Conclusie
vierde middelricht zich tegen ’s Hofs bewezenverklaring onder 1, voor zover inhoudende dat verdachte en zijn medeverdachten opzettelijk bedrieglijk potentiële klanten “onjuist” hebben geïnformeerd over een aanstaande beursgang. Volgens de steller van het middel kan uit geen van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen volgen dat de beursgang waarover in een aantal bewijsmiddelen wordt gesproken in werkelijkheid niet zou gaan plaatsvinden.
vijfde middelkomt op tegen ’s Hofs bewezenverklaring onder 1, voor zover inhoudende dat verdachte en zijn medeverdachten bij het telefonisch benaderen van klanten gebruik maakten van een verkoopverhaal met “niet op waarheid gebaseerde” verkoopprijzen en verkooptermijn. Uit geen van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen zou kunnen worden afgeleid dat de door verdachte en zijn medeverdachten genoemde verkoopprijzen en verkooptermijn onjuist waren.
6.Het eerste middel van de eerste schriftuur
Engagement Agreement, Draft - to be discussedvan 6 maart 2001 (bijlage 10.22.5) en inhoudende:
faxbericht van 31 juli 2001en inhoudende (bijlage 10.22.10):
brief van de belastingdienst van 27 augustus 2003en inhoudende (Ordner Financieel rapport, p. 60)
nota van afrekening van de notaris van 14 november 2001en gericht aan de verdachte, inhoudende (Ordner Financieel rapport, p. 311):
Orderbevestiging/koopovereenkomst van 23 juli 2002, inhoudende (Ordner Financieel rapport, p. 77):
factuur van [F] BV van 31 juli 2002,
factuur van [G] van 9 april 2002,
[betrokkene 5](bijlage 4.4.1):
factuur van [L] van 24 april 2002, inhoudende (Ordner Financieel rapport, p. 122 en 123):
Financieel rapport, inhoudende (p. 7,9 en 18):