Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
6 december 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd vervolgd wegens het opzettelijk overtreden van een gebiedsverbod in Amsterdam, opgelegd krachtens artikel 2.9A van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De verdachte werd beschuldigd van het zich bevinden in het dealeroverlastgebied DOG 1.1 terwijl hem dat verboden was gedurende een periode van drie maanden.
De verdachte stelde dat hij niet wist van het gebiedsverbod, omdat hij niet adequaat geïnformeerd was, geen kaart had ontvangen en de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het hof oordeelde dat de mededelingen van de politie over het voornemen tot het gebiedsverbod en de wijze van bekendmaking onvoldoende waren om het vereiste opzet aan te nemen. Het nalaten van nader onderzoek door de verdachte kon niet worden toegerekend als opzet.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van de Advocaat-Generaal. De Hoge Raad benadrukte dat een veroordeling op grond van art. 184 Sr Pro slechts kan volgen indien opzet is bewezen, en dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het bewijs van opzet ontbrak. De zaak werd daarmee definitief afgesloten met vrijspraak.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak wegens ontbreken van opzet bij overtreding van het gebiedsverbod.