Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de personenauto wist dat deze van enig misdrijf afkomstig was.
Op 24 december 2014 werd door een surveillance-eenheid een personenauto aangetroffen op het terrein van hotel/camping De Naaldhof gelegen aan de Docfalaan te Oss. Het voertuig betrof een personenauto, merk Audi, type A5, kleur zwart, voorzien van het kenteken [AA-00-AA] .
In deze personenauto zat een manspersoon achter het stuur van de auto. De man verklaarde dat de auto niet van hem was, maar van een vriend. De man gaf op te zijn [betrokkene 1] . Hij gaf aan te wachten op zijn vriend die er net kwam aanlopen.
Vanaf het terrein van de camping liep een manspersoon in de richting van de auto en nam plaats op de bijrijdersstoel. De bijrijder werd door collega [verbalisant 3] herkend als de hem ambtshalve bekende [verdachte] . Van [verdachte] is bekend dat hij deel uitmaakt van een groepering die zich schuldig maken aan vermogensdelicten en daarbij veelvuldig gebruik maakt van van diefstal afkomstige personenauto’s.
Gezien vorenstaande werd ter plaatse een onderzoek ingesteld. Hieruit bleek dat de op de personenauto gevoerde kentekenplaten, [AA-00-AA] , niet waren voorzien van een unieke code, keurmerk en fabricagedatum.
Ook bleek dat de personenauto merk Audi, type A5, kleur zwart sinds 1 december 2014 als ontvreemd gesignaleerd stond. Tevens bleek dat het gevoerde kenteken niet op die personenauto thuishoorde. Op de aangetroffen personenauto hadden de kentekenplaten [BB-00-BB] gevoerd moeten worden.
Hierop werden de eerder genoemde [betrokkene 1] en [verdachte] op heterdaad aangehouden.
Voertuig: Personenauto;
Merk/type: Audi A5 Sportback;
Kleur: Zwart;
Kenteken: [BB-00-BB] ;
Chassisnummer: [0001] .
Ik ben namens benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik ben geen eigenaar van de auto, merk Audi A5. De auto is eigendom van [A] B.V. Ik ben werknemer van genoemd bedrijf. Hierbij doe ik aangifte van diefstal van de auto.
Op 30 november 2014 parkeerde ik de auto op de parkeerplaats nabij mijn woning, [a-straat 1] te [plaats] . Op 1 december 2014 kwam ik weer terug bij de plaats waar ik de auto had achtergelaten. Ik zag dat de auto door onbekende(n) was weggenomen.
- Voertuigbewijs-kentekenbewijs deel IA;
- Tenaamstelling-kentekenbewijs deel IB;
- Sligro klantenpas;
- Tankpas BP en Freebees pas BP;
- Bril op sterkte van het merk ‘Look’;
- Zonnebril op sterkte van het merk ‘Rayban’;
- Paraplu;
- 25 cd’s;
- Afstandsbediening van de toegangspoort van het bedrijf [A] ;
- Schrijfgerei, ‘Parker’ pen en enkele promo/normale pennen;
- Groene kaart verzekeraar;
- Kleingeld ten behoeve van parkeren;
- Diverse overige goederen zoals: fleece deken Audi, 2 brillenkokers ‘Rayban’, 1 brillenkoker ‘Look’, parkeerschijf, deodorant ‘Chanel’.
Voertuig: Personenauto;
Merk/type: Audi A5 Sportback;
Kenteken: [BB-00-BB] ;
Chassisnummer: [0001] .
In de nacht van 23 december op 24 december 2014 zat ik thuis en kwam een vriend bij mij aan de deur. Mijn vriend heet [verdachte] . Ik heb [verdachte] toen binnengelaten. [verdachte] vertelde toen dat hij een mooie auto bij zich had die hij van een kennis had geleend. Ik zag de auto en het was een Audi.
Ik heb toen aan [verdachte] gevraagd of ik zijn auto later in de dag mocht lenen om een cadeautje te kunnen ophalen voor kerst. [verdachte] vond het goed, maar ik moest die nacht nog wel [verdachte] thuis afzetten. [verdachte] woont in Uden. Ik heb toen [verdachte] thuis afgezet en ben toen terug naar huis gegaan.
In de middag van 24 december 2014 ben ik in Nuenen een computerspel gaan ophalen.
Op 24 december 2014 was ik omstreeks 20 uur bij [verdachte] . [verdachte] vroeg mij of ik met hem mee wilde gaan naar een camping in Oss. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij daar een stroomkabel moest afgeven.
