Conclusie
Nummer19/05633 P
Vordering
De verdachtedeelt hierop – zakelijk weergegeven – mee:
Ik ben persoonlijk failliet en dat faillissement loopt nog. Ik heb wel een andere rechter-commissaris gekregen. De faillissementen tegen de andere entiteiten zijn opgeheven bij gebrek aan baten. Mijn gezondheid is goed. Zakelijk doe ik niet veel meer. Zolang je failliet bent, kun je de dingen die je anders deed niet meer doen. Ik heb twee kleinkinderen en een moeder die op leeftijd is.
Mijn hoofdverblijf is bij mijn dochter, maar ik verblijf af en toe ook wel bij anderen om mijn dochter niet teveel te belasten. Het adres in [plaats] is mijn officiële adres. Ik verblijf soms bij mijn moeder of bij andere familieleden.
website […] .comeen quote van Albert Einstein staat, te weten “Failure is success in progress'’. Het komt erop neer dat fouten uit het verleden soms een stop zijn op weg naar succes. We kunnen het verleden niet veranderen, maar je kunt wel werken aan de toekomst. Ik heb van mijn fouten geleerd en daarom ben ik de laatste jaren vooral aan het werk om mijn ervaringen met anderen te delen om hen ervoor te behoeden dezelfde fouten te maken als ik. Succes kan ook materieel succes zijn.
[betrokkene 2]
Bespreking van de middelen
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof heeft ‘nagelaten te responderen op het ter zitting gevoerde verweer van de raadsman dat een bedrag van € 12.265 in mindering moet worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel’, nu dit bedrag zou zijn terugbetaald aan [benadeelde] . Het
tweedemiddel bevat de klacht dat het hof heeft ‘verzuimd dit bedrag in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel bij de vaststelling van de betalingsverplichting aan de Staat’. De vaststelling van de betalingsverplichting zou van een onjuiste rechtsopvatting getuigen, althans onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd zijn. De steller van het middel refereert bij beide middelen aan art. 36e, negende lid, Sr. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
NJ2020/173 m.nt. Reijntjes had de raadsman aangevoerd dat één van de medeveroordeelden het totaalbedrag aan vorderingen had voldaan. Omdat in de strafzaak de vorderingen benadeelde partij hoofdelijk waren toegewezen meende hij dat een derde deel van het door de medeveroordeelde betaalde bedrag bij de betrokkene kon worden afgetrokken van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had geoordeeld dat de betaling door een medeveroordeelde niet tot aftrek leidde omdat bij elk van de veroordeelden was berekend ‘welk voordeel zij ieder voor zich uit de strafbare feiten hebben genoten en uiteindelijk dienen te betalen’. In cassatie werd over dat oordeel geklaagd. Uw Raad overwoog als volgt:
derdemiddel klaagt over de verwerping van het verweer dat het te betalen bedrag lager vastgesteld dient te worden dan het geschatte voordeel voor zover dit ziet op de posten [betrokkene 1] ter hoogte van € 62.995 en [betrokkene 2] ter hoogte van € 30.000. De eerste deelklacht houdt in dat het hof het gestelde ten onrechte heeft betrokken bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat.
vierdemiddel klaagt dat het hof heeft nagelaten te responderen op het verweer dat de opbrengst van een inbeslaggenomen en verkochte BMW in mindering moet worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, aangezien de opbrengst zou zijn terugbetaald aan de [benadeelde] .