ECLI:NL:PHR:2001:AD3954
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verjaring schadevordering wegens onrechtmatige ruiming varkensstapel
Eisers exploiteerden een varkensmesterij waarvan de dieren in 1981 door de Staat werden geruimd op verdenking van varkenspest. Later bleek dat de dieren niet aan varkenspest leden, maar besmet waren met het BVD-virus. Eisers vorderden schadevergoeding wegens onrechtmatige daad omdat de ruiming onterecht was.
De Staat verweerde zich met het verjaringsverweer op grond van de Wet van 31 oktober 1924, die een verjaringstermijn van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de schuld opeisbaar werd, hanteert. Het hof oordeelde dat de vordering op 25 april 1981 was ontstaan en dat de verjaring derhalve in 1987 was geëindigd, waardoor de vordering in 1989 werd afgewezen.
Eisers stelden subsidiair dat de Staat onrechtmatig handelde door pas medio 1986 relevante onderzoeksgegevens te verstrekken, waardoor zij schade leden doordat zij hun vordering niet meer konden instellen. Het hof oordeelde dat ook deze vordering was verjaard omdat de schade samenvalt met de primaire schade van 1981.
De Hoge Raad bevestigt dat de verjaring volgens het oude recht ingaat op het moment dat de schade is geleden, ongeacht of de eisers bekend waren met de oorzaak. De uitzondering voor bodemverontreiniging is niet van toepassing. Ook het subsidiaire verjaringsverweer faalt niet omdat het achterhouden van informatie niet heeft geleid tot een andere schade die niet was verjaard.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de schadevordering wegens onrechtmatige ruiming is verjaard en wijst het cassatieberoep af.