2.5.Het in deze overweging bedoelde fiscale mechanisme - dat meebrengt dat de rechter bij de bepaling van het als wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking te nemen bedrag geen rekening houdt met de belastingheffing - berust op de veronderstelling dat het bedrag dat de betrokkene als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen ook bij die betrokkene in de belastingheffing is, of kan worden, betrokken. Zoals hiervoor onder 2.2 is weergegeven, is namens de betrokkene echter aangevoerd dat niet de betrokkene maar [B] B.V. vennootschapsbelasting verschuldigd is geworden. Het op voornoemd fiscaal mechanisme gebaseerde oordeel van het hof dat die bij [B] B.V. ontstane belastingschuld niet in aanmerking behoeft te worden genomen bij de schatting van het door de betrokkene verkregen wederrechtelijk voordeel is daarom zonder nadere motivering niet begrijpelijk.’
22. Annotator Reijntjes signaleerde dat Uw Raad de betaalde belasting in het arrest van 10 november 2015 ‘onomwonden’ aanmerkte als een ‘kostenpost, die bij de berekening van het behaalde voordeel in mindering moet worden gebracht’ en meende dat Uw Raad dat in dit arrest ‘kennelijk weer’ deed. Hij meende dat de betrokkene ‘deze kostenpost in beginsel zelf aannemelijk (zal) moeten maken’. Volgens Reijntjes maakt het voorts geen verschil of de vennootschap werkelijk aan haar fiscale verplichtingen heeft voldaan: ‘Het door betrokkene behaalde voordeel is gelijk aan het bedrag dat uiteindelijk van de vennootschap naar hem is gevloeid of (naar menselijke berekening) nog
zalvloeien’ (randnummers 3 en 4).
23. In het reeds genoemde arrest van 14 juni jongstleden was de casus enigszins vergelijkbaar.Uit ’s hofs overwegingen volgt dat de betrokkene via een besloten vennootschap [C] enig aandeelhouder en bestuurder was van een andere besloten vennootschap [A]. De klacht inzake ’s hofs oordeel dat op de bankrekening van besloten vennootschap [A] overgeboekte geldbedragen door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel betroffen werd, zo bleek, verworpen. Inzake de klacht tegen ’s hofs overweging dat de belastingheffing bij besloten vennootschap [A] niet in aanmerking behoefde te worden genomen bij de schatting van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel overwoog Uw Raad:
‘2.4.4. Het cassatiemiddel kan ook niet slagen voor zover het zich, met een beroep op rechtspraak over beperkingen van het zogenoemde fiscale mechanisme, richt tegen het oordeel van het hof dat bij de schatting van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel de belastingheffing bij [A] B.V. niet in aanmerking behoeft te worden genomen. Uit de onder 2.4.3 genoemde omstandigheden, waarop het hof dat oordeel heeft gebaseerd, volgt immers dat de betrokkene met de voltooiing van de in de strafzaak bewezenverklaarde feiten zelf daadwerkelijk voordeel heeft verkregen tot het bedrag van de door hem aangenomen en ontvangen giften. In het licht hiervan is – anders dan in het geval dat ten grondslag lag aan het in de toelichting op het cassatiemiddel genoemde arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:1 – de vraag naar de toepasbaarheid van het fiscale mechanisme in deze zaak niet aan de orde, omdat de mogelijkheid dat [A] B.V. winstbelasting verschuldigd zou worden en een uitkering aan de betrokkene tot heffing van vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting zou kunnen leiden, irrelevant is voor de omvang van het door de betrokkene wederrechtelijk met de voltooiing van de bewezenverklaarde feiten verkregen voordeel. Voor zover die belastingschulden (zijn) ontstaan, is dat in dit geval het gevolg van de keuze van de betrokkene om de aan hem gedane giften te laten uitbetalen via de bankrekening van [A] B.V.’ 24. In het bijzonder de laatste zin duidt erop dat Uw Raad het verschil tussen de casus van het arrest van 14 juni jongstleden en die van het arrest van 12 januari 2021 zoekt in de omstandigheid dat de uitbetaling via de bankrekening van [A] B.V. op een keuze van de betrokkene berustte om de aan hem gedane giften aldus te laten uitbetalen. Dat zou aansluiten bij hetgeen in de zaak van het arrest van 12 januari 2021 in de – door Uw Raad geciteerde - pleitnota was aangevoerd: ‘Het voordeel is in [B] B.V. gevallen. [betrokkene] nam nu eenmaal deel aan de maatschap door middel van die B.V. zodat hij ook in dat opzicht geen keuze had het voordeel daar te laten vallen.’
