Conclusie
Mispelhoef/Staat [1] . De andere cassatieklachten zie ik niet opgaan.
alle andere geschriften’ is in Nederlandse rechtspraak de zogenoemde onpersoonlijke geschriftenbescherming afgeleid, dat wil zeggen dat geschriften zonder oorspronkelijk karakter/persoonlijk stempel (zoals dienstregelingen, bijsluiters en programmagegevens) op grond van de Aw bescherming genieten tegen ontlening door ‘eenvoudige herhaling’.
Football Dataco’, zaak C-604/10 (ECLI:EU:C:2012:115), is onder meer het volgende overwogen (punt 40):
Ryanair’ (ECLI:NL:HR:2014:88) heeft de Hoge Raad overwogen dat, gezien punt 40 van het ‘
Football Dataco’-arrest, het uitgangspunt van de Nederlandse wetgever bij de implementatie van de DRl, dat de (onpersoonlijke) geschriftenbescherming met betrekking tot databanken waarin niet substantieel is geïnvesteerd, buiten het bereik van de DRl valt en dat in databanken opgenomen gegevens die zijn aan te merken als geschriften in de zin van art. 10 lid 1 onder Pro 1ᵒ Aw derhalve vatbaar zijn voor auteursrechtelijke bescherming, inmiddels onjuist is gebleken. Databanken die niet aan het oorspronkelijkheidscriterium voldoen zijn blijkens het ‘
Football Dataco’-arrest immers niet vatbaar voor auteursrechtelijke bescherming, aldus de Hoge Raad.
alle’ in art. 10 lid 1 onder Pro 1ᵒ Aw geschrapt.
Football Dataco’-arrest.
Saelman’ (NJ 2006, 112, ECLI:NL:HR:2003:AL8168) heeft de HR over het aanvangstijdtip van de korte verjaringstermijn het volgende overwogen:
De korte verjaringstermijn (…) staat niet alleen in het teken van de rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid. De (…) eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon, moet naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad aldus worden opgevat dat het hier gaat om daadwerkelijke bekendheid (…), zodat het enkele vermoeden van het bestaan van de schade niet bestaat[correcte tekst is hier (fout geciteerd door het hof): “zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat”, A-G]
(…). Voorts heeft de Hoge Raad beslist dat, indien de benadeelde zijn vordering niet kan instellen door omstandigheden die aan de schuldenaar moeten worden toegerekend, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de schuldenaar zich erop zou vermogen te beroepen dat de vijfjarige verjaring is begonnen te lopen op het zojuist bedoelde tijdstip. De korte verjaringstermijn gaat dan pas in wanneer die omstandigheden niet langer verhinderen dat de vordering kan worden ingesteld (…). (…) de Hoge Raad (komt) thans tot het oordeel dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro, gelet op de strekking van deze bepaling, pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen’.
Geldermalsen/Plameco’ (NJ 2007, 377, ECLI:NL:HR:2006:AU7492) heeft opgemerkt, volgt uit het ‘
Saelman’-arrest dat de korte verjaringstermijn vaak zal gaan lopen indien de benadeelde bekend is met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, maar dat dat niet altijd het geval hoeft te zijn. In het ‘
Bosman/G’-arrest van 26 november 2004 (NJ 2006, 115, ECLI:NL:HR:2004:AR1739) heeft de HR gepreciseerd dat de ‘
Saelman’-rechtspraak niet inhoudt dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn niet slechts is vereist dat de benadeelde bekend is met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon maar ook met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden. Aan het stellen van deze eis staat niet alleen de rechtszekerheid in de weg, maar ook de billijkheid nu ‘
de benadeelde (…) zonder hinder van deze verjaringstermijn (zou) kunnen profiteren van een eerst veel later bekend geworden inzicht met betrekking tot de juridische situatie ten tijde van het ontstaan van de schade, terwijl de aansprakelijke persoon zijn gedrag heeft gericht naar de toen geldende inzichten’. De rechtspraak op dit stuk is door de HR samengevat in zijn arrest van 4 mei 2012 inzake ‘
Huisman q.q./Hoskens’ (ECLI:NL:HR:2012:BV6769):
De (…) verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon. Deze eis houdt volgens vaste rechtspraak in dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Een en ander betekent dat het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen afhankelijk is van alle ter zake dienende omstandigheden. (…). (…) voor de aanvang van de verjaringstermijn (…) (is) niet (…) vereist dat de benadeelde daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden waaruit voor hem de schade voortvloeit.’
Football Dataco’-arrest;
El Cheapo’-arrest van 22 maart 2002 (NJ 2003, 149, ECLI:NL:HR:2002:AD9138) vanuit dat de onpersoonlijke geschriftenbescherming naast het databankenrecht kon worden gehandhaafd – waardoor de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid met zich brengt dat de korte verjaringstermijn pas op een later moment aanvangt.
Bijenkorf/[A]’ (NJ 2007, 320, ECLI:NL:HR:2007:AY8771) waarin is geoordeeld dat het gerechtshof deze regel had miskend door voor de aanvang van de verjaring beslissend te achten het tijdstip waarop de benadeelde op de hoogte was van de strijdigheid van de regeling in kwestie met het EG-Verdrag. Naar aanleiding van de recente rechtspraak van de HR waarin is benadrukt dat bij de bepaling van het aanvangstijdstip van de korte verjaringstermijn moet worden gekeken naar ‘alle ter zake dienende omstandigheden’, wordt hierbij nog opgemerkt dat uit het onder 4.6 overwogene voortvloeit dat het voor TMG in 1998-2000 niet onverwacht kan zijn geweest dat de onpersoonlijke geschriftenbescherming later als strijdig met de DRl is aangemerkt.
El Cheapo’-arrest van 2002 nog is uitgegaan van de geldigheid van de onpersoonlijke geschriftenbescherming – rov. 3.7.1 van dat arrest kan niet anders worden gelezen – maar in dat arrest was de vraag naar de geldigheid daarvan niet aan de orde gesteld, ook niet door de twee aan TMG gelieerde Telegraafvennootschappen die in die procedure partijen waren, meer in het bijzonder partijen die zich moesten verweren tegen een beroep dat door hun wederpartij in die procedure (NVM) op onpersoonlijke geschriftenbescherming werd gedaan. Aangenomen moet worden dat de HR in een zaak waarin de vraag naar de verenigbaarheid van de onpersoonlijke geschriftenbescherming met de DRl expliciet zou zijn voorgelegd, een prejudiciële vraag aan het HvJEU zou hebben gesteld, indien dat niet al in een van de feitelijke instanties zou zijn gebeurd. Daarbij is van belang dat de HR als hoogste nationale rechter verplicht is om zich tot het HvJEU te wenden in het geval als het onderhavige waarin tot 2012 van een acte clair of een acte éclairé geen sprake was (zie ook rov. 4.6). Invalshoek B stuit verder af op de (door de Staat in o.m. de punten 5, 10 en 20 PA ter sprake gebrachte) omstandigheid dat in Nederland de korte verjaringstermijn eenvoudig kan worden gestuit – een brief is daarvoor voldoende (artikel 3:317 lid 1 BW Pro) – en TMG in het licht van de in rov. 4.6 genoemde feiten alle reden had om dat te doen. Nu zij dat niet heeft gedaan kan zij zich niet met vrucht beroepen op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid waarop invalshoek B in de kern berust (zie ook de in rov. 4.3 weergegeven passage van het ‘
Saelman’-arrest).
Iaia’, zaak C-452/09, ECLI:EU:C:2011:323). Het beroep dat TMG op dit doeltreffendheidsbeginsel heeft gedaan ten betoge dat de verjaringstermijn niet voor 1 maart 2012 kan zijn gaan ingegaan, faalt om de hiervóór al genoemde redenen: TMG was al lang voor die datum daadwerkelijk in staat om de op onjuiste implementatie van de DRl gebaseerde schadevordering tegen de Staat te stellen en had bovendien de verjaring op eenvoudige wijze kunnen stuiten. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat de nationale regeling van de korte verjaring van artikel 3:310 lid 1 BW Pro het voor TMG onmogelijk of uiterst moeilijk maakte om schadevergoeding wegens schending van het EU-recht te krijgen.
