Conclusie
1 subsidiair onder A.
2.subsidiair.
eerste middelklaagt dat de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair onder A – kort gezegd het medeplegen van oplichting (meermalen gepleegd) – niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
“Bewijsoverweging feiten 1 subsidiair onder A en 2 subsidiair
NieuwOp onze website zijn de volgende functies beschikbaar (…),
2009 125,21
149,00.”
1.
2.
NJ2017/158, m.nt. Keijzer geeft de Hoge Raad met betrekking tot het delict van oplichting, en het gebruik van oplichtingsmiddelen in concrete gevallen, enkele aandachtspunten en beperkingen, en wel als volgt (de noten laat ik weg):
samenweefsel van verdichtselsin de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. […]
listige kunstgrepengaat het in vergelijkbare zin in de kern om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen. […]
het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de 'persoon' van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. […]
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in art. 326, eerste lid, Sr bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van art. 326, eerste lid, Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.”
tweede middelklaagt dat het hof “vanwege het potentieel onbetrouwbaarheidsrisico dat inherent is aan verklaringen van medeverdachten een nadere motivering omtrent hun betrouwbaarheid had behoren te geven”, nu de raadsman van de verdachte (c.q. de verdachte) deze verklaringen heeft betwist.
‘Dit is geen factuur maar een aanbod. Wanneer u gebruikt maakt van dit aanbod, zal uw betaling als een opdrachtbevestiging worden beschouwd en gaat u akkoord met onze algemene voorwaarden.’
derde middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het hof het verweer dat bij de bewezenverklaring van de strafbare feiten sprake is van eendaadse samenloop onvoldoende met redenen omkleed heeft verworpen en daarbij van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan.
2. Aan de beoordeling van het tweede middel voorafgaande beschouwing