Conclusie
Nummer 19/02131
Het eerste middel
eerstemiddel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist dat niet is gebleken van enige (schijn van) betrokkenheid van de rechtbank in de zin van art. 46b RO en/of dat het hof ten onrechte het verzoek tot verwijzing van de zaak naar een andere rechtbank dan de Rechtbank Den Haag heeft afgewezen, althans dat het hof dit oordeel en deze beslissing onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
(BFK: cliënten)en nu een privégeschil heeft’.
‘Voorts wordt verdachte in deze strafzaak niet verweten dat hij de rechtbank Den Haag heeft opgelicht en dat verwijt ligt dus niet aan de rechtbank ter beoordeling’.
De Zaak [betrokkene 2]
(BFK: 19)februari 2019 bij pleidooi, op pagina 9 tot en met 18 van zijn pleitnota, aangevoerd dat de verdediging in eerste aanleg de rechtbank heeft verzocht om de zaak te verwijzen naar een andere rechtbank, op de grond dat de Rechtbank Den Haag vanwege meerdere omstandigheden (kort gezegd (…) alsmede door het Openbaar Ministerie verricht onderzoek bij die rechtbank) betrokken is bij de onderhavige strafzaak en daarom geen onpartijdig forum meer kan zijn. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de zaak verwezen had moeten worden naar een andere rechtbank en dat de rechtbank dit bij haar beslissing van 18 februari 2015 ten onrechte niet heeft gedaan. Bij dupliek stelt de raadsman dat het aan het hof is voorbehouden om de inhoud en juistheid van ook deze beslissing te toetsen.
NJ1998/188 m.nt. Knigge en HR 11 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1676,
NJ2000/196 diende terugwijzing van de zaak naar de rechtbank plaats te vinden omdat sprake was van een berechting in eerste aanleg door een strafkamer waarvan een rechter deel uitmaakte die eerder als rechter-commissaris enig onderzoek in de zaak had verricht. In die zaken was sprake van schending van het voorschrift van art. 268 (oud) Sv. [19] Uw Raad wees erop dat art. 268 Sv Pro ertoe strekt ‘te voorkomen dat een rechter-commissaris, ten aanzien van wie de vrees zou kunnen ontstaan dat hij op grond van zijn in de zaak reeds verrichte onderzoek niet meer geheel onbevangen staat tegenover de tot de verdachte gerichte beschuldiging, meewerkt aan het onderzoek ter terechtzitting omtrent de gegrondheid van die beschuldiging en aan de op grondslag van dat onderzoek te geven uitspraak’. [20]
impartial tribunalals bedoeld in die verdragsbepaling. [32]
Bewezenverklaring, procesverloop en overwegingen
tweedemiddel keert zich tegen de bewezenverklaring van feit 1 en tegen de afwijzing – bij arrest – van vier categorieën onderzoekswensen, te weten (1) het als getuige horen van zes personen die zouden kunnen verklaren over het familiekapitaal, (2) nader onderzoek naar Surinaamse bankrekeningen van de ouders van de verdachte in de periode 1960-2000, (3) nader onderzoek naar de in de tenlastelegging genoemde Belgische, Luxemburgse en Nederlandse bankrekeningen en (4) het als getuige horen van 39 medewerkers van Belgische, Luxemburgse en Nederlandse banken. [36] Voordat ik het middel bespreek geef ik de bewezenverklaring, het procesverloop in hoger beroep en relevante overwegingen in het bestreden arrest van het hof weer.
1.1 Algemene opmerkingen
onder 1 tot en met 8genoemde getuigen, te weten (…) [betrokkene 7] , [betrokkene 6] (…), geldt dat zij allemaal al in aanwezigheid van de verdediging zijn gehoord bij de rechter-commissaris. De advocaat-generaal heeft zich evenwel niet verzet tegen het ter terechtzitting over en weer horen van de alsdan aanwezige medeverdachten als getuigen in elkaars strafzaak.
nummer 25 tot en met 65genoemde getuigen, kort gezegd de bankmedewerkers van de diverse banken, overweegt het hof het volgende. Ter motivering van deze verzoeken is door de verdediging aangevoerd dat de bankmedewerkers kunnen verklaren over de periode dat de ouders van de verdachte [verdachte] bij de Nederlandse, Belgische en Luxemburgse banken bankierden, wanneer de rekeningen (daadwerkelijk) zijn geopend, wat het startbedrag was ten tijde van de opening van de rekeningen, aan wie de openingssaldi toebehoorden en wat de rekeninghouders ten tijde van het openen van de rekeningen hebben verklaard over de herkomst van de gelden. Ook zouden zij kunnen verklaren dat er nimmer sprake is geweest van vermenging met andere geldstromen.
