001, j.o. artikel 3.94 Wet IB 2001).
BNB2012/78 en HR
BNB2014/98 in principe niet gelijk worden gesteld met een (informele) kapitaalstorting. Dat is echter wel het geval indien definitief vaststaat dat een debiteur niet meer aan zijn aflossingsverplichting zal voldoen – zoals bij kwijtschelding van een oninbare vordering [53] en liquidatie van de vennootschap. [54]
artikel 3.92 Wet IB 2001. De artikelen 3.94 en 3.95 Wet IB 2001 luidden voor zover in cassatie van belang (in het jaar 2011) als volgt:
8.Beschouwing en beoordeling van de middelen
BNB1998/208 is sprake van een deelnemerschapslening indien i) de vergoeding voor de geldverstrekking afhankelijk is van de winst; ii) de schuld is achtergesteld bij alle concurrente schuldeisers; en iii) de schuld geen vaste looptijd heeft doch slechts opeisbaar is bij faillissement, surséance van betaling of liquidatie. [63]
alleaandeelhouders niet kan worden afgeleid of de schuld al dan niet is achtergesteld bij
alleconcurrente schuldeisers.
BNB2012/78 en HR
BNB2013/171 en meer specifiek of aan de uitzondering is voldaan als bedoeld in HR
BNB2014/98. Het Hof oordeelde dat de in HR
BNB2014/98 bedoelde uitzonderingssituatie zich niet in het onderhavige geval heeft voorgedaan en dat geen sprake is van een onzakelijke lening. [66]
BNB2014/98. [67]
BNB2012/78 is de in de vennootschapsbelastingsfeer ontwikkelde jurisprudentie inzake de onzakelijke lening van overeenkomstige toepassing in de terbeschikkingstellingssfeer. [68] Dit betekent dat de rechtsregels uit het (hierna te bespreken) arrest HR
BNB2014/98 ook van toepassing zijn in de onderhavige zaak.
BNB2013/171 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat geen sprake is van een onzakelijke lening als een aandeelhoudersrelatie voortvloeit uit de verstrekking van een geldlening. [69] De Hoge Raad overwoog in dat arrest onder meer dat een onzakelijke geldlening zich niet voordoet in een geval waarin de verstrekking van de geldlening plaatsvindt door een belastingplichtige die voorafgaand aan de geldverstrekking nog niet aandeelhouder van de vennootschap is en in het kader van die verstrekking door toekenning van de aandelen in de vennootschap of anderszins medegerechtigd wordt tot de winst van de vennootschap.
BNB2014/98 dat er uitzonderingen op de in HR
BNB2013/171 ontwikkelde regel zijn te maken. [70] Zo is wél sprake van een onzakelijke lening indien na het verstrekken van de geldlening en de daarop volgende toekenning van aandelen aan de geldleningverstrekker een situatie ontstaat waarin alle aandeelhouders min of meer in verhouding tot hun aandelenbelang geldleningen aan de vennootschap verstrekken met welke geldleningen een debiteurenrisico wordt gelopen dat door een onafhankelijke derde onder de gegeven omstandigheden niet zou zijn aanvaard.
BNB2014/98 gekozen bewoordingen ruimte laten om de uitzondering eveneens toe te passen buiten het in die zaak berechte geval. Dit ligt immers besloten in de termen ‘uitzonderingssituaties’, [71] ‘in het bijzonder het geval (…)’ [72] en ‘min of meer’. [73]
opnieuwgelden naar evenredigheid van hun aandelenbelang en onder dezelfde voorwaarden zouden verstrekken.
bestaandevorderingen heeft omgezet in geldleningen (waarop dezelfde voorwaarden van toepassing zijn als op de door de drie directieleden van [E] BV verstrekte geldleningen aan [G] Holding ter grootte van € 300.000), maakt dit niet anders. Hetzelfde geldt voor de aansluiting door [H] (vanuit de ‘ah-leningen’ bezien) bij de verhouding tot het aandelenbelang van de aandeelhouders.
BNB2013/170 en HR
BNB2013/171 volgende hoofdregel dat een belastingplichtige die voorafgaande aan de geldverstrekking nog niet aandeelhouder van een vennootschap was en in
het kader vandie geldverstrekking door toekenning van aandelen in de vennootschap of anderszins medegerechtigd wordt tot de winst van die vennootschap. Uit de woorden ‘in het kader’ volgt dat sprake moet zijn van een verband tussen het verstrekken van de lening en het verkrijgen van de aandelen (dit is de zogenoemde package-deal). [82] Dit verband ontbreekt in de onderhavige zaak bij de reeds eerder verstrekte leningen door de meerderheidsaandeelhouder [H] aan [G] Holding. Dit verband zou wel bestaan indien [H] nieuwe leningen zou verstrekken aan [G] Holding, zoals het Hof terecht heeft geoordeeld.
BNB2014/98 is geen steun te vinden voor de opvatting van de Staatssecretaris.
BNB2014/98 is voldaan, geldt de hoofdregel dat van een onzakelijke lening geen sprake is in een geval waarin de verstrekking van de lening plaatsvindt door een belastingplichtige die voorafgaand aan de geldverstrekking nog niet aandeelhouder was en in het kader van die verstrekking door toekenning van aandelen in die vennootschap medegerechtigd wordt tot de winst.