Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
Ten aanzien van de bewijsuitsluiting.
“Ten behoeve van het onderzoek naar witwassen, valsheid in geschrifte en/of belastingontduiking is het wenselijk om inlichtingen, gegevens en bescheiden waarover de belastingdienst thans beschikt, verstrekt te krijgen.”
“wenselijk”is voor het onderzoek om alle gegevens van de fiscus te verkrijgen. Dat is niet het zelfde als
“belang van het onderzoek”
nietwas. Dit leidt dan ook tot de slotsom dat alle gegevens van cliënte van voor het huwelijk in juli 2007, dienen te worden uitgesloten van het bewijs.
Standpunt verdediging
in concretoonjuist is als de gegevens worden opgevraagd op basis van een convenant als bedoeld in art. 43c, eerste lid onder m, UR AWR 1994. Bovendien laat het arrest van de Hoge Raad met de eerste twee zinnen van de hierboven geciteerde overweging nadrukkelijk de mogelijkheid open dat er nog andere grondslagen bestaan voor informatie-uitwisseling tussen opsporingsdiensten en de Belastingdienst buiten het regime van art. 126nd Sv om.
desgevraagdalle inlichtingen aan de officier van justitie.
3.Het tweede middel
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
plegenen
medeplegen. Nu het hier gaat om alternatieven die – gelet op de aan het feit te geven kwalificatie – van belang zijn voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezen verklaarde, had het hof die keuze in de bewezenverklaring wel moeten maken. [8] Door die keuze achterwege te laten, heeft het hof de grondslag van de tenlastelegging verlaten. [9] Het middel klaagt daarover terecht.
4.Het derde middel
door middel van het bewezenverklaardefeit is verkregen, niet zonder meer begrijpelijk. [14] Daarbij wijs ik erop dat het enkele feit dat het banktegoed kennelijk voorwerp is geweest van het bewezen verklaarde witwassen nog niet betekent dat de verdachte ook tot dat bedrag voordeel heeft verkregen uit dat witwassen. [15]
5.Het vierde middel
mede(cursivering AG TS) dient ter afroming van het door verdachte behaalde voordeel”. Met een creatieve interpretatie van die overweging van het hof liet de Hoge Raad het oordeel in stand. Het gaat hier volgens mij met name om het door het hof gebruikte woordje “mede”. Daardoor kon de Hoge Raad in deze zaak oordelen dat het hof met die opmerking niet meer tot uitdrukking had gebracht dan dat de ernst van de feiten mede werd bepaald door de omvang van het daaruit verkregen voordeel, en dat de hoogte van de geldboete daarop was afgestemd. [20] De strafmotivering gaf volgens de Hoge Raad, “aldus verstaan”, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.