Getuige [betrokkene 6]
In Uw beslissing is
nietgemotiveerd waarom - getoetst aan het verdedigingsbelang - de gegeven motivering om [betrokkene 6] te willen horen over de vermogenspositie van [betrokkene 12] en [betrokkene 11] tekortschiet.
Dit heeft getuige [betrokkene 6] geenszins bedoeld, het tegendeel blijkt juist uit haar RC-verhoor.
“Dat is mij niet bekend”.
(voetnoot: Getuigenverhoren van [betrokkene 19] , [betrokkene 16] , [betrokkene 13] en de twee taxatierapporten van het perceel [o-straat] )- alsnog toe te wijzen zodat het standpunt van het OM, dat [betrokkene 12] en [betrokkene 11] niet vermogend waren, kan worden weerlegd.
geenverklaring afgelegd. Vervolgens is [betrokkene 7] op 20 januari 2014 door de RC gehoord en heeft hij zich, met uitzondering van de vraag van de zaaksofficier of de vader van getuige in Suriname is gehoord en of zijn oom onlangs is overleden, zich op zijn verschoningsrecht beroepen.
(voetnoot: Getuigenverhoren van [betrokkene 19] , [betrokkene 16] , [betrokkene 13] en de twee taxatierapporten van het perceel [o-straat] )- alsnog toe te wijzen zodat het standpunt van het OM, dat [betrokkene 12] en [betrokkene 11] niet vermogend waren, kan worden weerlegd.
(voetnoot: pagina 40 pleitnotitie regiezitting 30 maart 2017)
geen beslissinggenomen. [betrokkene 14] is overleden, [betrokkene 14] is de schoonzoon van [betrokkene 20] (de oudste zoon van [betrokkene 12] ). [betrokkene 14] was getrouwd met [betrokkene 28] (de dochter van de oudste zoon van [betrokkene 12] ). [betrokkene 28] kan verklaren over het bestaan van [betrokkene 14] , daar door het openbaar ministerie eerder is aangevoerd dat hij mogelijk een fictief persoon zou zijn. [betrokkene 28] , tevens erfgenaam van [betrokkene 12] , kan verklaren over de gelden op de rekening van haar overleden man [betrokkene 14] , de afspraken tussen [betrokkene 14] en [betrokkene 12] en de vermogenspositie van [betrokkene 12] .
Bevindingen van de Surinaamse autoriteiten / onderzoek in Suriname
Om aan te tonen dat [betrokkene 12] en [betrokkene 11] vermogend waren en in het verleden rekeningen in Suriname hebben gehad, heeft de verdediging Uw Hof reeds ter zitting d.d. 30 maart 2017 verzocht dat in de vorm van een rechtshulpverzoek aan de Surinaamse autoriteiten bij de hierna te noemen Surinaamse banken de navolgende gegevens worden opgevraagd:
geen beslissinggenomen.
Verzoeken aan banken
(…)
buitenlandse bankenop te vragen danwel de verdediging medewerking te verlenen bij het opvragen van informatie bij de banken.
Nederlandse bankenop te vragen danwel de verdediging medewerking te verlenen bij het opvragen van informatie bij de banken.’
.
‘Die stroom wordt nu helemaal weggehaald’, aldus [verdachte] tijdens de regiezitting (p-v regiezitting 4 februari 2015, pagina 8).
‘We hebben niet meer dan al in het dossier zit. Die aanvang waar verdachte het over heeft, kunnen we helaas niet leveren',aldus de officier van justitie op de regiezitting.
transactiesaangeleverd van de laatste 10 jaren (RHV-001, pagina 407). De door BNP Paribas Fortis aangeleverde historieken van de effectenrekening [014] dateren daarom van de periode 6 februari 2002 tot 14 mei 2012.
‘Er is vanuit de verstrekte gegevens is niet te achterhalen wanneer en waar vandaan het startbedrag op de bankrekening van [betrokkene 15] komt. Volgens de politie is alleen vast te stellen dat in januari 1999 er 1,7 miljoen gulden beschikbaar is voor de aankoop van aandelen op sub-rekening [018] . De aandelen worden overgeboekt naar het pakket [016] en daarmee wordt verder gehandeld, wat uiteindelijk het in beslag genomen bedrag van € 771.729,14 geeft’,aldus het onderzoeksteam Waterstof.
