ECLI:NL:PHR:2001:AB0382
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Waarde van aandelen en verrekening onverteerd inkomen bij Amsterdams verrekenbeding na echtscheiding
Deze zaak betreft de afwikkeling van het Amsterdams verrekenbeding (AVB) na echtscheiding van partijen die buiten gemeenschap van goederen waren gehuwd. Centraal staat de vraag hoe de waarde van aandelen in een tijdens het huwelijk opgebouwd bedrijf moet worden betrokken bij de verrekening van onverteerd inkomen. De man was zeevisser en bracht zijn eenmanszaak in 1995 geruisloos in een BV onder.
De rechtbank en het hof stelden vast dat het gehele vermogen van partijen was opgebouwd uit onverteerd inkomen en herbelegging daarvan. Het hof koos voor de rentabiliteitswaarde van de BV als maatstaf voor de verrekening, mede omdat de man afhankelijk was van zijn bedrijf voor zijn broodwinning en het bedrijf niet mocht worden geliquideerd. De vrouw betwistte deze waardering en stelde dat de liquidatiewaarde moest worden gehanteerd.
De Hoge Raad oordeelt dat de waarderingsmaatstaf een feitelijke kwestie is en dat het hof zijn keuze begrijpelijk heeft gemotiveerd. Wel is het hof tekortgeschoten in de motivering omtrent de aftrek van latente belastingclaims. Daarnaast is de vraag van matiging van wettelijke rente aan de orde, waarbij de Hoge Raad terughoudendheid betracht. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar het hof Amsterdam voor nadere behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof Amsterdam voor nadere behandeling.