Conclusie
1.[eiser 1] ,
[eiseres 2],
2.Procesverloop
Ad a.Duurzamegemeenschappelijke huishouding
3.Bespreking van het cassatiemiddel
rechtsklacht 1geeft het hof, kort gezegd, blijk van een onjuiste rechtsopvatting door deze vraag van beslissende betekenis te achten, zonder nader oordeel omtrent alle overige omstandigheden van het geval, waaronder de lange duur van samenwoning (18 jaar). Dat gaat volgens de klacht voorbij aan de in het arrest Dekker/Petronella B.V. ontwikkelde maatstaf.
Rechtsklacht 2klaagt dat het hof in strijd met art. 7:267 lid 3 onder Pro a BW onvoldoende betekenis heeft toegekend aan de langdurige samenwoning van [eiser 1] en [eiseres 2] en daarmee ten onrechte de beoogde bescherming van het medehuurderschap aan [eiser 1] onthouden op de enkele grond dat ten tijde van het verzoek op 22 september 2010 de feitelijke samenwoning reeds zou zijn geëindigd.
motiveringsklacht 1onder meer [2] de klachten: (i) dat dit oordeel onvoldoende gemotiveerd is, mede omdat de huurovereenkomst nog voortduurde en (ii) dat het hof voorbijgaat aan de systematiek van het verwante art. 7:268 lid 2 BW Pro, terwijl in de afwijzingsgronden van art. 7:267 lid 3 BW Pro niet de eis valt te lezen dat het verzoek binnen een bepaalde tijd wordt gedaan.
Dekker/Petronella B.V.uit 1980 blijkt dat een naderend einde van de duurzame gemeenschappelijke huishouding op zichzelf geen reden is om het verzoek niet toe te wijzen. [9] In dat geval hadden huurder Dekker en diens vriendin Van der Steen besloten hun relatie te beëindigen en dat Dekker de woning zou verlaten. Kantonrechter en rechtbank wezen het verzoek af, overwegend dat de samenwoning geen duurzaam karakter meer had op het moment dat reeds tot beëindiging van de relatie was besloten. De Hoge Raad vernietigde, overwegend:
Van een duurzame gemeenschappelijke huishoudingvan tenminste twee jaar
kan ook nog gesproken worden op een moment dat er plannen bestaan die gemeenschappelijke huishouding te gaan beëindigen, en de redactie van lid 3, onder b, geeft – in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever, zoals die in de parlementaire stukken tot uitdrukking komt – duidelijk aan, dat de daar gegeven reden tot afwijzing van het verzoek slechts ten doel heeft te voorkomen, dat de in art. 1623h geopende mogelijkheid wordt misbruikt om tot overdracht van de huur tegen de wil van de verhuurder te geraken in gevallen waarvoor dit wetsartikel niet in het leven is geroepen;” (onderstreping toegevoegd; A-G)
Boonacker/Neve [10] uit 1986 blijkt dat het enkele feit dat de huurder uit de woning is vertrokken in verband met een opname in een zorginstelling niet automatisch meebrengt dat niet langer van een duurzame gemeenschappelijke huishouding kan worden gesproken. Dit betrof een geval waarin het verzoek om medebewoner Neve als medehuurder aan te merken werd gedaan ruim vier weken nadat huurder Koster in een inrichting en later verpleeghuis werd opgenomen. Uw Raad overwoog:
Onderdeel 1 gaat erkennelijk en
terecht van uit dat de huurder en de medebewoner ten tijde van de indiening van het gezamenlijke verzoek als bedoeld in art. 1623h te zamen een duurzame gemeenschappelijke huishouding moeten hebben, maar betoogt dat in een geval als het onderhavige het beslissende criterium behoort te zijn of er 'een reële verwachting bestond dat de ter observatie opgenomene nadien weer in de woning zou terugkeren'.