Waterpakt’-arrest en het ‘
Faunabescherming/Fryslân’-arrest is beslist dat in het geval dat het niet tot stand brengen van wetgeving ter implementatie van een richtlijn onrechtmatig is, de rechter niet aan de Staat of de Provincie een bevel kan geven om wetgeving tot stand te brengen ‘teneinde de onrechtmatige toestand op te heffen’. Daarin was niet de vraag aan de orde wanneer de ‘korte’ verjaring van een vordering tot schadevergoeding wegens niet (juiste)-implementatie van een richtlijn aanvangt. Omdat de genoemde arresten betrekking hadden op een heel andere kwestie kan, anders dan TMG meent, aan het gebruik daarin van het begrip ‘onrechtmatige toestand’ geen argument voor de beantwoording van deze vraag worden ontleend.
Staat/Van Gelder’-arrest en het ‘
Staat/[B]’-arrest is, zoals TMG heeft aangevoerd, overwogen dat niet alleen het uitvaardigen van een wet in strijd met een hogere regeling, maar ook het handhaven daarvan onrechtmatig is. Uit punt 3.3 van het ‘
Staat/Van Gelder’-arrest en punt 3.5.2 van het ‘
Staat/[B]’-arrest blijkt evenwel dat in deze arresten onder ‘handhaven’ iets anders moet worden verstaan dan TMG met dat begrip voor ogen heeft, namelijk: naleving van het voorschrift afdwingen (in ‘
Staat/Van Gelder’ was dat het heffen van belasting op grond van de uitgevaardigde voorschriften). Ook deze arresten bieden dus geen steun aan het in grief II neergelegde betoog, waarbij nog opmerking verdient dat gesteld noch gebleken is dat de Staat in deze zin de oorspronkelijke geschriftenbescherming heeft gehandhaafd.
Football Dataco’-arrest opgerichte uitgever die een gids met de programmagegevens wil uitbrengen maar daar niettemin op grond van de onpersoonlijke geschriftenbescherming van wordt weerhouden. De hierop door TMG gebouwde redenering dat, wanneer deze uitgever de Staat aansprakelijk stelt voor de schade, het niet zo kan zijn dat hij krijgt tegengeworpen dat de verjaring al is gaan lopen op 21 juli 1999 (bij de ‘uitvaardiging’ van de regel over onpersoonlijke geschriftenbescherming in strijd met de DRl) toen de uitgever nog niet eens bestond, is juist, echter niet omdat – zoals TMG met dit gedachtenexperiment wil aantonen – die datum niet de (enige) aanvangstermijn van de verjaring kan zijn, doch omdat de uitgever pas vanaf de datum van zijn oprichting (2 maart 2012) bekend kon zijn met zijn schade. De Staat heeft hier bij het pleidooi in hoger beroep, buiten de PA om, terecht op gewezen.
Football Dataco’-arrest de Staat aansprakelijk heeft gesteld. Deze stelling vindt haar oorsprong in het arrest van de HR van 24 mei 2002 inzake ‘
Staat/Van Hout’ (NJ 2003, 268, ECLI:NL:HR:2002:AD9600) waarin is overwogen dat in bepaalde gevallen binnen een redelijke termijn een aansprakelijkstelling moet plaatsvinden om met succes een beroep te kunnen doen op de (derogerende werking van de) redelijkheid en billijkheid. In dit geval is dat echter niet van belang nu hiervoor al is vastgesteld dat het verjaringsverweer van de Staat niet in strijd is met de (derogerende werking van de) redelijkheid en billijkheid, zodat TMG zich hierop toch al niet met succes kan beroepen. Grief IV mist dus relevantie en kan daarom niet slagen.
ASR/Achmea’ (NJ 2016, 196, ECLI:NL:HR:2012:BU3784) is beslist dat een verjaringstermijn die op de voet van artikel 3:310 lid 1 BW Pro is gaan lopen, mede geldt voor de vordering tot vergoeding van schade waarvan de benadeelde redelijkerwijs kon verwachten dat hij die als gevolg van dezelfde schadeveroorzakende gebeurtenis zou kunnen gaan lijden, omdat in zoverre sprake is van afzonderlijke elementen van de reeds ingetreden schade.