Onderzoekwensen
‘3. Feit 1: Witwassen onroerende zaken, huurpenningen en/of bankrekeningen
Algemeen, vermoeden van witwassen
6.Overige onderzoekwensen in de zaak WaterstofHet hof heeft het verzoek tot het horen van [betrokkene 7] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep toegewezen. Deze getuige, die op een eerdere zittingsdag van het hof in het onderzoek Waterstof wel bij het onderzoek op de terechtzitting in zijn eigen zaak was verschenen, is als zodanig voor de zitting van 4 februari 2019 opgeroepen, maar is toen niet verschenen.
Het tweede middel
eerstedeelklacht van het tweede middel houdt in dat ‘s hofs oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat de onder 1 tenlastegelegde voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn – omdat sprake was van cashstortingen van grote geldbedragen die plaatsvonden op een buitenlandse bankrekening die op naam was gesteld van een inmiddels overleden rekeninghouder en waartoe de verdachte als gemachtigde de toegang had – mede gelet op de door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunten onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd.
NJ2019/298 m.nt. Rozemond heeft Uw Raad eerdere rechtspraak over het bewijs van het bestanddeel ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (art. 420bis e.v. Sr), als volgt samengevat:
tweededeelklacht houdt in dat het oordeel van het hof over de alternatieve verklaring van de verdachte – inhoudend dat de tenlastegelegde voorwerpen afkomstig zijn uit het familiekapitaal, te weten de onverdeelde boedel van zijn overleden ouders – mede gelet op de door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunten onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd. De steller van het middel klaagt daarbij in de eerste plaats over ’s hofs overweging dat de verklaring van de verdachte, als die al juist is, niets zegt over de (legale) herkomst van het vermogen. Het zou niet op de weg van de verdachte liggen om de legale herkomst van het vermogen van zijn ouders aannemelijk te maken.
NJ2019/298 m.nt. Rozemond heeft geformuleerd, volgt dat het aan het openbaar ministerie is om bewijs aan te dragen van feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het ‘niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is’. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag volgens Uw Raad van de verdachte worden verlangd ‘dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is’. Dat houdt volgens Uw Raad niet in ‘dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is’. Een verklaring die, in een situatie waarin geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, ook bij juistheid niet impliceert dat het voorwerp een legale herkomst heeft, voldoet evenwel niet aan de eisen die Uw Raad in voormelde overweging stelt. Tegen die achtergrond heeft het hof bij de beoordeling van de alternatieve verklaring die de verdachte naar voren heeft gebracht kunnen betrekken ‘dat deze verklaring, indien al juist, niets zegt over de (legale) herkomst van het vermogen’. Uit die overweging volgt niet dat het hof heeft geoordeeld dat het op de weg van de verdachte ligt om de legale herkomst van het vermogen van zijn ouders aannemelijk te maken.
derdedeelklacht houdt in dat het hof ten onrechte voor de beoordeling van het onder 1 tenlastegelegde relevante verzoeken heeft afgewezen, althans zijn beslissing op deze verzoeken onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Zoals reeds vermeld, gaat het – kort gezegd – om (1) het horen van getuigen over het familiekapitaal, (2) onderzoek naar Surinaamse bankrekeningen, (3) onderzoek naar de in de tenlastelegging genoemde bankrekeningen en (4) het horen van bankmedewerkers.
NJ2019/298 m.nt. Rozemond heeft geformuleerd. Uw Raad spreekt daarin over een situatie waarin ‘de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is’. Van de verdachte mag in die situatie worden verwacht dat hij ‘een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is’. Indien de verdachte een dergelijke verklaring geeft, ligt het volgens Uw Raad ‘op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring’. De formulering van het hof kan tevens zijn ingegeven door de omstandigheid dat het hof, bij toewijzing van onderzoekswensen, voor de realisatie daarvan mede van inspanningen van het Openbaar Ministerie afhankelijk was geweest. Uit de bedoelde overweging kan niet worden afgeleid dat het hof zou hebben miskend dat nader onderzoek, indien één of meer verzoeken waren toegewezen, in opdracht van de rechter had plaatsgevonden.
Het derde middel
derdemiddel klaagt dat het hof ten onrechte het verzoek tot voeging van de bij dupliek overgelegde producties 10 tot en met 13 heeft afgewezen, althans dat het hof zijn beslissing op dat verzoek onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
50. U houdt mij voor een uittreksel uit het Nederlands kadaster van 21 juni 2018. U zegt mij dat het alle registergoederen en onroerendgoedtransacties betreft van 1 januari 1989 tot 14 juni 2018 op naam van mij.
Het uittreksel zal als bijlage 3 aan dit proces-verbaal worden gehecht.Ik vraag u: zijn die allemaal op mijn naam?