Huijnen/Volksbelang [12] betrof het geval dat een zoon (met diens gezin) weer bij zijn moeder was gaan wonen. Ongeveer een jaar nadat de moeder in een zorginstelling was opgenomen (en terwijl inmiddels was komen vast te staan, dat dat definitief zou zijn), werd een verzoek als bedoeld in art. 7:267 lid 1 BW Pro ingediend waaraan in de loop van de procedure, na het overlijden van de moeder, een verzoek als bedoeld in art. 7:268 lid 2 BW Pro werd toegevoegd. Het hof oordeelde dat er ten tijde van het verzoek geen duurzame gemeenschappelijke huishouding meer was in de zin van art. 7:267 BW Pro en, in het verlengde daarvan, ook niet in de zin van art. 7:268 BW Pro. Over – alleen – die laatste gevolgtrekking werd in cassatie geklaagd.
de enkele omstandigheid dat de 'samenwoner' ten tijde van het overlijden van de huurder reeds kortere of langere tijd geen gemeenschappelijke huishouding meer voerde met de huurder omdat laatstgenoemde wegens ziekte of hulpbehoevendheid moest worden opgenomen in een ziekenhuis of zorgcentrum, niet meebrengt dat de vordering op grond van art. 7:268 lid 2 moet Pro worden afgewezen. In een dergelijk geval zal de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval - waaronder de lengte van de periode van samenwonen, de redenen voor de opname van de huurder, en de lengte van die opname - moeten beoordelen of de 'samenwoner' gelet op de strekking van deze bepaling daardoor beschermd dient te worden, ook al was de huurder voorafgaand aan zijn overlijden reeds geruime tijd opgenomen in een ziekenhuis of zorgcentrum.” (onderstreping toegevoegd; A-G)
Huijnen/Volksbelangop dezelfde wijze beoordeeld als in
Boonacker/Neve. Uit
Huijnen/Volksbelangblijkt dat voor de toepassing van art. 7:268 lid 2 BW Pro het feit dat de gemeenschappelijke huishouding kortere of langere tijd is geëindigd niet in de weg hoeft te staan aan de bescherming van art. 7:268 lid 2 BW Pro, terwijl uit
Boonacker/Neveblijkt dat dit bij art. 7:267 BW Pro anders ligt. In zoverre biedt art. 7:268 BW Pro meer ruimte dan art. 7:267 BW Pro. Daarbij moet wel worden aangetekend, dat in
Huijnen/Volksbelangalleen een oordeel van Uw Raad werd gevraagd over de betekenis van art. 7:268 BW Pro in de daar bedoelde gevallen.
Dekker/Petronella B.V.
en dus ook indien deze onlangs beëindigd is, er toch nog van een duurzame gemeenschappelijk huishouding gesproken kan worden, omdat artikel 7:267 BW Pro beoogt juist voor die situatie bescherming te bieden.” (onderstreping toegevoegd; A-G)
Dekker/Petronella B.V)zal over een verzoek tot machtiging om de samenwoner als medehuurder toe te laten anders (dan in het arrest) moeten worden geoordeeld, wanneer het verzoek pas wordt ingediend nadat de huurder reeds naar elders is vertrokken en de samenwoning mitsdien niet meer bestaat. Het arrest biedt volgens hem dan ook slechts uitkomst voor “de bedachtzaam handelende samenwoners”. Schrama gaat ervan uit – onder verwijzing naar de hiervoor bij 3.6.1 bedoelde kantonuitspraak uit 1983 – dat het verkrijgen van medehuurderschap definitief onmogelijk is geworden als de gemeenschappelijke huishouding reeds is verbroken. [22] Van Schie meent daarentegen dat het verzoek ook nog kan worden gedaan als de affectieve relatie “kort voor het verzoek is geëindigd”. [23]
Boonacker/Neveeen duidelijke grens: het medehuurderschap op de voet van art. 7:267 BW Pro kan niet meer met succes worden verzocht nadat de gemeenschappelijke huishouding is geëindigd. Haars inziens zou het de voorkeur hebben gehad de speelruimte bij de toepassing van art. 7:267 en Pro 7:268 BW gelijkelijk in te vullen. Wil de rechter de door de wettelijke regeling beoogde bescherming daadwerkelijk aan de medebewoner verlenen, dan moet hij met het verbreken van de feitelijke samenleving door overmacht de gemeenschappelijk huishouding niet snel als geëindigd beoordelen. [24]
Dekker/Petronella B.V.). Eveneens is denkbaar dat de relatie en daarmee de samenwoning plotseling worden verbroken. Dan nog kan op dat moment onduidelijk zijn of de breuk definitief is. Al deze omstandigheden bieden de rechter ruimte voor het oordeel dat nog niet vaststaat dat er geen gemeenschappelijke huishouding meer is, zodat nog een verzoek als bedoeld in art. 7:267 BW Pro kan worden gedaan.