25. Dat de betrokkene een keuze had, lijkt ook een rol te spelen bij de rechtspraak waaruit voortvloeit dat latere besteding van wederrechtelijk verkregen voordeel voor de vaststelling van de omvang irrelevant is. De betrokkene ‘die ervoor heeft gekozen het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel te besteden voor de aankoop’ van verdovende middelen, neemt daarmee het risico van (beslag en) onttrekking aan het verkeer daarvan. Het in het concrete geval daadwerkelijk door de veroordeelde behaalde voordeel wordt door het zich realiseren van dit risico niet verminderd.’Ik begrijp het arrest van 14 juni jongstleden aldus dat Uw Raad ook de keuze van de betrokkene om het voordeel in een rechtspersoon te laten neerslaan ziet als een keuze waarvan de (fiscale) consequenties voor rekening van de betrokkene mogen komen.
26. Het is evenwel niet meteen duidelijk op welke grond aan de keuze om het geld aan de B.V. te laten uitbetalen deze verstrekkende consequentie wordt verbonden. Elke neerslag van voordeel dat de betrokkene wederrechtelijk heeft verkregen in een rechtspersoon kan tot op zekere hoogte worden gezien als het gevolg van eerdere of latere keuzes van de betrokkene. Daar komt bij dat van een vrije keuze bij het betalen van de belasting zelf geen sprake is: die betaling berust op een wettelijke verplichting.
27. Het is voorts de vraag hoe deze benadering zich verhoudt tot de parlementaire behandeling van de ontnemingswetgeving. In de paragraaf in de memorie van toelichting over de fiscale implicaties van de ontnemingsmaatregel, waar Uw Raad in het arrest van 17 februari 1998 uit citeerde, is de strekking van de ontnemingsmaatregel voorop gezet: ‘bewerkstelligen dat datgene wat de veroordeelde aan door misdrijf verkregen materieel profijt heeft verworven, weer aan hem wordt ontnomen.’ Vastgesteld wordt dat de wet de rechter niet veel concrete aanwijzingen geeft ‘omtrent de wijze waarop hij de omvang van wederrechtelijk verkregen voordeel heeft te berekenen’. En dat de wet voorschrijft ‘dat bij de berekening van de omvang van het voor ontneming vatbare voordeel in rechte aan gelaedeerde derden toegekende vorderingen daarop in mindering komen’. Onder die derden ‘valt niet de overheid als fiscus, aangezien deze over een eigen heffings- en invorderingsinstrumentarium beschikt om alsnog dat nadeel ongedaan te maken’. De memorie van toelichting vervolgt met de overweging dat het genieten van voordelen ‘in beginsel belastbare winst of belastbaar inkomen’ vormt. Voor zover dat voordeel ‘echter weer wordt ontnomen, wordt de belastingheffing ook weer ongedaan gemaakt. Zo werkt globaal het fiscale mechanisme’. Dat fiscale mechanisme brengt mee ‘dat de strafrechter bij de bepaling van het voor ontneming in aanmerking te brengen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening zal dienen te houden met de belastingheffing’.