Ik ben toen vanuit Uden naar de camping in Oss gereden. Ik heb toen de auto geparkeerd naast de slagboom. Ik zag dat [verdachte] iets uit de kofferbak pakte. Toen [verdachte] langs mij liep zag ik dat hij een zwartachtige kabel in zijn handen had. Ik zag dat [verdachte] de camping op liep.
Ik zag dat de politie het terrein van de Naaldhof op kwam rijden. Ik zag dat de agenten mijn kant op kwamen lopen. Toen kwam mijn maat ongeveer na 5 minuten weer aanlopen. Ik hoorde dat hij zei dat hij niet wist van wie de auto was.
A: Een rood vest op de achterbank, soort van bodywarmer. Witte jerrycans in de kofferbak. Dit waren 3 lege en 1 halfvol met diesel. Daar moest ik ook mee tanken van [verdachte] .
(...)
A: Mijn vader kan bevestigen dat [verdachte] in de nacht 23 december op 24 december bij mij thuis is geweest, want mijn vader kwam boos naar beneden omdat [verdachte] hard aan het praten was.
Ik ben de vader van [betrokkene 1] die door de politie is aangehouden met [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) in een Audi A5.
Ik weet dat ik 24 december in de vroege ochtend, mogelijk tussen 6:00 en 7:00 uur, wakker ben geworden van [verdachte] die vrij hard aan het praten was in onze huiskamer. Ik ben naar de hal gelopen en heb hem gezegd dat hij stil moest zijn.
Ik hoorde 24 december 2014 rond 12:00 uur van [betrokkene 1] , mijn zoon, dat hij van [verdachte] een auto te leen had. Dit was een Audi A5.
Op 24 december 2014 is [betrokkene 1] nog samen met [betrokkene 2] , een vriend van hem, een kadootje gaan kopen. Daarna is die Audi teruggebracht naar [verdachte] en is [betrokkene 1] kennelijk samen met [verdachte] nog ergens naartoe gegaan.
Ik ben een vriend van [betrokkene 1] . U wilt mij enige vragen stellen over 24 december 2014. Ik kan u vertellen dat ik wel een keer bij [betrokkene 1] , [...] ben geweest waar ook [verdachte] bij was. Dit is zeker al enkele dagen geleden dat de vader van [betrokkene 1] in de vroege ochtend naar beneden kwam en wat aan het mopperen was.
Ik weet dat [betrokkene 1] mij rond 12.00 uur van mijn werk heeft opgehaald op woensdag 24 december 2014. Hij had een Audi A5 bij zich en heeft mij verteld dat hij die te leen had van [verdachte] . Ik ben met [betrokkene 1] nog meegereden naar een adres waar hij een Playstation of zoiets heeft gekocht.
Ik ben op 24 december 2014 ingestapt in de auto bij [betrokkene 1] . Dat was bij camping Naaldhof in Oss. Ik heb die auto niet gestolen.
O: Je bent eergisteren, 24 december 2014, aangehouden omdat je in een gestolen auto ging zitten van het merk Audi voorzien van het kenteken [AA-00-AA] .
V: Liggen er nog spullen in de auto die van jou zijn?
A: Alleen de rode Gaastra jas.
Inbeslagneming goederen in de gestolen auto Audi A5 aan de Docfalaan te Oss onder [betrokkene 1] .
Volgnummer 5:
Object: Kleding (Jas);
Merk/type: Gaastra Nautical Suppli;
Kleur: Rood.”
A. De getuige [betrokkene 1] verklaart als volgt (p. 44-45, 48-49 van het dossier PL2100- 2014198882): Verdachte is in de nacht van 23 december op 24 december 2014 bij hem aan de deur geweest en vertelde dat hij een mooie auto bij zich had die hij van een kennis had geleend. [betrokkene 1] verklaart dat deze auto een mooie Audi A5 was en dat hij de auto mocht lenen van verdachte om een cadeautje op te kunnen halen voor kerst. Omdat verdachte die nacht luid praatte, kwam de vader van [betrokkene 1] naar beneden om te vragen of verdachte wat zachter kon zijn. Toen [betrokkene 1] de auto leende lag er al een rood vest op de achterbank, een soort bodywarmer, en stonden er witte jerrycans achterin de auto, drie lege en één halfvol met diesel waarmee hij van verdachte moest tanken. Op 24 december 2014 is [betrokkene 1] met de auto een cadeautje op gaan halen in Nuenen. Omstreeks 20:00 uur kwam [betrokkene 1] aan bij verdachte. Verdachte vroeg hem toen mee te gaan naar een camping in Oss omdat verdachte daar een stroomkabel moest afgeven. [betrokkene 1] ging daarmee akkoord. [betrokkene 1] parkeerde de auto bij de slagboom en zag dat verdachte een zwartachtige kabel uit de achterbak haalde en daarmee rechtsaf het terrein op liep. Vervolgens kwam de politie het terrein op rijden. Vijf minuten later kwam verdachte teruggelopen naar de auto. [betrokkene 1] hoorde dat verdachte tegen de politie zei dat hij niet wist van wie de auto was.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij bij de camping op bezoek was bij ene [betrokkene 4] , waarvan hij de achternaam niet weet, en dat hij daar een uurtje was om een bakje koffie te drinken en toen zijn maat heeft gebeld om hem op te halen en daar toen bij [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] : hof) is ingestapt en niet weet hoe [betrokkene 1] aan die auto kwam. Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor het gegeven dat er een rode Gaastra jas, die volgens zijn verklaring bij de politie van hem is, in de auto lag (p. 68 van voormeld dossier). Het hof hecht derhalve geen geloof aan de verklaring van verdachte.
