Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Hieruit volgt dat het hof van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt over het gebruik van het proces-verbaal van bevindingen van 6 december 2011 is afgeweken om de redenen die zijn vermeld in het aanvullende proces-verbaal van bevindingen van 9 augustus 2021, dat is opgesteld nadat het openbaar ministerie bij tussenarrest door het hof in de gelegenheid was gesteld nader onderzoek te doen naar wat door de verdediging naar voren was gebracht. Het hof was niet gehouden tot een nadere motivering. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld (i) dat het in het cassatiemiddel bedoelde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt een herhaling behelsde van de eerder geuite kritiek die in het aanvullende proces-verbaal puntsgewijs beargumenteerd is tegengesproken, en (ii) dat de verklaring die de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd en die het hof in zijn bewijsvoering heeft gebruikt naar haar strekking overeenkomt met de conclusie van het proces-verbaal van bevindingen van 6 december 2011 en het aanvullende proces-verbaal van 9 augustus 2021, te weten dat de verdachte niet (legaal) kon beschikken over € 150.000 om te investeren in de woning in Thailand.
Het hof heeft op grond hiervan geoordeeld dat ten aanzien van de verdachte sprake is van een vermoeden van witwassen. Het hof heeft de verklaring van de verdachte dat hij voor het verwerven van zijn aandeel in de woning in Thailand niet heeft geïnvesteerd, maar dat hij vanwege de goede vriendschap met [medeverdachte 1] mocht meedelen in de winst bij eventuele verkoop van de woning, zodat hem zijn aandeel van € 150.000 door [medeverdachte 1] zou zijn geschonken, als hoogst onwaarschijnlijk terzijde gesteld. Daarin ligt als feitelijk en niet onbegrijpelijk oordeel van het hof besloten dat de verdachte het vermoeden van witwassen van zijn aandeel in de woning in Thailand niet heeft weerlegd.
Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte, door onder deze omstandigheden ‘mee te gaan’ in de investering, het (voorwaardelijk) opzet had dat de lening werd verstrekt en vervolgens in het onroerende goed in [plaats] werd geïnvesteerd met gelden die van misdrijf afkomstig waren, is niet zonder meer begrijpelijk.
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
8 april 2025.