Conclusie
Nummer21/02225 P
’s Hofs overwegingen en delen van de pleitnota
diebetrokkene in de belastingheffing is, of kan worden, betrokken. Als daar geen sprake van is gaat voornoemd mechanisme niet op. In zoverre klopt hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht. Met deze enkele stelling kan echter niet worden volstaan, omdat een concrete cijfermatige onderbouwing van deze stelling, die tot aanpassing van het in voornoemd rapport berekende wederrechtelijk verkregen voordeel zou moeten leiden, ontbreekt. Ook dit verweer wordt derhalve verworpen.
Bespreking van de middelen
eerstemiddel ziet op ’s hofs verwerping van het verweer dat bij het bepalen van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening moet worden gehouden met de loonbelasting. De steller van het middel wijst in verband met het bedoelde verweer op (delen van) hetgeen in de pleitnota onder de kopjes ‘Kosten verkrijging’, ‘Bedrag loonbetalingen’ en ‘Inhouding loonbelasting’ is aangevoerd. Op (delen van) dit verweer zou door het hof zijn gereageerd met de overweging dat wat de verdediging aanvoert op zich klopt, maar dat met deze enkele stelling niet kan worden volstaan omdat een concrete cijfermatige onderbouwing ontbreekt. Dat zou, zo begrijp ik, om een aantal redenen een ontoereikende reactie zijn op het gevoerde verweer.
tweedemiddel ziet op ’s hofs verwerping van het verweer dat een feitelijk leidinggevende van een rechtspersoon niet hetzelfde wederrechtelijk voordeel geniet als de rechtspersoon die de strafbare feiten heeft gepleegd. De steller van het middel wijst in verband met dit verweer op hetgeen in de pleitnota onder het kopje ‘Niet uitgekeerd voordeel’ naar voren is gebracht. Ook op dit verweer zou zijn gereageerd met de overweging dat wat de verdediging aanvoert op zich klopt, maar dat met deze enkele stelling niet kan worden volstaan omdat een concrete cijfermatige onderbouwing ontbreekt. Daarnaast zou de overweging inhoudend dat na de verkoop van [A] B.V. in november 2010 de koopsom via de holding op verschillende privérekeningen van de betrokkene en zijn echtgenote is geboekt een reactie zijn op dit verweer. Ook deze reactie zou om een aantal redenen ontoereikend zijn.
zalvloeien’ (randnummers 3 en 4).
de factovoordeelsontneming plaats’. [15] In beide gevallen gaat het ook om betalingen die meebrengen dat de band tussen de daarmee gemoeide gelden en het strafbare feit wordt doorgeknipt: de benadeelde en de fiscus hebben de gelden niet wederrechtelijk verkregen. [16] Deze benadering levert bij belastingen als waar in de arresten van 12 januari 2021 en 14 juni 2022 sprake van was voorts aansprekende resultaten op. Voorkomen wordt dat aftrek van belasting plaatsvindt op basis van inschattingen die achteraf onjuist blijken te zijn. Voorkomen wordt eveneens dat aftrek van belasting plaatsvindt terwijl deze belasting om welke reden dan ook achteraf nooit wordt betaald. Dat sluit aan bij de eerder samengevatte passages in de memorie van toelichting waaruit volgt dat bij de toepassing van het fiscaal mechanisme ook daadwerkelijk betaalde bedragen centraal staan. Voor zover het voordeel ‘wordt ontnomen, wordt de belastingheffing ook weer ongedaan gemaakt’. Daarbij valt te bedenken dat het hier op de keper beschouwd gaat om jurisprudentierecht dat ertoe strekt het tekortschieten van het door de wetgever centraal gestelde fiscaal mechanisme te repareren.
derdemiddel betreft ’s hofs oordeel dat de stelling dat [A] over 2010 met zorgkantoor Agis via nacalculatie een bedrag van € 931.289 heeft verrekend en dat dit bedrag in mindering moet worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel is onderbouwd met een door de betrokkene zelf opgesteld staatje en niet met enig objectief stuk, zodat het hof aan deze stelling voorbij gaat. De steller van het middel voert aan dat het door de betrokkene zelf opgestelde staatje verwijst naar en vergezeld gaat van achterliggende stukken van derden.
vierdemiddel betreft, zo begrijp ik, ’s hofs verwerping van het verweer dat de opsteller van het rapport van de Belastingdienst/FIOD over onvoldoende kennis en vaardigheden beschikt(e) om een deugdelijke berekening te kunnen maken en dat de door de opsteller van het rapport gehanteerde methode voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet deugt. De steller van het middel meent dat de enkele omstandigheid dat het gerechtshof het wederrechtelijk verkregen voordeel met meer dan een miljoen bijstelt aanleiding zou moeten zijn ‘om te twijfelen aan de kennis en vaardigheden van de opsteller van het rapport dan wel de door de opsteller gehanteerde methode’.
vijfdemiddel bevat, zo begrijp ik, een klacht over de vergoeding die de steller van het middel voor zijn werkzaamheden in deze zaak ontvangt.