Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het onder 1 bewezen verklaarde feit ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft gekwalificeerd als witwassen, nu het hof wel heeft vastgesteld dat de geldbedragen die de verdachte en zijn medeverdachten hebben verworven, voorhanden hebben gehad en hebben overgedragen van eigen misdrijf afkomstig zijn, maar niets heeft vastgesteld waaruit kan blijken dat de gedragingen van de verdachte en zijn medeverdachten ook gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die gelden.
zelfbegaan misdrijf. [1]
verwerven en/of het voorhanden hebbenvan door eigen misdrijf verkregen voorwerpen bewezen is verklaard. Zij hebben in beginsel geen betrekking op gevallen waarin het “overdragen”, het “gebruik maken” en/of het “omzetten” van zulke voorwerpen, in de betekenis die ingevolge art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder b, Sr aan die begrippen toekomt, bewezen is verklaard. Niet valt uit te sluiten dat anders moet worden geoordeeld in het bijzondere geval dat het “overdragen”, het “gebruik maken” of het “omzetten” van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. Volgens de Hoge Raad moet immers worden voorkomen dat de hiervoor onder 14 tot en met 16 weergegeven regels worden omzeild enkel door het ten laste leggen en bewezen verklaren van een andere delictsgedraging dan “verwerven” of “voorhanden hebben”. In zo een bijzonder geval geldt eveneens dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als “witwassen”, er sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft in de hiervoor onder 14 tot en met 16 omschreven zin. [2]
tweede middelbehelst de klacht de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.