De getuige leest het uittreksel.Dit is een lachertje, zoveel huizen op mijn naam. Ik heb in Zoetermeer nooit huizen gekocht of verkocht. De raadsheer-commissaris vraagt mij of ik ooit huizen gekocht heb. Ja, ik heb twee keer een huis gekocht in Lelystad, omdat het in Den Haag duur was. Mijn vader leefde toen nog. Ik wilde daar met mijn vader gaan wonen. Ik heb die huizen in Lelystad met een hypotheek gekocht, [verdachte] had daar niets mee te maken. [verdachte] heeft wel te maken gehad met huizen gekocht op de veiling in 1982, onder de noemer ‘achter de komma’. Hij heeft die huizen gekocht op mijn naam. Hij heeft die huizen in opdracht van mij gekocht. [verdachte] heeft mij gevraagd dat te doen en ik heb dat gedaan. [verdachte] had mij gezegd dat er geld mee te verdienen was en toen heb ik die huizen gekocht. [verdachte] heeft op die manier drie huizen gekocht, één op de [a-straat 4], één op de [p-straat] en één op de [q-straat] in het […]. Die laatste is gelijk door verkocht. Op dat huis is 18.000 euro winst gemaakt. [verdachte] heeft dat toen op mijn naam gekocht. Hij was de makelaar. Hij was de opkoper. Hij regelde de hypotheken. Ik heb die 18.000 euro gekregen. De hypotheken van de huizen [a-straat 4] en [p-straat] stonden op mijn naam. Ik ben zelf op de [a-straat 4] gaan wonen, want ik had een ruimere woning nodig.
Na doorlezing deelt de getuige mee dat de drie panden die op de veiling zijn gekocht, waarover hierboven verklaard, door tussenkomst van [verdachte] zijn gekocht en dat andere panden door de getuige gekocht, door hemzelf zijn gekocht zonder tussenkomst van [verdachte] , dat waren ongeveer 6 of 7 panden, in ieder geval niet meer dan 10. Op de lijst in het kadaster staan er veel meer. Ik noem u de straatnamen behorend bij de panden die ik ooit zelf, zonder tussenkomst van [verdachte] , heb gekocht: een huis in Dordrecht in 1978 in de wijk […], [r-straat 1] in Den Haag, [s-straat] ik dacht [s-straat 1] ook in Den Haag. Na de panden die ik via de veiling en [verdachte] heb gekocht, heb ik nog de navolgende panden zelf, zonder tussenkomst van [verdachte] , gekocht: [t-straat] in het […] in Den Haag ik dacht nummer [t-straat 1], [u-straat 1] in Den Haag, [u-straat 2] in Den Haag, [v-straat 1] in […] in Den Haag. Daarna ben ik verhuisd naar Rotterdam en heb ik de woning gekocht, waar ik nu ook nog woon. Ik heb ook nog twee huizen in Lelystad gekocht, zoals ik hierboven ook al noemde. Een van die huizen was in de wijk […] en de andere in het oude centrum van Lelystad, daarvan weet ik de straatnaam en het huisnummer niet meer. In Lelystad heb ik niet gewoond, dat was wel het plan, maar daar is het niet van gekomen en in de rest van de huizen die ik noemde heb ik wel kortere of langere tijd zelf gewoond. Mr. Korvinus deelt desgevraagd mee dat hij na zal vragen en onderdeel van het dossier zal maken, welke panden bedoeld zijn met de panden die vermeld staan op de lijst van het kadaster, zoals deze als bijlage 3 aan dit proces-verbaal is aangehecht.’
‘Op 15 januari jl. heeft getuige [betrokkene 16] – de oudere broer van cliënt - tegenover de RH-C een verklaring afgelegd over het vermogen van zijn overleden ouders, [betrokkene 12] en [betrokkene 11] .
zie bijlage).’
'Ik was maar een klein ambtenaartje’.
BIJLAGE 10.
Landbouwbank. De hypotheek is door [betrokkene 16] aangevraagd en voor het passeren van de hypotheekakte zijn zowel [betrokkene 16] als zijn echtgenote in 1981 persoonlijk bij de notaris [betrokkene 42] verschenen. Onder
BIJLAGE 11ontvangt u de ingeschreven hypotheekakte waaruit dat blijkt.
zeer leugenachtigis.
AMEV Hypotheekbank. De hypotheek is door [betrokkene 16] aangevraagd en voor het passeren van de hypotheekakte is hij in persoon verschenen bij de notaris, [betrokkene 43]. Onder
BIJLAGE 12ontvangt u de ingeschreven hypotheekakte waaruit dit blijkt. Deze hypotheekakte toont aan dat [betrokkene 16] destijds zelf de hypotheek heeft afgesloten bij een erkende bank, de AMEV hypotheekbank en dat zijn verklaring dat [verdachte] de hypotheek had geregeld, dat het om een niet officiële bank ging en dat toen bij hem het idee kwam dat [verdachte] aan het frauderen was
zeer leugenachtigis.
bijlage 13).
NJ2010/409 heeft Uw Raad overwogen:
Het vierde middel
vierdemiddel keert zich tegen de verwerping van het verweer dat sprake is van een onrechtmatige inbeslagname en onvolledige teruggave van administratie. [62] Het hof zou ten onrechte hebben geoordeeld (1) dat het openbaar ministerie in redelijkheid niet kan worden verweten dat de Aanwijzing inbeslagneming niet is nageleefd en dat niet aannemelijk is geworden dat in zoverre doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn rechten tekort is gedaan en/of (2) dat niet aannemelijk is geworden dat de verdediging mede aan de hand van de ten onrechte aan Post NL aangeboden stukken de legale herkomst van gelden kan verklaren en dat door het ten onrechte aanbieden van inbeslaggenomen stukken aan Post NL geen wezenlijk belang van de verdachte is geschonden of daaruit anderszins voor hem enig nadeel voortvloeit. Het hof zou ten onrechte hebben volstaan met de enkele vaststelling van het vormverzuim, althans voornoemde beslissingen onvoldoende en/of onbegrijpelijk hebben gemotiveerd.
Onrechtmatige inbeslagname en onvolledige teruggave van administratie
‘
IVc. Inbeslagname en teruggave van administratie
bijlage 1bij dit proces-verbaal is gevoegd geeft een indicatie van de wijze en omvang van het schriftelijke beslag zoals op de verschillende locaties aangetroffen.
(…)
(…)
Gezien de omvang en het ongestructureerde karakter van het administratieve beslag, het arbeidsintensieve karakter van de verwerking hiervan in relatie tot de beschikbare opsporingscapaciteit en noodzakelijk uit te voeren overige opsporingsactiviteiten is door de officier van justitie bepaald dat niet
elkin beslag genomen geschrift in het beslagdossier diende te worden geregistreerd en gespecificeerd, doch dat kon worden volstaan met het handhaven van de omschrijving en toegekende inbeslagnamecoderinq zoals tijdens de doorzoeking aan het beslag toegekend.’
Het vijfde middel
vijfdemiddel keert zich tegen de verwerping van het verweer dat geheimhoudergesprekken, gevoerd tussen de verdachte en zijn toenmalige civiele advocaat mr. Deen, als sturingsinformatie zijn gebruikt in de zaak [betrokkene 44] (feit 4). Het hof zou onvoldoende en/of onbegrijpelijk gemotiveerd hebben geoordeeld (1) dat niet aannemelijk is geworden dat de inhoud van enig geheimhoudergesprek als sturingsinformatie is gebruikt in die zin dat op basis daarvan de aangever [betrokkene 44] is benaderd en/of (2) dat op basis van een na zeven jaren opgesteld proces-verbaal aannemelijk is dat naar aanleiding van een telefoongesprek tussen de verdachte en zijn zoon, in combinatie met de resultaten van een zoekslag in inbeslaggenomen goederen, contact is gezocht met aangever [betrokkene 44]. Het hof zou (daarmee, zo begrijp ik uit de toelichting) zijn oordeel dat geen bewijsuitsluiting behoeft te volgen en dat kan worden volstaan met de enkele vaststelling van de schending van art. 126aa Sv onvoldoende en/of onbegrijpelijk hebben gemotiveerd.
Zaak [betrokkene 44]
voortsblijkt dat in de eerste week van zijn aanhouding, periode 10 januari 2012 tot en met 17 januari 2012 en tijdens zijn beperkingen, [verdachte] met mr. Deen telefonisch contact heeft gehad en dat [verdachte] als notarieel gemachtigde van [betrokkene 19] vanuit de arrestantenbewaking met mr. Deen heeft gesproken om een schikking te treffen met [betrokkene 44] over de aankoop van het stuk grond in de Rolde en de hieromtrent lopende procedure:
Geheimhoudersgesprekken
Het zesde en zevende middel; afronding
zesdemiddel klaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
NJ2020/409 m.nt. Ten Voorde, terecht voorgesteld. Uw Raad kan bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.
zevendemiddel klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in de cassatiefase doordat het hof de gedingstukken niet binnen acht maanden heeft ingezonden.