Conclusie
Inleiding
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd”,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”,
Bewezenverklaring en bewijsvoering van het hof voor zover hier van belang
V - Notitieboekje van [verdachte]
Betrokkene: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1979
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Woonadres: [a-straat 1] , [plaats] .
(pag 217)
11 X 17
13 X 21+5 volle MAG
Met de cijfers ‘17” en 21” worden mogelijk typen Glock bedoeld. Met de cijfers “11” en 13” worden mogelijk aantallen bedoeld. Met “5 volle mag” worden mogelijk vijf, met kogelpatronen gevulde, patroonhouders bedoeld.
Waaronder:
• 11 pistolen van het merk/type “Glock 17”;
• 13 pistolen van het merk/type “Glock 21”;
• vijf volle Glock patroonhouders met 60 kogelpatronen.
1 duzu1050 uit 2 huurauto’s voor spotters voor 10 dagen’
De laatste keer dat een verschil optreedt tussen de noteringen in het boekje en de controle, is op de laatste pagina van de administratie uit het tweede tabblad. Uit analyse blijkt dat het genoemde subtotaal in het notitieboekje genoemd na 12 juli 2015 feitelijk het gecontroleerde totaal is vóór 12 juli 2015, dus nog zonder de ontvangst van de € 30.000 op 12 juli 2015.
De administratie werkt vrij eenvoudig. Elke regel begint met een datumvermelding gevolgd door een bedrag. Daarna volgt de melding of het bedrag ontvangen is (“binnen van” dan wel “in van”) of uitgegeven is (“uit aan”). Ten slotte volgt een naam van de persoon die inlegt dan wel ontvangt, of, indien geen naam is vermeld, de goederen of dienst waar de transactie voor dient.
4 - verrichte handelingen
5 - overige, niet te duiden posten
Ik heb voor de verdeling in deze vijf categorieën geopteerd om de volgende redenen. Uit samenvoeging van de beide tabbladen uit het notitieboekje blijkt dat een deel van de financiële vermeldingen in het tweede tabblad vermoedelijk direct terugslaat op noteringen in de kiloadministratie van het eerste tabblad. Vanuit overige onderzoeksbevindingen is gebleken dat de groepering van verdachten waarop dit onderzoek ziet, beschikte over diverse middelen. Bij doorzoekingen op 15 juli 2015 zijn onder meer aangetroffen en inbeslaggenomen: diverse wapens, twee zeer snelle, gestolen, voertuigen, tientallen (één op één) telefoons, meerdere autovolgsystemen (trackers), alarmsystemen, camera’s, naamloze debetcards, diverse digitale gegevensdragers met informatie of beelden van onbekende derden en ten slotte een grote hoeveelheid vuurwapens en explosieven. Verder is tijdens het onderzoek gebleken dat verdachten zich regelmatig verplaatsten in gehuurde voertuigen, of voertuigen op naam van derden en gebruik maakten van gehuurde garageboxen en/of opslagruimtes. In de administratie van tab 2 zijn noteringen vermeld die, gelet op de beschrijvingen, kennelijk betrekking hebben op uitgaven voor de hiervoor genoemde middelen, diensten of verrichte handelingen. Kennelijk opereren de verdachten als criminele groepering en worden de kosten voor de groepering centraal bijgehouden. Dergelijke kosten binnen het kennelijke criminele samenwerkingsverband zijn dan samen te vatten onder de noemers “middelen” en “verrichte handelingen”. Opgemerkt wordt dat deze middelen en verrichte handelingen in combinatie met elkaar voorkomen en herkend worden in diverse liquidatieonderzoeken van de politie. Alleen in de totaaltellingen zijn deze posten daarom ook samengevoegd. Wapens worden separaat gerubriceerd vanwege de op 15 juli 2015 aangetroffen en inbeslaggenomen, aanzienlijke hoeveelheid vuurwapens en explosieven. Ten slotte zijn in de financiële administratie van tab 2 meerdere noteringen te zien, die niet direct onder een van genoemde drie rubrieken gebracht kunnen worden. Deze posten zijn ondergebracht in de rubriek overig, niet te duiden posten. Hieronder worden de rubrieken afzonderlijk besproken, aan de hand van de noteringen in het notitieboekje.
Ik merk op dat op 26 mei 2015 door [betrokkene 11] en [betrokkene 12] bij de Spyshop in Nieuwegein twee professionele bakensets en een alarmset zijn aangeschaft voor € 7.000 (zie de factuur van Sitcon (Spywebshop Nieuwegein, op pagina 0071). Opgemerkt wordt dat op de factuur het bedrag van € 6.900,01 is vermeld als eindbedrag. Dat is na verrekening van de korting. Het op de factuur genoemde “Draadloos Alarmsysteem” en het “Auto volg systeem PRO” kosten samen iets meer dan € 7.000,00 voor de korting. Kennelijk wordt met “tracker” of “track” een bakenset bedoeld.
