Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Slotsom
4.Beslissing
27 juni 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een poging tot zware mishandeling waarbij verdachte met een mes zwaaide en een ander in het bovenlichaam raakte. Verdachte werd in zijn bovenwoning geconfronteerd met de hoofdbewoner die hem met geweld uit de woning wilde zetten. Verdachte beriep zich op noodweer.
Het Hof Den Haag oordeelde dat de verdediging met het mes niet proportioneel was, omdat het zwaaien met het mes niet in redelijke verhouding stond tot de aanranding, die volgens het hof bestond uit het stevig beetgehouden worden. De Hoge Raad stelt dat het hof bij de proportionaliteitsbeoordeling onvoldoende rekening heeft gehouden met de gehele situatie, waaronder het forceren van de deur en het vastpakken en tegen het dressoir smijten van verdachte in zijn woning.
De Hoge Raad herhaalt de maatstaf dat de proportionaliteitseis inhoudt dat het verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding mag staan tot de ernst van de aanranding. Gezien de feiten is het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.