Football Dataco’-arrest van 1 maart 2012 kan omvatten, aangezien die schade ten tijde van de implementatiefout van de Staat (21 juli 1999) niet redelijkerwijs kon worden voorzien (zie punt 98 MvG). De hiertoe door TMG gebezigde argumentatie is tweeledig. In de eerste plaats stelt zij dat in 1999 niet te verwachten/te voorzien was dat de HvJEU (op enig moment) zou oordelen dat de auteursrechtelijke bescherming van onpersoonlijke geschriften rechtens onjuist was. Daargelaten dat dit voor TMG niet onverwacht kan zijn geweest (zie rov. 4.6), kan dit niet tot schade bij haar hebben geleid; een zodanig oordeel was voor haar juist gunstig. In de tweede plaats stelt TMG dat in 1999 niet te verwachten was dat een Nederlandse rechter (meer in het bijzonder de Amsterdamse voorzieningenrechter in zijn vonnis van 13 juni 2012, zie rov. 4.5 van het thans bestreden vonnis van de rechtbank Den Haag) vervolgens zou oordelen dat richtlijnconforme interpretatie niet mogelijk was (met welk oordeel de auteursrechtelijke bescherming van onpersoonlijke geschriften in stand werd gelaten). De als gevolg hiervan door TMG geleden schade is echter dezelfde schade als de schade die zij daarvoor al leed, namelijk de in rov. 4.4, 1e volzin, genoemde schade, terwijl die schade voortsproot uit dezelfde gebeurtenis als die eerdere schade (de gestelde onjuiste implementatie van de DRl), zodat TMG die schade in 1999, net als die eerdere schade, redelijkerwijs kon verwachten. Met de Staat (punt 17 PA) moet dan ook worden vastgesteld dat geen sprake is van nieuwe of andere schade, maar van afzonderlijke elementen van reeds ingetreden schade. Dat, zoals TMG bij pleidooi in hoger beroep in dit verband nog naar voren heeft gebracht (punt 45 PA), de HR in het ‘
Ryanair’-arrest van 17 januari 2014 heeft beslist dat richtlijnconforme interpretatie wel kon en (dus) moest, kan evenmin tot schade bij TMG hebben geleid; daarmee kwam juist een einde aan de onpersoonlijke geschriftenbescherming. Het is op zichzelf juist dat bij de implementatie van de DRl in 1999 niet kon worden voorzien hoe de juridische beoordeling daarvan precies zou verlopen, doch dit wil – anders dan TMG kennelijk meent – niet zeggen dat de schade niet kon worden voorzien. Ook grief VI faalt.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Football Dataco-arrest van het HvJEU van 1 maart 2012 nu ten tijde van de implementatiefout van de Staat deze schade redelijkerwijs niet kon worden voorzien.
voldoende zekerheidheeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon en dat het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen afhankelijk is van alle ter zake dienende omstandigheden, althans dat ’s hofs oordeel dat daarvan sprake is gelet op de stellingen van TMG onbegrijpelijk is.
Mispelhoef/Staat [5] is met een recapitulatie van de rechtspraak van Uw Raad op dit punt een nadere invulling gegeven aan het begrip
voldoende zekerheidbij de vijfjaarstermijn uit art. 3:310 lid 1 BW Pro [6] - in afwijking van de conclusie van A-G Keus:
Mispelhoef, zijn er relevante parallellen met de problematiek die ons in de onderhavige cassatieprocedure bezighoudt. Het gaat in het arrest immers om een nadere uitwerking in de vorm van een inkleuring van het vereiste van voldoende zekerheid bij de gelaedeerde dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de laedens, zodat de benadeelde daadwerkelijk in staat moet worden geacht een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. In het nu bestreden arrest lijkt het hof op de keper beschouwd – om het te parafraseren in bewoordingen van rov. 3.3.4 van
Mispelhoef –doorslaggevend te achten dat TMG bekend was met de mogelijkheid dat de Staat voor de schade aansprakelijk was doordat de DRl onjuist was geïmplementeerd en dat zij haar rechten door aansprakelijkheidstelling had kunnen veilig stellen
.Op precies die punten werd in
Mispelhoefgecasseerd, gelet op de in die zaak door Mispelhoef aangedragen, maar niet door het hof meegewogen argumentatie. Uw Raad heeft in dat arrest benadrukt dat het gaat om alle omstandigheden van het geval en dat onder omstandigheden niet doorslaggevend is de enkele bekendheid met de mogelijkheid van aansprakelijkheid van een partij voor schade en dat de rechten op die aansprakelijkstelling eenvoudig veilig kunnen worden gesteld (door een stuitingshandeling).