28. Uit de memorie van toelichting spreekt daarmee een benadering die ervan uitgaat dat belastingheffing in beginsel van belang is bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat de strafrechter bij de bepaling van het voor ontneming in aanmerking te brengen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening behoeft te houden met belastingheffing, is alleen beargumenteerd op basis van het fiscaal mechanisme. Dat is een aanwijzing dat in alle gevallen waarin dat mechanisme niet werkt, met de belastingheffing rekening moet worden gehouden.
29. Deze aarzelingen bij de beslissing om belastingbetaling als gevolg van een keuze van de betrokkene buiten beschouwing te laten, doen er niet aan af dat ik deze keuze in het vervolg van deze conclusie tot uitgangspunt neem.
30. Dat Uw Raad betekenis hecht aan de keuze om het wederrechtelijk verkregen voordeel in een rechtspersoon te laten neerslaan, duidt er ondertussen op dat Uw Raad de belastingen waar in het arrest van 14 juni jongstleden sprake van was, anders benadert dan de belastingen die in het arrest van 10 november 2015 aan de orde waren. Reijntjes signaleerde in zijn NJ-noot onder het arrest van 12 januari 2021 dat Uw Raad de betaalde belasting in het arrest van 10 november 2015 ‘onomwonden’ aanmerkte als kostenpost. Hij meende dat Uw Raad dat in het arrest van 12 januari 2021 ‘kennelijk’ weer deed. Uit dat arrest zelf bleek dat al niet met zoveel woorden. Dat Uw Raad in het arrest van 14 juni jongstleden betekenis hecht aan de ‘keuze’ om het wederrechtelijk verkregen voordeel aan een rechtspersoon te laten uitbetalen, is een aanwijzing dat Uw Raad het betalen van die belasting meer benadert als besteding van dat voordeel. Zoals een keuze om wederrechtelijk verkregen voordeel te besteden aan drugs niet aan de omvang afdoet, brengt ook de aan uitbetaling aan een rechtspersoon inherente besteding van een deel daarvan aan belastingen niet mee dat de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vermindert.
31. Die benadering van het betalen van belastingen als een besteding van wederrechtelijk verkregen voordeel heeft wetshistorisch sterke papieren. De eerder samengevatte passages in de memorie van toelichting laten zich aldus lezen dat de wetgever een verband heeft gelegd met de positie van de benadeelde partij. Dat de fiscus geen ‘rechtstreeks door het wederrechtelijk voordeel opleverende gedrag benadeelde derde’ is, wordt in de memorie van toelichting enkel beargumenteerd met het ‘eigen heffings- en invorderingsinstrumentarium’ waar de overheid als zodanig over beschikt. Daarop aansluitend bespreekt de Minister de relevantie van het fiscale mechanisme voor de voordeelsontneming. Ook bij de benadeelde partij is het de besteding van het wederrechtelijk verkregen voordeel (aan het betalen van een vordering) waar de aandacht van de wetgever naar uitgaat.
32. In verband met de positie van de benadeelde partij heeft de wetgever een specifieke regeling getroffen. Art. 36e, negende lid, Sr bepaalt: ‘Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen alsmede de verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in artikel 36f voor zover die zijn voldaan, in mindering gebracht.’ Anders dan bij de aftrek van kosten heeft de rechter geen vrijheid: indien en in zover de toegekende vordering wederrechtelijk verkregen voordeel weerspiegelt, is aftrek verplicht.Tegelijk is de reikwijdte van de regel beperkt. Slechts voor zover de vordering in rechte is toegekend en is voldaan dient de rechter het bedrag van de vordering af te trekken.
