Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
5 juli 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Hof veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaar, onder algemene en bijzondere voorwaarden, waaronder een uitingsverbod over zijn ex-partner en kinderen. Dit uitingsverbod beperkte de verdachte in zijn uitingsvrijheid en was onvoldoende nauwkeurig geformuleerd, waardoor ook uitingen die niet ontoelaatbaar zijn werden belemmerd.
Daarnaast had het Hof de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden bevolen, maar de motivering daarvoor voldeed niet aan de wettelijke eisen omdat niet duidelijk was dat de feiten gericht waren tegen de lichamelijke integriteit van personen en dat er een ernstig risico bestond op herhaling.
De Hoge Raad vernietigt daarom het uitingsverbod en het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid, wijst het beroep voor het overige af en doet de zaak zelf af. De redelijke termijn is overschreden, maar dit leidt niet tot rechtsgevolgen gezien de aard van de straf.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het uitingsverbod en het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid, wijst het beroep voor het overige af en doet de zaak zelf af.