Ik merk op dat blijkens afgeluisterde gesprekken, [betrokkene 12] en [betrokkene 13] op 19 juni 2015 meenden te hebben ontdekt dat in de huurauto van [betrokkene 12] een technisch hulpmiddel van de politie was aangebracht, waarna zij hun gehuurde auto’s bij de Spyshop in Arnhem hebben laten ‘sweepen’.
1-12 40d. uit aan [betrokkene 9] spotter.
23-2 1050 uit aan nieuwe track blok
12-11 3d. uit aan spotters 3 huurauto’s voor 1 maand
17-11 1d. uit aan boek spotters/tank.
15-6 1400 uit aan Huurwaggie spott.
24-6 750 uit aan Camera /spotters
Overwegingen over voorbereidingshandelingen (feit 1)
De voorgestelde aanpassing houdt in dat het woord «kennelijk» in de strafbepaling wordt geschrapt. Daarmee beoog ik de reikwijdte van de strafbare voorbereiding te verduidelijken. Dat de voorwerpen waarmee ernstige misdrijven worden voorbereid «kennelijk» bestemd moeten zijn voor het plegen van het misdrijf kan tot verwarring leiden. De wettelijke omschrijving suggereert dat het karakter van het voorwerp doorslaggevend is. (..) Uit de rechtspraak van de Hoge Raad valt (..) af te leiden dat veeleer de bedoeling van de dader bepalend is voor de bestemming van de voorwerpen. De voorgestelde wijziging wil de wet daarmee in overeenstemming brengen (..)
gedragingen die in de voorstelling van de dader bedoeld zijn als voorbereiding van een ernstig misdrijf maar die niet daadwerkelijk als voorbereiding van zo’n misdrijf beschouwd kunnen worden, vallen thans niet onder artikel 46 Sr Pro en zullen daar ook na de voorgestelde aanpassing niet onder vallen” (pagina 56).
Hoewel daaruit blijkt dat er nog wel eens werd gewisseld van oriëntatie kan een zekere doelgerichtheid bij de observaties (in persoon alsmede met gebruikmaking van een peilbaken) zonder meer uit de bewijsmiddelen worden afgeleid.
In de woning van [verdachte] is een notitieboekje in beslag genomen. Dit kan worden aangemerkt als een financiële administratie over de periode 8 januari 2014 tot en met 14 juli 2015. Deze administratie is door [verdachte] bijgehouden. De administratie heeft onder meer betrekking op de aanschaf van wapens, aangeduid als “ijzers”. Daarbij is enkele malen de bijnaam van [betrokkene 19] vermeld. Op diverse significante onderdelen blijkt deze administratie in direct verband te staan met door [betrokkene 13] , [betrokkene 12] , [betrokkene 19] en [betrokkene 11] verrichte handelingen. Zij worden in de administratie met hun bijnamen aangeduid. Zo blijkt onder meer dat de aanschaf van peilbakens (aangeduid als trackers) is vastgelegd. Daarnaast zijn uitgaven opgenomen voor spotters, de aanschaf van enkele telefoontoestellen met PGP-applicatie, camera’s en de huur van auto’s. Zij maakten, met uitzondering van [verdachte] , allen gebruik van huurauto’s. Ook de huur van de garageboxen in Maurik, waar de twee Audi’s stonden geparkeerd, is, zo maakt het hof op uit de inhoud van de administratie via en/of door [verdachte] betaald.
