ECLI:NL:PHR:1998:AA2576
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van het gelijkheidsbeginsel bij autokostenforfait in belastingrecht
In deze zaak gaat het om de toepassing van het autokostenforfait bij de inkomstenbelasting 1994. De belanghebbende werd geconfronteerd met een bijtelling van ƒ 6.000 vanwege privégebruik van een auto, terwijl zijn collega’s die onder andere inspecteurs vielen, geen correcties kregen. De belanghebbende maakte bezwaar tegen deze ongelijke behandeling en het Hof stelde hem in het gelijk, stellende dat de inspecteur onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de groep vergelijkbare gevallen groter was dan alleen de collega’s.
De staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De kernvraag was of het gelijkheidsbeginsel ook geldt over de grenzen van inspecteurs heen binnen de Belastingdienst, en of een begunstigend beleid van een andere inspecteur aan de bevoegde inspecteur kan worden toegerekend. De conclusie is dat het gelijkheidsbeginsel beperkt is tot het bestuursorgaan dat het beleid voert, en dat een inspecteur niet verantwoordelijk is voor het beleid van andere inspecteurs.
Verder werd ingegaan op de reorganisatie van de Belastingdienst en de competentieverdeling tussen inspecteurs. De Hoge Raad bevestigt dat de bevoegdheid van de inspecteur regionaal en functioneel is bepaald en dat afwijkingen in beleid tussen inspecteurs niet leiden tot een landelijke toepassing van het gelijkheidsbeginsel. De uitspraak van het Hof wordt vernietigd en de uitspraak van de inspecteur bevestigd.
Uitkomst: De uitspraak van het Hof wordt vernietigd en de uitspraak van de inspecteur bevestigd, waarbij het gelijkheidsbeginsel niet over inspecteursgrenzen heen geldt.