Huijnen/Volksbelang). Daarmee wordt bovendien tegemoet gekomen aan het belang van de verhuurder om te weten waaraan hij toe is. Van een vaste periode, zoals het middel met verwijzing naar art. 7:268 lid 2 BW Pro bepleit, kan in dit geval naar mijn mening niet worden uitgegaan. De parallel die het middel ziet tussen art. 7:266 en Pro 7:268 BW gaat naar mijn mening verder niet op.
rechtsklacht 1veronderstelt, heeft het hof niet enkel getoetst of op 22 september 2010 de duurzame gemeenschappelijke huishouding was beëindigd. Het hof heeft ook getoetst of het verzoek op 22 september 2010 zo spoedig mogelijk na het beëindigen van de samenwoning is gedaan (zie bij 3.6.5). Het oordeel dat op 22 september 2010 geen sprake meer was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding staat los van de duur ervan.
rechtsklacht 2veronderstelt, berust de beslissing evenmin op de enkele grond dat ten tijde van het verzoek op 22 september 2010 de feitelijke samenwoning reeds zou zijn geëindigd. Het hof heeft immers ook getoetst of op die datum nog sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
motiveringsklacht 1aanvoert, is dat oordeel niet onvoldoende gemotiveerd. Het gegeven (i) dat de huurovereenkomst nog voortduurde behoefde het hof niet afzonderlijk te vermelden, nu dit een voorwaarde is voor toepassing van art. 7:267 lid 2 BW Pro. De stelling (ii) dat het hof voorbijgaat aan de systematiek van het verwante art. 7:268 lid 2 BW Pro is hiervoor bij 3.10 reeds besproken en verworpen. De stelling dat in de afwijzingsgronden van art. 7:267 lid 3 BW Pro niet de eis valt te lezen dat het verzoek binnen een bepaalde tijd wordt gedaan, miskent dat het verzoek moet worden gedaan op het moment dat de duurzame gemeenschappelijke huishouding nog bestaat althans, in het bij 3.9 bedoelde geval, binnen in beginsel korte tijd na beëindiging daarvan.
motiveringsklacht 1.
motiveringsklacht 2, voor zover al voldoend aan de bepaaldheidseisen van art. 407 lid 2 Rv Pro, mist belang. Niet blijkt dat zij (na verwerping van de overige klachten van het middel) tot een andere uitkomst van het geding zou moeten leiden. Overigens is duidelijk dat het hof in rov. 3.4 en 3.5 de grief behandelt die aan de orde stelt, dat geen sprake meer was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding ten tijde van het verzoek om [eiser 1] als medehuurder aan te merken (rov. 3.3, derde gedachtestreepje). Dat is kennelijk grief 6 die luidde: “Ten onrechte heeft de kantonrechter onder punt 4.7 overwogen: “De kantonrechter is van oordeel dat er ook in de onderhavige situatie nog kan worden uitgegaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.”