Het eerste middel
Het juridisch kader
NJ2002/626 (rov. 3.5) overwoog de Hoge Raad in dat kader dat het in art. 46 Sr Pro gaat om een situatie waarin het beoogde misdrijf of een begin van uitvoering daarvan niet is gevolgd, zodat in de regel een concrete omschrijving van de wijze waarop het voorbereide misdrijf gepleegd zou gaan worden niet mogelijk is. Voldoende (maar tevens noodzakelijk) is dat duidelijk is op welk in de strafwet omschreven misdrijf met een strafbedreiging van acht jaren gevangenisstraf of meer, de nader omschreven voorbereidingshandelingen betrekking hadden. Dit aspect dient ook in de tenlastelegging te worden opgenomen, hetgeen echter niet betekent dat alle bestanddelen van dat beoogde misdrijf in de tenlastelegging moeten worden opgesomd. Aldus de Hoge Raad in dit arrest uit 2002. In het arrest van 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:179,
NJ2014/107 verduidelijkte de Hoge Raad dat uit de bewijsvoering met voldoende bepaaldheid moet blijken wélk misdadig doel de verdachte voor ogen stond. [4] Uit HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:416,
NJ2018/72, m.nt. Kooijmans, dat handelde over art. 96, tweede lid, Sr, leid ik af dat voor die mate van concretisering niet is vereist dat de tijd, plaats en wijze van uitvoering van de door de verdachte voorbereide misdrijven zouden moeten vaststaan. [5] Als gezegd wordt slechts verlangd dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk in art. 46 Sr Pro omschreven misdrijf de voorbereidingshandelingen waren gericht. In geval van een bewezenverklaring moet vervolgens ook in de kwalificatie tot uitdrukking worden gebracht op welk hoofdfeit de voorbereiding betrekking heeft, aldus HR 20 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1345,
NJ1999/64; het strafmaximum is in art. 46, tweede lid, Sr immers gerelateerd aan de op het grondmisdrijf gestelde hoofdstraffen. [6]
NJ2015/185, m.nt. Rozemond overwogen dat, mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat bewezenverklaring ervan heeft ten opzichte van voorbereiding van doodslag, “aan het bewijs van het bestemd zijn tot het begaan van moord bepaaldelijk eisen moeten worden gesteld en dat de rechter, in het bijzonder indien uit de bewijsmiddelen niet rechtstreeks volgt dat sprake is van die bestemming, in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht moet geven aan de vraag op grond waarvan uit de bewijsvoering met voldoende bepaaldheid blijkt dat het misdadige doel dat de verdachte met zijn voorbereidingshandelingen en voorbereidingsmiddelen voor ogen stond, als moord moet worden aangemerkt”. Volgens de Hoge Raad past dat ook “bij het voor voorbereiding geldende vereiste dat de bewezenverklaarde gedragingen strekken ter voorbereiding van feiten als in de bewezenverklaring bedoeld”. [7]
NJ2014/338, m.nt. Rozemond namelijk kunnen worden afgeleid dat de bewezenverklaarde gedragingen strekten ter voorbereiding van feiten als in de bewezenverklaring bedoeld en dat het opzet van de verdachte op het begaan daarvan was gericht. Daarop dient de kwalificatie van het misdrijf gegrond te zijn. Als gezegd is daarvoor niet nodig een zo concreet omschreven voorstelling waarvan ook de verwezenlijking van het voorbereide misdrijf deel uitmaakt, hetgeen dus in het bijzonder geldt voor de tijd, plaats en wijze van uitvoering.
Bespreking van de eerste drie deelklachten
datmisdrijf” ook de contouren van het (feitelijk) te plegen misdrijf blijken: “Zo ligt het voor de hand dat bij de voorbereiding van een moord, het voor de daders in beginsel duidelijk is wie het slachtoffer zal zijn”. De rechtbank heeft kennelijk niet alleen moeite met de vaststelling van de ‘contouren’ van het misdrijf, maar ook met die van de aard van het misdrijf zelf waarop de voorbereidingshandelingen gericht zouden zijn geweest. In het vonnis belicht de rechtbank bijvoorbeeld dat op de aangetroffen SD-kaartjes heimelijk gemaakte opnames zijn aangetroffen van verschillende personen “maar dat niet is gebleken wat de precieze plannen waren met deze mensen”. En ook wijst zij erop dat getuige [betrokkene 32] weliswaar heeft verklaard over de dreiging die hij vanuit een bepaalde richting voelde, maar dat niet is komen vast te staan wat er met hem diende te gebeuren: het “kan zijn dat [betrokkene 32] zou moeten worden doodgeschoten, maar een gijzeling/wederrechtelijke vrijheidsberoving of een afpersing of een enkele bedreiging behoort ook tot de mogelijkheden”, aldus de rechtbank. [9]
wieprecies in de fase van voorbereiding het doelwit was, leidt naar mijn inzicht in de onderhavige zaak er niet toe dat het voorbereide misdrijf niet met voldoende bepaaldheid kan worden vastgesteld. Naar het mij voorkomt geldt in het geval van voorbereiding van moord niet de specifieke eis dat moet worden bepaald wélke persoon het doelwit was. Voldoende is lijkt mij, dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat het bewezenverklaarde feit strekt ter voorbereiding van het grondmisdrijf en dat daaruit volgt dat het opzet van de verdachte op het begaan daarvan was gericht, hier om iemand, wie dat ook mag zijn geweest, om het leven te brengen. Uit het vereiste dat het voorbereide grondmisdrijf uit de bewijsmiddelen moet voortvloeien, tekenen de noodzakelijke contouren zich doorgaans vanzelf af. Deze contouren zijn niet altijd haarscherp of even scherp te trekken en dat hoeft naar mijn inzicht ook niet.