33. Die regeling was aan de orde in een arrest van 1 april 2008.Ten laste van de betrokkene was in de strafzaak bewezenverklaard dat zij een rechtmatigheidsformulier Abw valselijk had opgemaakt. Uw Raad overwoog dat er in cassatie van kon worden uitgegaan dat er een besluit lag van de gemeente om het bedrag dat de betrokkene ten onrechte aan uitkering had ontvangen terug te vorderen. Op dat bedrag zag ook de ontnemingsvordering. Uw Raad was van oordeel dat redelijke wetstoepassing meebracht dat met een ‘in rechte toegekende vordering’ als in het toenmalige zesde (thans negende) lid van art. 36e Sr bedoeld, ‘wordt gelijkgesteld een vordering als de onderhavige, die zich hierdoor kenmerkt dat zij is vastgesteld bij een besluit van een bestuursorgaan, dat onherroepelijk is geworden doordat de betrokkene daartegen geen bezwaar of beroep heeft ingesteld.’ Uit het arrest spreekt de gedachte dat vorderingen van overheden die de facto tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel leiden onder omstandigheden op vergelijkbare wijze als vorderingen van benadeelde derden in aanmerking kunnen worden genomen.
34. Er zijn naar het mij voorkomt goede redenen om bedragen die (uit hoofde van in rechte toegekende vorderingen) aan benadeelde derden worden betaald in verband met strafbare feiten waar wederrechtelijk voordeel uit verkregen is en belastingen die betaald worden over wederrechtelijk verkregen voordeel op vergelijkbare wijze te behandelen. In beide gevallen gaat het om betalingen waar een juridische verplichting aan ten grondslag ligt. In beide gevallen vindt, in de bewoordingen van Borgers, ‘
de factovoordeelsontneming plaats’.In beide gevallen gaat het ook om betalingen die meebrengen dat de band tussen de daarmee gemoeide gelden en het strafbare feit wordt doorgeknipt: de benadeelde en de fiscus hebben de gelden niet wederrechtelijk verkregen.Deze benadering levert bij belastingen als waar in de arresten van 12 januari 2021 en 14 juni 2022 sprake van was voorts aansprekende resultaten op. Voorkomen wordt dat aftrek van belasting plaatsvindt op basis van inschattingen die achteraf onjuist blijken te zijn. Voorkomen wordt eveneens dat aftrek van belasting plaatsvindt terwijl deze belasting om welke reden dan ook achteraf nooit wordt betaald. Dat sluit aan bij de eerder samengevatte passages in de memorie van toelichting waaruit volgt dat bij de toepassing van het fiscaal mechanisme ook daadwerkelijk betaalde bedragen centraal staan. Voor zover het voordeel ‘wordt ontnomen, wordt de belastingheffing ook weer ongedaan gemaakt’. Daarbij valt te bedenken dat het hier op de keper beschouwd gaat om jurisprudentierecht dat ertoe strekt het tekortschieten van het door de wetgever centraal gestelde fiscaal mechanisme te repareren.
35. De steller van het middel klaagt bij het eerste middel ondertussen alleen over de verwerping van het verweer dat het hof bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening heeft gehouden met de loonbelasting. Het hof overweegt te dien aanzien dat het ‘de door toedoen van de betrokkene ten onrechte door Agis op de bankrekening van [A] uitgekeerde bedragen’ aanmerkt als ‘door de betrokkene zelf genoten voordeel en niet slechts hetgeen aan de betrokkene en zijn echtgenote als loon is uitbetaald door [A] ’. Dat brengt volgens het hof ook mee dat ‘de noodzaak tot het horen van de deskundige over de heffing loonbelasting’ ontbreekt. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof het betreffende verweer niet (alleen) heeft verworpen door te wijzen op een gebrek aan een concrete cijfermatige onderbouwing. Voor zover het middel daarvan uitgaat faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Ik wijs er voorts op dat het hof onder het kopje ‘belastingheffing’ heeft gewezen op het fiscale mechanisme. En dat in de benadering van het hof de keuze om het wederrechtelijk verkregen voordeel (later) deels uit te betalen aan de echtgenote van betrokkene, als een keuze kan worden aangemerkt waarvan de fiscale gevolgen – in lijn met het arrest van 14 juni jongstleden – voor rekening van de betrokkene zijn.
