Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Maastricht,
beiden wonende te [woonplaats],
gevestigd te Roermond,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
22 december 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot cassatie van een moeder tegen een beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch die het gezag over haar minderjarige kind beëindigde. De moeder was het niet eens met de beslissing van het hof en stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
Het geding in de feitelijke instanties bestond uit een beschikking van de rechtbank Limburg en een daaropvolgende beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. De Raad voor de Kinderbescherming en Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg waren als verweerders betrokken, evenals de pleegouders van het kind.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de moeder niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en bevestigde daarmee de beëindiging van het gezag over het kind wegens het ontbreken van perspectief op terugkeer naar de moeder.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de beëindiging van het gezag blijft in stand.