Dat verdachte wist dat de Audi een door misdrijf verkregen goed betrof leidt het hof af uit het feit dat hij over de reden van zijn aanwezigheid in die auto wisselende verklaringen heeft afgelegd bij de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting en in strijd met de waarheid heeft ontkend dat hij het was die de auto voorhanden had. Het hof is van oordeel dat de verdachte met deze wisselende verklaringen heeft getracht de waarheid, dat hij opzettelijk de gestolen Audi A5 voorhanden had, te bemantelen. Ook het gegeven dat [betrokkene 1] van verdachte moest tanken met in de auto aanwezige diesel en zo kennelijk benzinestations moest mijden, wijst eveneens in die richting.
a. hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of een zakelijk recht ten aanzien van een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”
NJ2017, 277. De Hoge Raad overwoog in dit arrest dat voor een bewezenverklaring van opzet- of schuldheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte “ten tijde van” bijvoorbeeld het voorhanden “krijgen” wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een “door misdrijf verkregen goed” betrof en dat daarbij onder omstandigheden een rol kan spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot het voorhanden hebben van het voorwerp. In dit verband zijn twee aspecten van belang.
hebbenvan het voorwerp en niet voor het voorhanden
krijgendaarvan. Dat is in dit verband een relevant verschil. Daarmee kan het uitblijven van een aannemelijke verklaring een brug slaan van de wetenschap ten tijde van het voorhanden hebben van het goed naar het bewijs van de wetenschap ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed in situaties waarin de wijze van het verkrijgen van het goed niet is komen vast te staan en niet met voldoende concretisering is aangevoerd dat de verdachte het goed bijvoorbeeld zelf heeft gestolen. [5] Daarbij kan ook het gedrag van de verdachte ten tijde van de ontdekking van het voorhanden hebben van het goed bijdragen aan het bewijs van het opzet ten tijde van de verkrijging ervan.
NbSr2004/69. [6] Daarin had de verdachte kort nadat een creditcard was ontvreemd daarmee in de onmiddellijke omgeving van de diefstal een aankoop proberen te doen. De verdachte had direct voorafgaande aan of bij haar aanhouding getracht zich van die creditcard te ontdoen door deze achteloos te laten vallen. De Hoge Raad achtte het kennelijke oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte, gezien haar reactie bij haar aanhouding die tot doel had te voorkomen dat zij in het bezit van de creditcard zou worden aangetroffen, voor geen andere uitleg vatbaar zijn dan dat de verdachte bij het doen van haar aankoop in de wetenschap verkeerde te beschikken over een creditcard, die haar niet toebehoorde en die door misdrijf was verkregen en dat zulks ook het geval was ten tijde van het kort daarvoor voorhanden krijgen van die creditcard, niet onbegrijpelijk. [7]
(i) de omstandigheden waaronder de verdachte op 11 en 24 juli 2012 de auto kennelijk in zijn bezit had, (ii) dat niet was gebleken dat de verdachte rechtmatig over de auto beschikte, (iii) dat de verdachte niet een aannemelijke verklaring had gegeven omtrent de rechtmatige verkrijging van de auto, alsmede (iv) dat de verdachte toen hij op 11 juli 2012 als bestuurder van de van een vals kenteken voorziene auto door de getuige werd aangesproken met de mededeling dat zij de politie wilde bellen, niet wilde wachten totdat de politie arriveerde, een valse naam en adres opgaf en als bestuurder wegreed. De Hoge Raad oordeelde dat het hof daarmee uit de bewijsvoering had kunnen afleiden dat de verdachte "ten tijde van het voorhanden krijgen" van de in de bewezenverklaring vermelde Renault Twingo "wist" dat deze auto afkomstig was uit enig misdrijf.
tweede middelbehelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.