Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
30 mei 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd bewezenverklaard dat hij op 17 december 2013 gestolen horloges en een schoudertas in zijn woning had, terwijl hij wist dat deze door misdrijf verkregen waren.
Het hof baseerde de bewezenverklaring op de vondst van de goederen in een kast in de woning van verdachte, waar ook inbrekerswerktuigen, hasj en joints werden aangetroffen. Verdachte had bekend de drugs opzettelijk aanwezig te hebben. Het hof achtte het niet aannemelijk dat een derde zonder medeweten van verdachte de gestolen goederen in diens woning zou bewaren.
De Hoge Raad oordeelt echter dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de goederen wist dat deze door misdrijf waren verkregen. Hierdoor is de motivering van het hof onvoldoende en voldoet de uitspraak niet aan de eis der wet.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het betreft de bewezenverklaring en strafoplegging met betrekking tot de horloges en schoudertas en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting en afdoening. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de bewezenverklaring en strafoplegging.