Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Gezagsbeëindiging
Deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 810a Rv
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Strand Lobben/Noorwegenuit 2019 volgt dat in het kader van jeugdbeschermingsmaatregelen ook getoetst wordt of de belangen van de ouders en hun zienswijze voldoende in het besluitvormingsproces zijn betrokken. [11] Daarbij geldt dat het over het algemeen aan de nationale rechter is de feiten en omstandigheden (of het bewijs) te waarderen en te beslissen over de noodzaak van het al dan niet uitbrengen van een deskundigenrapport, rekening houdend met de leeftijd en volwassenheid van het betrokken kind. [12] Uit de rechtspraak van het EHRM, de rechtspraak van Uw Raad en de parlementaire geschiedenis blijkt evenwel niet dat op de rechter een verzwaarde motiveringsplicht rust bij afwijzing van een verzoek in de zin van art. 810a Rv. Uit art. 810a lid 2 Rv en de beschikkingen van Uw Raad van 5 september 2014 en 12 april 2019 vloeit wel voort dat de rechter zal moeten motiveren dat en waarom aan een van de in het artikel genoemde afwijzingsgronden is voldaan. [13] Of toewijzing van een verzoek ex art. 810a lid 2 Rv strijdig is met de belangen van het kind betreft een waardering van feitelijke aard die in cassatie alleen op begrijpelijkheid kan worden onderzocht.
subonderdeel 1-Iawordt nog geklaagd dat het hof in rov. 3.12.1 door te verwijzen naar het deskundigenbericht van 24 februari 2022 en te overwegen dat de moeder niet onvoorwaardelijk met dat onderzoek heeft ingestemd en daaraan eisen heeft gesteld, waardoor een (vervolg van het) onderzoek niet haalbaar is, heeft miskend dat het niet is toegestaan om een dergelijk verzoek af te wijzen vanwege de prognose over de uitkomst van het onderzoek. [21]
subonderdeel 1-Ibwordt onder verwijzing naar literatuur [25] betoogd dat benoeming van een deskundige geschiedt na overleg met de ouders, welk overleg nuttig lijkt om te voorkomen dat een rechter een deskundige benoemt die bij de ouder(s) op grote bezwaren stuit. Daarbij is zowel door de rechtbank in rov. 4.7.6 van de tussenbeschikking van 8 december 2021 en rov. 2.2.9 van de eindbeschikking en 2.2.10, als door het hof onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk dat en waarom SDW - waarin de moeder wel vertrouwen heeft - ongeschikt is en niet in het kader van het door de moeder in het kader van artikel 810a lid 1 Rv verzochte onderzoek kan worden toegewezen. Het hof motiveert dat evenmin en miskent daarom, met de rechtbank dat het in beginsel een door de ouder gewenst tegenonderzoek is. Indien het hof dat niet heeft miskend, dan heeft het in elk geval niet voldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang dat en waarom (1) de rechtbank een ander onderzoek wenste te doen uitvoeren dan de moeder en (2) waarom het hof van mening is dat de moeder daarop ook in hoger beroep ex artikel 810a lid 2 Rv geen aanspraak kan maken.
welkedeskundige het onderzoek zou uitvoeren en of dat de door moeder beoogde deskundige zou moeten zijn. Voor zover het middel naar de motivering van de rechtbank verwijst bij de afwijzing van het deskundigenonderzoek en de beoogde deskundige, mist het feitelijke grondslag omdat het hof die motivering niet aan zijn oordeel in rov. 3.12.1-3.12.4 ten grondslag heeft gelegd. Overigens is het volgens vaste rechtspraak aan de feitenrechter om te oordelen over de keuze van het vakgebied en de persoon van de deskundige. [26]
deugdelijk [36] moet worden onderzocht óf terugplaatsing inderdaad niet binnen afzienbare tijd mogelijk is en
deugdelijk [37] moet worden onderzocht of in casu het tijdsverloop wel meebrengt dat de aanvaardbare termijn is verstreken. Daaruit volgt dus ook dat wanneer, bijvoorbeeld door ondercapaciteit bij onderzoekende instanties, onderzoek nog even op zich laat wachten niet kan worden gezegd dat onderzoek zich dus tegen het belang van de minderjarige verzet om zekerheid te krijgen omtrent zijn of haar verblijfplaats.
Strand Lobben/Noorwegenheeft het EHRM onder meer overwogen (in par. 206) dat art. 8 EVRM Pro eist dat de belangen van het kind en die van de ouders tegen elkaar worden afgewogen en (in par. 208 e.v.) dat een kinderbeschermingsmaatregel in beginsel tijdelijk moet zijn, maar dat de belangen van het kind om – na het verstrijken van een aanzienlijke periode – zijn feitelijke gezinssituatie bij pleegouders te kunnen voortzetten, kunnen prevaleren boven de belangen van de ouders bij gezinshereniging. [52] Nationale autoriteiten moeten wel volgens het EHRM voldoende inspanningen leveren om een uithuisplaatsing te voorkomen dan wel, als dat reeds is gebeurd, een hereniging van ouders en kind mogelijk te maken. [53]
subonderdeel 2-Iawordt betoogd dat het hof in rov. 3.12.9 onderschrijft dat de Nederlandse wet afwijkt van de maatstaf die het EVRM hanteert, maar ten onrechte geen consequenties daaraan verbindt.
subonderdeel 2-Icwordt nog eens benadrukt dat niet in de afweging is meegenomen dat volgens de Raad onduidelijk is waar de hechtingsproblematiek van de kinderen vandaan komt, zodat het hof ex art. 147 Rv Pro niet tot de vaststelling in rov. 3.12.7 had mogen komen dat er bij beide kinderen daardoor (verwijzend naar de opvoedsituatie bij de ouder) zorgen zijn ontstaan over hun ontwikkeling en hechtingsproces. [61]
explicietwordt aangemerkt als belanghebbende. Op grond van rov. 3.4 t/m 3.6 van de bestreden beschikking en rov. 2.4.3-2.4.4 van de eindbeschikking van 3 mei 2022 van de rechtbank staat vast dat de pleegouders sinds 2018 in het geval van [kind 1] en in het geval van [kind 2] sinds 2019 de kinderen verzorgen en opvoeden en dit ook nog doen ten tijde van (de aanvang van) de procedure, zodat zij van rechtswege belanghebbenden zijn. [68]