Mispelhoef-zaak:
Saelmanen
Bosman), meen ik dat (alleen) gelet op het inmiddels gewezen
Mispelhoef-arrest geen juiste invulling is gegeven aan het voldoende zekerheidsvereiste. Daarbij moeten we voor ogen houden dat de korte verjaringstermijn uit art. 3:310 lid 1 BW Pro niet gaat lopen op het moment waarop de mogelijkheid bestaat om de verjaring te stuiten [13] ; dat zou ook een keuze kunnen zijn geweest, maar in de rechtspraak over de korte verjaringstermijn ligt uitdrukkelijk naast een element van rechtszekerheid ook een billijkheidselement besloten. Of dat laatste inmiddels te ver aan het doorschieten is, is een rechtspolitieke kwestie, die ik hier alleen opwerp.
Mispelhoefnaar ik meen in de constellatie van onze zaak (inmiddels) niet (meer) toereikend om aan te kunnen nemen dat TMG voldoende zekerheid had dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de Staat. Er waren immers totdat het Hof van Justitie op 1 maart 2012 duidelijkheid verschafte in het
Football/Dataco-arrest [15] , reële indicaties dat er helemaal geen sprake was van een implementatiefout bij de omzetting van de Richtlijn en/althans de onpersoonlijke geschriftenbescherming daardoor ongemoeid werd gelaten. In de eerste plaats vond dat bevestiging in de parlementaire geschiedenis [16] . In de tweede plaats was dit vaste rechtspraak [17] , met inbegrip van het betrekkelijk recente
El Cheapo-arrest van Uw Raad [18] . Deze door TMG in feitelijke instanties aangevoerde omstandigheden [19] worden in haar s.t. als volgt samengevat (citaat zonder voetnoten):
“indien geen sprake is van een substantiële investering, (…) de regeling van de richtlijn en van dit wetsvoorstel niet aan de orde [komt]. Dergelijke databanken vallen buiten het geldingsgebied van de richtlijn en het wetsvoorstel. Voor die databanken kan als voorheen een beroep op de geschriftenbescherming gedaan worden.”De wetgever heeft derhalve expliciet de stelling ingenomen dat de geschriftenbescherming in stand bleef.
El Cheapo-arrest van 22 maart 2002 is ook uw Raad uitgegaan van de geldigheid van de geschriftenbescherming. Volgens a-g Verkade (in zijn conclusie voor het arrest
Ryanair) heeft uw Raad in het
El Cheapo-arrest impliciet geoordeeld dat de geschriftenbescherming naast de Databankenrichtlijn gehandhaafd kan worden.
Mispelhoef/Staat.We zullen hierna zien dat daar in onderdeel 1 terecht over wordt geklaagd.
Football/Dataco-arrest al voldoende zekerheid bestond dat de schade was veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de Staat in de vorm van onjuiste implementatie van de Databankenrichtlijn (en dan gaat het verjaringsberoep op), of die voldoende zekerheid is er pas gekomen met dit arrest [21] . Het gaat dan inhoudelijk om rechterlijke weging van de aangevoerde aanwijzingen dat helemaal geen sprake was van een implementatiefout uit niet de minste hoek (wetgever en bestendige rechtspraak tot in hoogste nationale instantie) – ook al waren er ook stevige vertolkers van een tegenovergesteld geluid [22] .