36. De steller van het middel voert in de toelichting nog aan dat ingeval het hof tot uitdrukking heeft willen brengen dat de betrokkene een deel van het voordeel in [A] heeft opgepot, ’s hofs oordeel eraan voorbijgaat dat de verdediging ook een ‘standpunt heeft ingenomen dat ziet op niet uitgekeerd voordeel.’ In dat verband merk ik op dat ’s hofs overweging inzake het ontbreken van een concrete cijfermatige onderbouwing onderdeel uitmaakt van een passage waarin het hof meer in het algemeen ingaat op hetgeen door de verdediging is aangevoerd met betrekking tot de ‘belastingheffing’. Ik begrijp deze passage aldus dat het hof daarmee (ook) reageert op hetgeen in de pleitnota onder het kopje ‘Niet uitgekeerd voordeel’ naar voren is gebracht over (onder meer) de heffing van vennootschapsbelasting over opgepotte winst. Voor zover geklaagd wordt dat het hof niet op het betreffende onderdeel van het pleidooi zou hebben gereageerd faalt het eerste middel derhalve eveneens.
37. Het eerste middel faalt.
38. De steller van het middel klaagt in het tweede middel over de verwerping van het verweer ‘dat een feitelijk leidinggevende van een rechtspersoon niet hetzelfde wederrechtelijk voordeel geniet als de rechtspersoon die de feiten heeft gepleegd’. Daarbij wijst de steller van het middel erop dat (in de pleitnota, onder het kopje ‘Niet uitgekeerd voordeel’) is aangevoerd dat over opgepotte winst circa 25% vennootschapsbelasting wordt geheven, dat bij een andere uitkering gewoonlijk dividendbelasting wordt ingehouden en dat de verkoper ook over de opbrengst van een vennootschap met opgepotte winst belasting moet betalen. De reactie van het hof op dit verweer zou tekortschieten, nu het gerechtshof ook bij een onvoldoende concrete of cijfermatige onderbouwing niet ontslagen was van de verplichting om met belastingen rekening te houden.
39. Uit ’s hofs overwegingen volgt dat in de strafzaak is bewezenverklaard dat de betrokkene als natuurlijk persoon en feitelijk leidinggevende van thuiszorgorganisatie [A] , Agis Zorgverzekeringen NV heeft opgelicht door in de periode van 1 januari 2008 tot en met 19 november 2010 steeds de opgaven van het aantal gemaakte zorguren op te hogen, als gevolg waarvan Agis steeds is overgegaan tot uitbetaling aan [A] van hogere (voorschot- en nacalculatie) bedragen dan gerechtvaardigd was. De betrokkene had als directeur en enig aandeelhouder als enige binnen [A] zeggenschap over de financiële zaken en had als enige toegang tot de bankrekeningen van [A] . In de door het hof vastgestelde gang van zaken, die het hof aanleiding heeft gegeven de ten onrechte door Agis op de bankrekening van [A] uitgekeerde bedragen aan te merken als door de betrokkene zelf genoten voordeel, ligt (meen ik) de vaststelling besloten dat de betrokkene ervoor heeft gekozen om door oplichting verkregen bedragen te laten storten op rekeningen van [A] . Dat is evenwel niet de keuze waar Uw Raad, zo begrijp ik, in het arrest van 14 juni jongstleden op doelt. Het gaat in de onderhavige strafzaak niet om reeds (met de voltooiing van de bewezenverklaarde feiten) verkregen voordeel dat daarna (volgend op een keuze van betrokkene) is uitbetaald via de bankrekening van een rechtspersoon.
