Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het vierde middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Slotsom
6.Beslissing
21 november 2017.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond verdachte terecht wegens meerdere feiten van oplichting waarbij hij zich voordeed als bonafide verkoper van elektronische producten uit Andorra en een hotelgast die niet betaalde. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte door het gebruik van een valse naam en het creëren van een onjuiste voorstelling van zaken aangevers heeft bewogen tot het afgeven van geldbedragen, goederen en diensten.
De Hoge Raad toetste de bewezenverklaring en oordeelde dat het hof terecht gebruik maakte van schakelbewijs en dat het causaal verband tussen het oplichtingsmiddel en de gedraging van het slachtoffer voldoende was vastgesteld. De verdediging stelde dat slachtoffers de onjuiste voorstelling van zaken hadden moeten doorzien, maar dit werd verworpen omdat nader onderzoek niet van hen kon worden verlangd.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met twintig maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen en het arrest van het hof werd gedeeltelijk vernietigd en terugverwezen voor hernieuwde berechting.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot negentien maanden wegens termijnoverschrijding; het overige beroep wordt verworpen.