inmiddels onjuist gebleken. Het HvJEU heeft immers in zijn uitspraak van 1 maart 2012, C-604/10, ECLI:NL:XX:2012:BV8463, NJ 2012/433 (
Football Dataco), onder meer als volgt geoordeeld:
Football Dataco-arrest heeft geadviseerd over de verenigbaarheid van de Nederlandse geschriftenbescherming voor programmagegevens met het Europese recht (prod. 6 zijdens TMG):
Football Dataco-arrest dat de Nederlandse geschriftenbescherming
niet langerkan gelden ten aanzien van programmagegevens, omdat programmagegevens als gegevensverzamelingen onder art. 1 Databankenrichtlijn Pro vallen.”
toerekenbareonrechtmatige daad. Soms wordt een foutieve implementatie veroorzaakt door onduidelijkheid in de Europese richtlijn zelf. Te betogen valt mogelijk dat daarvan bij de omzetting van de DRl sprake zou kunnen zijn; met andere woorden dat
Datacoeen verrassing opleverde; er sprake was van verschoonbare rechtsdwaling. Met het vaststaan van onjuiste implementatie is zo bezien dan nog niet (zij het wel “in beginsel”) gegeven dat er sprake is van schending van art. 6:162 BW Pro door de Staat, preciezer gezegd: van toerekenbaarheid aan de Staat [25] (en dat lijkt mij uiteindelijk het chapiter “juridische beoordeling”). Uw Raad heeft in
Staat/[B] [26] immers de mogelijkheid geschapen voor de Staat om in voorkomend geval feiten en omstandigheden te stellen die een uitzondering kunnen vormen op de in het arrest
Staat/Van Gelderaanvaarde hoofdregel van toerekening (rov. 3.5.2) [27] .
Mispelhoef-subregel zou dan gereserveerd kunnen blijven voor gevallen van onduidelijkheid over wie/wat de opgetreden schade heeft veroorzaakt bij een veelvoud aan mogelijkheden.
dat alleen kon zijn veroorzaakt door de onpersoonlijke geschriftenbescherming, is te ruim geformuleerd en daarom onjuist. Daar wordt in s.t. 4.2.6 en 4.3 dan vervolgens van gemaakt: TMG was bekend met schade, oorzaak en aansprakelijke persoon, maar had alleen geen zekerheid over de juridische beoordeling, maar dat laatste is ook niet vereist, en dus ging toen de korte verjaringstermijn lopen. Dat betoog mist waar het hier om gaat, namelijk de in stand gelaten geschriftenbescherming
door onjuiste implementatie van de DRlen het springende punt in onze zaak is zodoende wanneer voldoende duidelijk mocht heten dat die onpersoonlijke geschriftenbescherming
in stand latende implementatiefout was (in deze volgens mij juiste zin s.t. TMG 3.9).
Bijenkorf/[A] [28] . In die zaak ging het echter niet om bekendheid met de “fout” (waar het in onze zaak om draait), maar juist om bekendheid met de “juridische beoordeling”. Uw Raad sanctioneerde het oordeel van het hof dat de verjaringstermijn pas ging lopen op het moment dat de benadeelden in die zaak door hun vakbond geïnformeerd waren dat er sprake was van (mogelijke) strijdigheid van de pensioenregeling met het gemeenschapsrecht (de “fout” was in die zaak het niet opnemen van benadeelden in de pensioenregeling).
voldoende zekerheids-oordeel van het hof aan.
subonderdeel 1.1.7.
subonderdeel 1.1.7, gericht tegen rov. 4.5 onder B en rov. 4.8, betoogt dat ’s hofs uitleg en beoordeling van wat het omschrijft als “invalshoek B” als (louter) een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid een onbegrijpelijke lezing is van de processtukken en een miskenning van zijn plicht ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen en/althans getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Uit het betoog van TMG volgt onmiskenbaar dat dit (mede) ziet op het aanvangsmoment van de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro, en niet (louter) op het standpunt dat een beroep van de Staat op dit aanvangsmoment naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
El Cheapo’-arrest van 22 maart 2002 (NJ 2003, 149, ECLI:NL:HR:2002:AD9138) vanuit dat de onpersoonlijke geschriftenbescherming naast het databankenrecht kon worden gehandhaafd”). We zagen al dat TMG deze omstandigheden uitdrukkelijk ook in dat kader heeft aangevoerd (MvG 50, 53, 60), zodat het hof die ook in dat kader had moeten meewegen, maar dat is niet gebeurd. Dit zijn naar mijn taxatie vergelijkbare omstandigheden die in
Mispelhoefniet bij de voldoende zekerheidstoets waren betrokken door het hof in die zaak [29] en daar tot cassatie hebben geleid; te betogen valt zelfs dat als al op de
Mispelhoef-omstandigheden moest worden gecasseerd, dat
a fortioribehoort te gebeuren in de omstandigheden van onze zaak.