40. Desalniettemin meen ik dat het tweede middel (uitgaande van de benadering waarin het betalen van belastingen op dezelfde wijze wordt benaderd als het betalen van vorderingen van benadeelde partijen) dient te falen. Door de raadsman is in hoger beroep niet aangevoerd dat sprake is van daadwerkelijk door [A] over het wederrechtelijk verkregen voordeel betaalde belastingen.De raadsman heeft onder het kopje ‘Niet uitgekeerd voordeel’ alleen gewezen op belastingen die aan de orde konden zijn in verband met de bedragen die op rekeningen van [A] gestort zijn.Ik meen dat het hof in dat licht het verweer heeft kunnen verwerpen met de overweging dat ‘een concrete cijfermatige onderbouwing’ van het aangevoerde, ‘die tot aanpassing van het (…) berekende wederrechtelijk verkregen voordeel zou moeten leiden, ontbreekt’.Van een toereikende cijfermatige onderbouwing, die het hof ertoe verplichtte zich een oordeel te vormen over de vraag of een belastingschuld bij (de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel) de vast te stellen betalingsverplichting dient te worden betrokken, is naar het mij voorkomt eerst sprake als daaruit kan worden afgeleid dat over het wederrechtelijk verkregen voordeel daadwerkelijk belasting is betaald.
41. Ook het tweede middel faalt.
42. Het
derdemiddel betreft ’s hofs oordeel dat de stelling dat [A] over 2010 met zorgkantoor Agis via nacalculatie een bedrag van € 931.289 heeft verrekend en dat dit bedrag in mindering moet worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel is onderbouwd met een door de betrokkene zelf opgesteld staatje en niet met enig objectief stuk, zodat het hof aan deze stelling voorbij gaat. De steller van het middel voert aan dat het door de betrokkene zelf opgestelde staatje verwijst naar en vergezeld gaat van achterliggende stukken van derden.
43. Tot de stukken van het geding behoort een geschrift met als aanhef ‘Nacalculatie bedragen en verrekening 2010 [A] ’. De inhoud luidt als volgt:
‘Nacalculatie bedragen en verrekening 2010 [A]
Nacalculatie op 25 maart 2010 bedraagt € 2.682.474,00
Gecorrigeerd op onderaanneming voor
€ 231.361,00 min € 6.055,00 = -/- € 225.306,00
Nacalculatie op 19 juli 2011 NZa brief is vastgesteld op € 2.407.168,00
Gecorrigeerd op (onterecht) teveel gedeclareerde uren
vlgs zorgkantoor -/- € 690.329,00
Nacalculatie op 26-10-11 verwerkt bedraagt € 1.716.839,00
Correctie NZa brief van 19-07-11 is € 9.599,00
Correctie zorgkantoor is € 690.329,00
Totale verrekening uren zorgkantoor € 699.928,00
Brief zorgkantoor 25-10-11
Totaal verrekend door zorgkantoor aan (onterecht) teveel
gedeclareerde uren en aan het verschil in nacalculatie € 699.928,00
Verrekend door het zorgkantoor aan onderaanneming € 231.361,00
Totale verrekening door het zorgkantoor bij [A] € 931.289,00’
44. Aan dit geschrift zijn inderdaad een aantal documenten gehecht. De verhouding tussen deze documenten en het overgelegde staatje is in de pleitnota die tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gehouden op 31 maart 2021 is overgelegd evenwel niet verhelderd. De advocaat-generaal merkt in repliek op: ‘Verrekening met Agis via nacalculatie: de betrokkene heeft niet concreet aangetoond dat hij, dan wel [A] , de vordering van Agis heeft voldaan’. De raadsman is daar in dupliek niet op teruggekomen. Wel heeft de betrokkene zelf bij gelegenheid van het laatste woord nog aangevoerd: ‘Met betrekking tot de afrekening met Agis: ik heb aangetoond dat in 2011 € 900.000,00 is verrekend met Agis. Daarna heeft het zorgkantoor zich teruggetrokken, dat is geen eisende partij meer. Ik heb stukken en een duidelijk A-viertje overgelegd met mijn berekening.’
45. Uit rechtspraak van Uw Raad volgt dat in het geval de rechter bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel de vaststelling van de betalingsverplichting afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, hij de redenen dient op te geven die tot de afwijking hebben geleid.Die motiveringsverplichting kan ook aan de orde zijn als de betrokkene aanvoert dat hij een deel van het wederechtelijk verkregen voordeel reeds (aan de benadeelde partij) heeft terugbetaald.Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is eerst sprake als dat standpunt ‘duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie’ ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht.Uit ’s hofs oordeel dat de betrokkene de stelling dat [A] over 2010 met Agis via nacalculatie € 931.289,00 heeft verrekend niet is onderbouwd met enig objectief stuk, dat niet vaststaat wanneer de beweerdelijke nacalculatie heeft plaatsgevonden, dat er geen aanwijzing is dat [A] dit bedrag daadwerkelijk heeft voldaan, dan wel dat dit ten koste is gegaan van eerder door de betrokkene gerealiseerd wederrechtelijk verkregen voordeel, leid ik af dat het aangevoerde naar ‘s hofs oordeel de maatstaf van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt niet haalt.
46. De steller van het middel brengt tegen ’s hofs oordeel in dat het staatje verwijst naar en vergezeld gaat van achterliggende stukken. Deze tegenwerping miskent evenwel dat de enkele omstandigheid dat een geschrift is overgelegd het daarin gestelde nog niet tot uitdrukkelijk onderbouwd standpunt verheft. Daarvoor is doorslaggevend of uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht voldoende duidelijk volgt dat en waarom aan dat geschrift door de rechter consequenties moeten worden verbonden bij de beslissingen die deze heeft te nemen. De steller van het middel zet vervolgens uiteen wat ‘de verrekening’ globaal gesproken inhoudt. Daarmee miskent hij naar het mij voorkomt dat een standpunt niet tot een reactie verplicht als het in cassatie alsnog nader kan worden onderbouwd. Ik mis daarbij ook in de toelichting op het middel een duidelijke toelichting op de stelling dat daadwerkelijk verrekening heeft plaatsgevonden. De enkele omstandigheid dat het hof in de strafzaak zou spreken over ‘voorschotten’ en ‘nacalculatie’ is daarvoor geen toereikende aanwijzing.
47. Ik attendeer er daarbij op dat de rechter op grond van art. 6:6:26, eerste lid, Sv op schriftelijk verzoek van de veroordeelde ‘het in de opgelegde verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vastgestelde bedrag’ kan verminderen’. Die bepaling biedt de betrokkene de mogelijkheid om, indien hij kan aantonen dat daadwerkelijk verrekening heeft plaatsgevonden, dat alsnog aan de rechter voor te leggen.
48. Het derde middel, opgevat als een klacht over ontoereikende motivering van de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, faalt.
49. Het
vierdemiddel betreft, zo begrijp ik, ’s hofs verwerping van het verweer dat de opsteller van het rapport van de Belastingdienst/FIOD over onvoldoende kennis en vaardigheden beschikt(e) om een deugdelijke berekening te kunnen maken en dat de door de opsteller van het rapport gehanteerde methode voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet deugt. De steller van het middel meent dat de enkele omstandigheid dat het gerechtshof het wederrechtelijk verkregen voordeel met meer dan een miljoen bijstelt aanleiding zou moeten zijn ‘om te twijfelen aan de kennis en vaardigheden van de opsteller van het rapport dan wel de door de opsteller gehanteerde methode’.
50. Het hof heeft overwogen dat het rapport is gebaseerd op de transacties (de over-declaraties) die uit het financieel onderzoek door de FIOD zijn gebleken, en dat dit een geëigende methode is om tot een schatting van wederrechtelijk verkregen voordeel te komen. Het hof heeft voorts overwogen dat er geen reden is om te twijfelen aan de deugdelijkheid van (de uitkomsten van) het strafrechtelijk en financieel onderzoek, dat het rapport helder is en dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel voor zover het hof deze aan de schatting ten grondslag legt duidelijk en niet voldoende gemotiveerd weersproken is. Aldus heeft het hof het aangevoerde voor zover betrekking hebbend op de kennis en vaardigheden van de opsteller van het rapport en de gehanteerde methode op toereikende gronden verworpen. Daaraan doet niet af dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel met meer dan een miljoen heeft bijgesteld. Ik wijs er in dat verband op dat deze bijstelling enkel gebaseerd is op het oordeel dat ‘twijfel gerechtvaardigd is over de vraag of de door het Rapport voorgestane extrapolatie’ naar andere onderaannemers op haar plaats is.
51. De steller van het middel voert in de toelichting ook aan dat de enkele omstandigheid ‘dat de gehanteerde methode geen rekening houdt met loon- en vennootschapsbelasting, maakt dat die methode in deze zaak geen geëigende methode is voor een deugdelijke schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel’. Er zou rekening moeten worden gehouden met de loon- en vennootschapsbelasting ‘en dat gebeurt bij een methode die gebaseerd is op transacties niet’.
52. Uit de bespreking van de eerste twee middelen volgt dat en waarom het hof naar het mij voorkomt in de onderhavige zaak geen rekening behoefde te houden met hetgeen door de raadsman is aangevoerd over de loon- en vennootschapsbelasting. Die redenen staan los van de grondslag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt berekend.
53. De steller van het middel voert voorts aan dat het hof de betrokkene in de strafzaak heeft veroordeeld voor gewoontewitwassen en dat deze veroordeling ‘mede ten grondslag ligt aan de ontnemingsvordering’. Het hof zou in de ontnemingszaak die ‘onderliggende veroordeling’ niet kunnen negeren.
54. Daarmee ziet de steller van het middel eraan voorbij dat het hof er in de ontnemingszaak slechts op wijst dat in de strafzaak is bewezenverklaard dat de betrokkene als natuurlijk persoon en feitelijk leidinggevende van [A] , Agis Zorgverzekeringen N.V. heeft opgelicht. De ontnemingsmaatregel is derhalve niet gebaseerd op de veroordeling wegens gewoontewitwassen. Nu de steller van het middel niet verheldert waarom de ontnemingsrechter de veroordeling wegens gewoontewitwassen bij die stand van zaken niet zou kunnen negeren, zie ik van nadere bespreking van deze stelling af.
55. De steller van het middel brengt ook naar voren dat het hof heeft miskend dat de betrokkene niet degene is ‘die de ingehouden loonbelasting dan wel de afgedragen vennootschapsbelasting kan terugvorderen’. Uit de bespreking van de eerste beide middelen volgt dat het hof niet heeft miskend dat de betrokkene loonbelasting die over het aan zijn vrouw uitgekeerde salaris is ingehouden en afgedragen vennootschapsbelasting niet als natuurlijk persoon kan terugvorderen. Het hof heeft op andere gronden beargumenteerd waarom deze belastingen niet bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel behoeven te worden betrokken. Maar wat daarvan zij: ook als een bedrag dat aan loonbelasting of vennootschapsbelasting is betaald ten onrechte niet bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn betrokken, brengt dat niet mee dat de ‘gehanteerde methode voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet deugt’. En het vierde middel ziet op de verwerping van dat verweer.
56. De steller van het middel voert tenslotte aan dat het hof heeft miskend ‘dat het doel van een ontnemingsmaatregel is het afromen van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat de veroordeelde heeft genoten’. Een toelichting op de stelling waarom het hof dit heeft miskend ontbreekt evenwel. Voor zover deze stelling berust op hetgeen in de context van de eerste drie middelen naar voren is gebracht verwijs ik naar het aldaar gestelde. Ik zie af van verdere bespreking.
57. Het vierde middel faalt.
58. Het
vijfdemiddel bevat, zo begrijp ik, een klacht over de vergoeding die de steller van het middel voor zijn werkzaamheden in deze zaak ontvangt.
59. In cassatie kan slechts worden geklaagd over een beslissing van de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.De ontnemingsrechter beslist niet over de vergoeding die de steller van het middel voor zijn werkzaamheden in deze zaak ontvangt
60. Het vijfde middel faalt.
61. In ieder geval het eerste, derde, vierde en vijfde middel kunnen worden verworpen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
62. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden