Conclusie
4.Het eerste middel
4.3. Redengevende feiten en omstandigheden
Aanvulling ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde
5.Het tweede middel
“enige en verifieerbare onderbouwing”te geven voor haar stelling dat het geld dat besteed is wel een legale herkomst had en door te oordelen dat de alternatieve verklaring
“onvoldoende verifieerbaar"is en dat een
“aannemelijke verklaring (...) is uitgebleven”,een eis heeft gesteld die de jurisprudentie niet stelt. Het is immers vaste rechtspraak, aldus de steller van het middel, dat van een verdachte mag worden verlangd dat deze een
“concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het desbetreffende geldbedrag”. Het hof is aldus uitgegaan van een verkeerd criterium.