Danske Slagterier-arrest [30] dat ging over een vergelijkbare korte verjaringstermijn (in dat geval van drie jaar) uit het Duitse recht. Op zichzelf is zo’n nationale verjaringstermijn volgens het hof niet strijdig met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel (uitoefening Unierecht mag niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk worden gemaakt, punt 31), punt 32; vgl. ook het door het hof in rov. 4.10 van het nu in cassatie bestreden arrest genoemde
Iaia-arrest [31] , punt 17. In
Danske Slagterierwordt ook verwezen naar het eerdere
M&S-arrest [32] en uit punt 39 van dat arrest alsook uit punt 33 van
Danske Slagteriervolgt dat een verjaringstermijn wel van te voren moet zijn vastgesteld. Indien de toepasselijke verjarings
termijn– wat mij iets anders lijkt dan het
aanvangsmomentvan een verjaringstermijn – niet met redelijke zekerheid kan worden vastgesteld, kan dat een situatie opleveren gekenmerkt door grote juridische onzekerheid, hetgeen schending van het doeltreffendheidsbeginsel kan vormen volgens deze rechtspraak (omdat dat het verkrijgen van schadevergoeding buitensporig moeilijk kan maken) [33] . De Europese doeltreffendheidstoets bedoeld in de hiervoor genoemde rechtspraak over verjaring behelst naar ik meen niet dat verjaring voldoende voorzienbaar moet zijn (in gelijke zin s.t. Staat 6.1.18-6.1.19), maar dat nationale wetgeving duidelijk moet zijn over de verjaringstermijn. Zoals uit punten 21 (en 17) van
Iaiavolgt, is pas sprake van schending van het doeltreffendheidsvereiste, wanneer het gedrag van de nationale autoriteit er de oorzaak van is dat de vordering te laat is ingesteld. Dat dat zich in onze zaak voordoet, is niet vastgesteld, zodat dat deel van de klacht uit subonderdeel 1.1.5 feitelijke grondslag mist [34] .
bekend is gewordenmet de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon (vgl. opnieuw 2.3).
LJN ZC3686,
NJ 2001/655en HR 10 september 2010,
LJN BM7041).”
FDP/Gemeente Leiden) (citaat zonder voetnoten):
Imation/Thuiskopie en Staat) waar het ook gaat om de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro en volgens mij niet de juiste aanvangsmaatstaf is gekozen, maar de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt als beginpunt van de verjaringstermijnen wordt aangehouden:
Klijn c.s./Staatniet fout [39] , waar deze rechtsklacht op afstuit.
ASR/Achmeavolgt dat deze verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro niet eerder kan beginnen dan op de dag na die waarop de schadevordering opeisbaar is geworden, ook indien eerder bekend is dat de schade geleden zal worden en wie de aansprakelijke persoon is, miskent het subonderdeel dat in dit geval – zoals het hof ook vaststelt in rov. 6.2 – sprake is van schade waarvan de benadeelde redelijkerwijs kon verwachten dat hij die als gevolg van dezelfde schadeveroorzakende gebeurtenis zou kunnen gaan lijden. Voor dergelijke doorlopende/voortdurende schade geldt voor het beginnen van de korte verjaringstermijn de hiervoor in 2.16 geciteerde regel uit
ASR/Achmea.
conditio sine qua non-verband staan. In dit geval is de na 1 maart 2012 ontstane schade een zelfstandig gevolg van de onrechtmatige daad van de Staat. Dat deze schade van hetzelfde type is als voordien ontstane schade, maakt dit volgens deze klacht niet anders.
ASR/Achmea-arrest sprake wanneer de schade het gevolg is van dezelfde schadeveroorzakende gebeurtenis. Dat is hier aan de orde, zoals het hof in rov. 6.2 juist en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld.