ECLI:NL:HR:2020:127
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mindering vordering benadeelde partij bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze zaak stond de vraag centraal of het hof bij de vaststelling van het bedrag van wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.) de aan de benadeelde partij toegekende vordering tot schadevergoeding in mindering had moeten brengen. De betrokkene was onherroepelijk veroordeeld voor diefstal in vereniging met gebruik van valse sleutels, waarbij een aanzienlijk bedrag was weggenomen van de benadeelde partij.
De rechtbank had de benadeelde partij een schadevergoeding toegekend en daarnaast een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan de betrokkene. In de ontnemingsprocedure werd het w.v.v. vastgesteld via een eenvoudige kasopstelling, waarbij het totale voordeel werd geschat op €22.082. Het hof bevestigde dit en oordeelde dat het geschatte bedrag betrekking had op het voordeel uit zowel bewezenverklaarde als andere feiten.
De betrokkene stelde dat de toegewezen vordering van de benadeelde partij in mindering gebracht moest worden op het w.v.v., maar het hof kon niet vaststellen dat er een corresponderend voordeel tegenover de schade stond. De Hoge Raad bevestigde dat de regeling van art. 36e, achtste lid (oud) Sr alleen toepassing vindt indien een corresponderend voordeel is vastgesteld. De beslissing van het hof was niet onbegrijpelijk gemotiveerd en het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de vordering van de benadeelde partij niet in mindering wordt gebracht op het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel.