Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
21 september 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van voorbereiding van moord door bezit van een grote wapenvondst. De Hoge Raad oordeelt dat het niet vereist is dat het beoogde slachtoffer van het misdrijf bekend is voor bewezenverklaring van voorbereiding van moord; voldoende is dat het misdrijf waar de voorbereidingshandelingen op gericht zijn met voldoende bepaaldheid vaststaat.
Het hof had gemotiveerd vastgesteld dat de wapens en andere voorbereidingsmiddelen bestemd waren voor levensdelicten, mede gelet op de financiële administratie, communicatie tussen verdachten en het samenstel van bewijsmiddelen. Het hof achtte bewezen dat verdachte samen met anderen voorbereidingshandelingen voor moord had gepleegd.
De Hoge Raad verwierp de klachten over de bewijswaardering en bevestigde het oordeel van het hof. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn was overschreden, waardoor de opgelegde gevangenisstraf werd verminderd van 14,5 jaar naar 14 jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot veertien jaren, veroordeling voor medeplegen van voorbereiding van moord werd bevestigd.