ECLI:NL:PHR:2007:AZ6638
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over matiging en toepasselijkheid contractueel boetebeding in huurovereenkomst bedrijfsruimte
In deze zaak staat centraal de vraag of de door de verhuurster gevorderde contractuele boete op grond van art. 10.5 van de huurovereenkomst verschuldigd is vanwege niet tijdige betaling van de huur en of het hof deze boete terecht heeft gematigd. De huurovereenkomst betrof winkelruimte met een boetebeding in art. 10.5 dat een boete van f 1.000 per dag oplegt bij nalatigheid na sommatie. Daarnaast bevatte de Algemene bepalingen een boetebeding van 2% per maand bij niet tijdige betaling.
De huurster had de huurbetalingen gestaakt wegens vermeende tekortkomingen aan het gehuurde, maar het hof oordeelde dat zij niet gerechtigd was tot opschorting. Het hof matigde de boete wegens een buitensporige discrepantie tussen boete en schade en oordeelde dat de brief van de verhuurster van 19 juli 2001 de huurster op het verkeerde been had gezet omtrent de toepasselijkheid van het boetebeding.
De Hoge Raad bevestigt dat het boetebeding in art. 10.5 van de huurovereenkomst van toepassing is op de niet tijdige betaling van de huur, ook al was er discussie over de toepasselijkheid naast art. 14.2 van de Algemene bepalingen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de matiging terecht heeft toegepast gezien de omstandigheden, waaronder het niet reageren van de verhuurster op brieven en het aanbod van zekerheidstelling door de huurster. Ook het oordeel over de incassokosten wordt bevestigd, waarbij het hof oordeelde dat de verhuurster onvoldoende had onderbouwd dat de gevorderde kosten buiten de normale proceskosten vielen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de toepassing en matiging van het boetebeding in art. 10.5 van de huurovereenkomst en wijst de incassokostenvordering af.